De gemengde stad
Onderzoeksrapport

Wensen, feiten en beleving

Aanleiding en doel van het onderzoek

Aanleiding

Eind 2018 koos het burgerpanel van de rekenkamer (circa duizend Amsterdammers) diversiteit als onderwerp van het publieksonderzoek voor 2019. Diversiteit is gekozen uit een lijst van vier onderwerpen.  Om het onderwerp gerichter in te kaderen gebruiken wij het concept gemengdheid. Hiermee doelen we op de samenstelling van de stad: waar wonen verschillende soorten mensen en huishoudens op basis van kenmerken zoals inkomen, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau en migratieachtergrond?

Doel en onderzoeksvragen

Het onderzoek heeft meerdere doelen. Allereerst willen we verduidelijken wat de gemeente onder 'de gemengde stad' verstaat en welke ambitie zij op dat vlak nastreeft. Daarnaast willen we de mate van menging in de afgelopen jaren inzichtelijk maken. Tot slot willen we inzichtelijk maken hoe inwoners van Amsterdam menging ervaren.

De centrale onderzoeksvraag in het onderzoek luidt als volgt:

Hoe gemengd willen de gemeente Amsterdam en haar inwoners zijn, en hoe passen recente ontwikkelingen in Amsterdam bij deze wensen?

Om deze centrale onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, hebben we vier deelvragen geformuleerd.

  1. Wat zijn de gemeentelijke ambities met betrekking tot de gemengdheid van de stad?
  2. Hoe monitort en evalueert de gemeente de gemengdheid van de stad?
  3. Hoe gemengd is Amsterdam?
  4. Hoe ervaren burgers de ontwikkelingen rond gemengdheid in de stad?

Afbakening

Het vraagstuk van de gemengde stad is veelomvattend en complex. De behoefte om invloed uit te oefenen op de sociale, economische en culturele samenstelling van wijken is niet van vandaag of morgen, maar staat al vele jaren op de politieke agenda. Er bestaat onder experts ook nog geen consensus over de wijze waarop menging bijdraagt aan een 'betere stad' en hoe de mate van menging gemeten dient te worden. Daarnaast wordt de invloed die een gemeente heeft om te sturen op menging beperkt door verschillende externe factoren. Zo zorgden economische en landelijke ontwikkelingen voor schaarste op de woningmarkt en veranderden de handelingsperspectieven van gemeenten en belangrijke partners in het vraagstuk. Denk maar aan de ingrijpende veranderingen die woningcorporaties hebben ondergaan als gevolg van de politieke keuzes tijdens de economische crisis als reactie op financiële schandalen in de sector. Maar niet alleen belangrijke institutionele partners zijn in beweging, ook sociale veranderingen stellen, als gevolg van processen van individualisering of juist groepsbinding, grenzen aan de invloed die gemeenten op het vraagstuk kunnen uitoefenen. Het brede onderwerp de gemengde stad dwingt ons dan ook om keuzes te maken om de reikwijdte en diepgang van ons onderzoek in te perken. Hierna staan we stil bij de keuzes die we hierbij hebben gemaakt.

Onderzoeksperiode

We bekijken de ontwikkelingen op het gebied van gemengdheid in de stad vanaf 2015 tot eind 2019. Een periode van ruim vier jaar achten wij voldoende om ontwikkelingen te kunnen signaleren. Hoewel op verschillende plekken in dit rapport wordt ingegaan op bepaalde aspecten uit voorafgaande en soms achterliggende perioden, is dit uitsluitend gedaan ter verheldering en om de ontwikkelingen beter te kunnen begrijpen. Voor het meten van de feitelijke gemengdheid (hoofdstuk 7) hebben we gebruikgemaakt van microdata van het CBS. Voor dit deel van ons onderzoek hebben we onze onderzoeksperiode aan moeten passen aan de beschikbaarheid van bepaalde CBS-gegevens.

Ruimtelijke (fysieke) invalshoek

De verkenning die we ter voorbereiding op dit onderzoek hebben uitgevoerd, laat zien dat er in Amsterdam geen integraal en expliciet beleid is opgesteld voor gemengdheid. Menging wordt wel (in verschillende woorden) genoemd in collegeakkoorden en (aan wonen gerelateerde) programma's op stads-, gebieds-, wijk- en buurtniveau. De ambitie van het college is een 'gemengde, inclusieve en toegankelijke stad' te zijn.

We constateren dat de gemengdheid van de stad vanuit dit perspectief vele beleidsterreinen raakt. Het is voor een doelmatige onderzoeksaanpak echter noodzakelijk keuzes te maken en ons te richten op het beleidsterrein dat zich in vergelijking met andere beleidsterreinen het meest toespitst op de 'ruimtelijke gemengdheid' van inwonersgroepen.

In dit onderzoek over de gemengde stad staat de ruimtelijke (fysieke) menging centraal. We gaan na wat Amsterdam en de Amsterdammers willen als het gaat over de mate waarin verschillende bevolkingsgroepen dichtbij elkaar wonen of juist op afstand, en wat de feitelijke situatie is in Amsterdam. Naast ruimtelijke (fysieke) menging kun je ook spreken over sociale menging. Hierbij gaat het om de daadwerkelijke interactie tussen mensen. Die interactie is er niet automatisch als mensen dicht bij elkaar in de buurt wonen. Gebieden kunnen ruimtelijk (fysiek) gemengd zijn, zonder dat verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact staan.

Hoewel het onderzoek zich dus richt op ruimtelijke (fysieke) menging wil dat niet zeggen dat er geen aandacht is voor sociale menging. In het beleid van de gemeente Amsterdam zie je dat er relaties worden gelegd tussen beide soorten menging en daarvoor hebben we in ons beleidshoofdstuk (5) aandacht. Ook Amsterdammers leggen die relatie, en in ons hoofdstuk over de mening van de Amsterdammers (8) komt dus ook de sociale menging aan de orde.

De focus die wij in ons onderzoek hebben gekozen, betekent dat we in ons onderzoek geen expliciete aandacht besteden aan:

  • beleid dat gericht is op economische of maatschappelijke voorzieningen, of de infrastructuur en openbaarvervoervoorzieningen in en rond de stad die invloed kunnen hebben op de gemengdheid van de stad. Denk aan het ontbreken van specifieke onderwijsinstellingen, waardoor ouders besluiten niet in een bepaalde wijk te gaan wonen, of het stimuleren van de komst van internationale bedrijven naar de stad, dat een aantrekkingskracht uitoefent op de vestiging van hoger opgeleiden.
  • diversiteitsbeleid, Stad in Balans, of het maatschappelijk participatiebeleid. Thema's als diversiteit, emancipatie, gelijke kansen en discriminatie diepen we in dit onderzoek niet uit. Hoewel menging en segregatie samenhangen met discriminatie en uitsluiting, focussen wij ons primair op gemengdheid van wijken, buurten, stadsdelen en de stad als geheel op basis van de kenmerken van personen en huishoudens. Ook de toevallige ontmoetingen die de gemengdheid van de stad kleuren door de komst van vele bezoekers zoals forenzen, toeristen en dagjesmensen, zijn niet het onderwerp van studie. We hebben ten slotte ook niet de ambitie om menging in vriendschappen of samenwerkingsverbanden in kaart te brengen.
  • alle instrumenten die van invloed kunnen zijn op de woningmarkt. Het vraagstuk van de gemengde stad vertoont op een aantal punten raakvlakken met ons publiekonderzoek uit 2017: Evenwichtig Woningaanbod.  In voornoemd onderzoek hebben we 65 instrumenten beschreven die door de gemeente kunnen worden ingezet om de woningmarkt meer in balans te brengen.

Aanpak en werkzaamheden

Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen die elk zijn uitgevoerd om een of meerdere onderzoeksvragen te beantwoorden. De onderdelen zijn:

  • Een beschrijving en analyse van het gemeentelijk gemengdheidsbeleid;
  • Een beschrijving en analyse van (de ontwikkelingen rond) gemengdheid;
  • Een beschrijving van de beleving van gemengdheid onder Amsterdammers.

Aangezien er geen integraal beleid is opgesteld waarin de beleidsdoelen en beoogde effecten van menging in Amsterdam zijn beschreven, hebben we het beleid gereconstrueerd aan de hand van gemeentelijke documenten en interviews met betrokken ambtenaren. We onderzochten wat voor een stad Amsterdam wil zijn in het kader van gemengdheid en welke overwegingen hieraan ten grondslag liggen. Daarnaast brachten we in kaart op welke wijze de gemeente overzicht houdt over de gemengde stad, welke streefwaarden het hanteert bij de doelen en op welke wijze de streefwaarden worden gemonitord.

Op basis van verschillende analyses van verschillende databestanden (CBS-microdata) hebben we de mate van menging in de afgelopen jaren inzichtelijk gemaakt. Daarbij hebben we niet alleen gekeken naar de mate van menging op de door ons geselecteerde eigenschappen in een gebied (onderverdeeld naar groepen), maar ook naar de mate van spreiding van de menging (de afstand tussen en concentraties van groepen).

Om de ervaringen en wensen van Amsterdammers over gemengdheid in hun stad in beeld te brengen hebben we een enquête onder ons burgerpanel uitgezet en hebben we (focusgroep)gesprekken gevoerd met bewoners van vier specifieke gebieden. We hebben ons burgerpanel van circa duizend Amsterdammers gevraagd naar hun ervaringen, tevredenheid en wensen met betrekking tot gemengdheid in hun leefomgeving. Daarmee hebben we in kaart kunnen brengen in hoeverre en op welke kenmerken en welk schaalniveau 'de Amsterdammers' menging belangrijk vinden, of zij veranderingen in hun buurt of wijk hebben ervaren en hoe ze deze veranderingen beoordelen. Daarnaast hebben we in de enquête gevraagd naar het belang dat panelleden hechten aan Amsterdams beleid rondom menging en wat daarbij de ambitie zou moeten zijn. Om onze bevindingen uit de beleids- en data-analyse nog beter te kunnen duiden, hebben we in vier specifieke wijken/buurten gekeken naar de bredere context waarin mensen leven en hoe die context invloed kan hebben op de tevredenheid met de gemengdheid in die buurt. In de geselecteerde wijken hebben we door middel van (focusgroep)gesprekken in kaart gebracht hoe de bewoners gemengdheid in hun wijk/buurt beleven. De vier buurten zijn: Bijlmermuseum-Zuid, Wildeman, Diamantbuurt en IJplein/Vogelbuurt-Zuid. Bij het selecteren van de casusbuurten hebben wij rekening gehouden met de ruimtelijke spreiding over de stad. De geselecteerde buurten liggen in verschillende stadsdelen en zowel binnen als buiten de ring. Daarnaast hebben we onze selectie van de casusbuurten mede gebaseerd op informatie uit het stedelijke dashboard van OIS. Bijlage 3 bevat een uitgebreide toelichting op de selectie.

Gedetailleerde onderzoeksbevindingen

Amsterdams gemengdheidsbeleid

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we het gemeentelijk gemengdheidsbeleid en beoordelen we de helderheid en navolgbaarheid hiervan. In paragraaf 5.2 staan we stil bij de wijze waarop we dat doen. In de paragrafen 5.3 tot en met 5.6 bespreken we de verschillende beleidslijnen (woonbeleid, stedelijk vernieuwingsbeleid en de afspraken met woningcorporaties en particuliere verhuurders) waarin gemengdheid in Amsterdam geadresseerd wordt. We sluiten het hoofdstuk af met een analyse en conclusie in paragraaf 5.7.

We geven hiermee antwoord op deelvraag 1:

Wat zijn de gemeentelijke ambities met betrekking tot de gemengdheid van de stad?

Aanpak

De gemeente Amsterdam kent geen integrale nota 'gemengdheidsbeleid'. Dat betekent dat de beoogde effecten, beleidsdoelen en in te zetten middelen op het gebied van een gemengde stad - vanuit de ruimtelijke (fysieke) invalshoek - niet in één centraal beleidsdocument te vinden zijn. Wel zijn er verschillende bronnen, zoals visiestukken, woningbouwplannen en -adviezen, en ontwikkelprogramma’s waaruit de gemeentelijke doelstellingen kunnen worden afgeleid, bijvoorbeeld omdat ze over de bevolkingssamenstelling of differentiatie gaan. Om antwoord te geven op de vraag welke ambities de gemeente Amsterdam heeft op het gebied van gemengdheid, hebben we het beleid moeten reconstrueren op basis van verschillende beleidsdocumenten uit verschillende delen van de gemeentelijke organisatie en uit verschillende periodes. Dat betekent dat wij een samenhang hebben moeten aanbrengen binnen een beleidsveld dat geen vanzelfsprekende samenhang kent en maakt onze reconstructie natuurlijk voor discussie vatbaar. Een andere ordening is goed denkbaar.

De reconstructie laat zien dat er twee belangrijke beleidslijnen te onderkennen zijn, die ieder op eigen wijze het vraagstuk van gemengdheid op ruimtelijk (fysiek) vlak in de stad aan de orde stellen.

Woonbeleid: visie op en bouwen aan een ideale stad
In het woonbeleid verwoordt de gemeente een wenselijke situatie: wat voor een (woon)stad wil Amsterdam zijn? Daar horen beleidsdoelen en instrumenten bij: wat is ervoor nodig om de ideale stad vorm te geven? Het woonbeleid behandelt de uitdagingen en kansen ten aanzien van het wonen in de hoofdstad, nu en in de toekomst. De gemeente Amsterdam doet dat in visiedocumenten en woningbouwplannen als uitwerking van coalitieakkoorden.

Stedelijk vernieuwingsbeleid: ingrijpen in en opwaarderen van 'achterstandswijken'
De tweede beleidslijn, stedelijke vernieuwing (SV), is gericht op leefbaarheidsproblematiek in specifieke delen van de stad. Het onderscheidt zich van het algemenere woonbeleid omdat het zich richt op 'achterstand', en daarbij specifieke wijken aanwijst. Stedelijke vernieuwing gaat om het opwaarderen van kwetsbare wijken, en houdt zich niet bezig met 'welgestelde of succesvolle' wijken. Binnen deze beleidslijn zijn met name als gevolg van de crisis veel veranderingen doorgevoerd, waarbij de gemeente telkens nieuwe bestuursopdrachten en actieplannen heeft opgesteld.

Aanpak beleidsreconstructie en beoordelingskader
We gaan na welke beleidsredenering de gemeente Amsterdam hanteert als onderbouwing voor het nastreven van gemengdheid, en hoe de gemeente wil sturen op de samenstelling van de stad. Bij de beschrijving van het gemengdheidsbeleid volgen we de hierboven benoemde indeling (woonbeleid en stedelijk vernieuwingsbeleid) en besteden daarbij aandacht aan de volgende onderdelen, telkens gericht op aspecten van gemengdheid:

  1. De ambities van het college: wat is het beoogd effect en in welke doelen is dat uitgewerkt?
  2. De probleemanalyse: wat zijn de knelpunten en bedreigingen, welke problemen moeten worden opgelost?
  3. De wijze waarop de gemeente de doelen wil behalen: welke redenering hanteert het college over de oplossingen die nodig zijn om doelen te behalen?
  4. Het schaalniveau waarop de doelen worden geformuleerd: zijn de doelstellingen gekoppeld aan specifieke ruimtelijke eenheden in de stad?

Woonbeleid

Voor onze beleidsreconstructie maken we gebruik van verschillende documenten die in abstractieniveau van elkaar verschillen. Zo zijn er documenten waarin de vaststelling van en toelichting op visies en ambities die de gemeente nastreeft het hoofdonderwerp zijn. Voorbeelden hiervan zijn de woonvisie Wonen in de Metropool (2008), Koers 2025: Ruimte voor de stad (2016) en de Woonagenda 2025 (2017). Maar ook de coalitieakkoorden Amsterdam is van iedereen (2014) en Een nieuwe lente en een nieuw geluid (2018) zijn richtingbepalende documenten. Hoewel deze minder uitgebreid ingaan op het vraagstuk van de gemengde stad wordt wel de zogeheten stip aan de horizon beschreven: een ideaalsituatie waar de stad naartoe moet werken. Daarnaast zijn er documenten die weliswaar tot doel hebben om op een lager abstractieniveau acties te beschrijven maar in de toelichting op hun kaders en doelstellingen ook een indruk geven van hoe Amsterdam gemengdheid wil invullen. Voorbeelden hiervan zijn het Actieplan Woningbouw (2014) en het Woningbouwplan (2018). De verschillende documenten worden in de paragrafen hierna niet per categorie (abstractieniveau), maar in chronologische volgorde beschreven.

Woonvisie: Wonen in de Metropool (2008)

In oktober 2008 stelt de gemeenteraad de woonvisie Wonen in de Metropool vast. In het 146 pagina’s tellende document wordt de visie voor de komende twaalf jaar (tot 2020) uiteengezet die het college op woongebied heeft. Er worden een woningmarktanalyse, ambities, knelpunten en een werkwijze beschreven waaruit blijkt hoe het college de ambities wil gaan realiseren.

In de woonvisie wordt benadrukt dat de voortzetting van het succes van Amsterdam in grote mate afhankelijk is van de mate waarin de gemengdheid van de stad in de komende twaalf jaar gewaarborgd blijft. Er wordt onderkend dat de groei die Amsterdam (en de regio) doormaakt tot ongewenste ontwikkelingen kan leiden en als er niet wordt bijgestuurd er drie serieuze bedreigingen van het gemengd wonen ontstaan. 

Allereerst zorgt de groei voor een hoge druk op de woningmarkt waardoor bepaalde groepen zoals mensen met lage inkomens, grote gezinnen, jongeren, studenten en kwetsbare groepen (mensen met een beperking, dak- en thuislozen, statushouders) nog meer in het gedrang zullen komen. Het is van belang dat Amsterdam niet ongecontroleerd doorgroeit en de toegang tot de Amsterdamse woningmarkt behouden blijft voor deze groepen.

De tweede bedreiging die genoemd wordt, is de verdergaande individualisering van huishoudens (bestaand uit één persoon). Amsterdam telt in 2008 al relatief veel alleenstaanden en de verwachting is dat dit zal toenemen. Alleenstaanden zullen meer en meer de relatief kleine Amsterdamse woningen betrekken terwijl gezinnen noodgedwongen naar de rand van de stad of regio uitwijken waar meer ruimere en betaalbare woningen zijn.

De derde bedreiging voor een gezonde groei van Amsterdam is volgens de visie de sociaaleconomische segregatie en tweedeling van de bevolking die in bepaalde gebieden al aanwezig is en zonder ingrijpen verder zal toenemen. Vooral in de gebieden buiten de ring A10 heeft de bevolking gemiddeld een laag inkomen en zijn er veel mensen met een uitkering. In Nieuw-West en Zuidoost gaat deze sociaaleconomische achterstand samen met concentraties van niet-westerse allochtonen. De middenklasse verruilt de randgebieden in de stad voor een betere buurt of de regio.  In de achterstandsgebieden ontstaan daardoor grotere ongewenste concentraties van sociaaleconomische problemen, die gekoppeld zijn aan segregatie op basis van migratieachtergrond, aldus de woonvisie.

Ambities
In de woonvisie worden in totaal zeven woonambities geformuleerd. Twee ambities zijn direct gericht op de realisatie en behoud van een gemengde bevolkingssamenstelling: de ambitie van een ongedeelde en een betaalbare stad. Twee andere ambities zijn in hoofdzaak gericht op het realiseren van een evenwichtiger woningaanbod maar raken ook het thema gemengdheid. Het gaat om de ambities om een geëmancipeerde en vernieuwde stad te realiseren. Hierna lichten we deze vier ambities kort toe.

Ambitie ongedeelde stad
In de woonvisie wordt een ongedeelde stad nagestreefd met gemengde wijken van arm, rijk, jong en oud.  In een ongedeelde wijk wonen volgens het college idealiter mensen met verschillende leeftijden, inkomens, sociaaleconomische posities, huishoudenstypen en migratieachtergronden.  Mensen van allerlei verschillende achtergronden moeten elkaar tegenkomen in de wijk. Kinderen van verschillende klassen en afkomst moeten samen opgroeien.

Tegelijkertijd moet er ruimte zijn voor verschillen. In de visie wordt gesteld dat niet iedere buurt een ideale afspiegeling van de Amsterdamse samenleving hoeft te zijn: “Amsterdam is geen homogeen geheel, maar een ideale mix van gevarieerde verscheidenheid”.  Het college wil daarom de verscheidenheid in woonmilieus versterken, maar daarbinnen wel ruimte laten voor verschillende doelgroepen.

In cijfers betekent de ambitie van het college dat er een verdeling van woningen naar 55% betaalbare kernvoorraad en laag middensegment, 25% hoger middensegment en 20% duur segment wordt nagestreefd om de totale woningvoorraad beter te laten aansluiten bij de inkomensverdeling en woonbehoefte van Amsterdammers. 

Het college wil ook voorkomen dat het centrum van de stad door de ontwikkelingen op de woningmarkt een exclusief woongebied wordt voor de rijken en dat de periferie alleen aanbod heeft voor mensen die het financieel niet zo breed hebben.

Alle bevolkingsgroepen moeten in alle wijken kunnen wonen. Jong en oud, arm en rijk. Het centrum is niet exclusief voor de rijken en de periferie moet niet alleen aanbod hebben voor mensen die het financieel niet zo breed hebben. 

Bij de uitwerking van de ambities per gebied blijkt welk beeld het college heeft bij de mate van gemengdheid. Het gebied '19-eeuwse ring en de gordel '20-'40' ziet het college als delen van de stad waar het ideaal van de ongedeelde stad het dichtst wordt benaderd, vanwege de inkomensmix, de diversiteit aan huishoudens en migratieachtergrond.  Hier is de opgave de marktontwikkeling niet verder te laten doorschieten. Ook over IJburg bestaat dit beeld. In dit nieuwe gebied moet de ideale gemengde stadswijk komen en blijven. Deze wordt gekenschetst door 30% sociale huur, een flink deel middensegment en een 'gemengde' toplaag.  Wat die gemengde toplaag inhoudt, wordt in de woonvisie niet toegelicht.

Ambitie betaalbare stad
Ook deze ambitie hangt nauw samen met de mate van gemengdheid van de stad en is al vele jaren de rode draad in het woonbeleid van Amsterdam. Als belangrijke reden hiervoor wordt in de woonvisie aangegeven dat er historisch gezien een groot aantal mensen met lage inkomens in de stad woont. Lage inkomenshuishoudens betalen relatief gezien meer huur dan andere huishoudens, hebben ook vaker moeite om de maandelijkse woonlasten op te brengen en zijn daardoor kwetsbaarder voor spanningen op de woningmarkt, aldus de woonvisie. Een omvangrijke voorraad sociale huurwoningen is hier altijd het antwoord op geweest en zal door het college gecontinueerd worden.

Ambitie geëmancipeerde stad
In deze ambitie wordt de noodzaak van een goede doorstroming erkend. In de woonvisie wordt gesteld dat het voor iedereen mogelijk moet zijn om zich op de Amsterdamse woningmarkt te ontwikkelen. Zowel voor starters als voor de al in Amsterdam wonende mensen die wooncarrière willen maken. Om de vestiging van starters (nieuwkomers en Amsterdamse jongeren die zelfstandig willen wonen) blijvend mogelijk te maken stelt het college zich tot doel om jaarlijks voldoende kleine en betaalbare woningen beschikbaar te laten komen.

Op het gebied van wooncarrière worden in de woonvisie twee groepen onderscheiden. Enerzijds de nieuwkomers die doorgroeien en door een hoger inkomen of een groter huishouden op zoek gaan naar meer woonkwaliteit en/of meer -ruimte. Anderzijds de inwoners met lage inkomens die maatschappelijk en sociaal niet veel meer (financieel) zullen groeien, maar ook groter willen wonen als gevolg van het gaan samenwonen en/of het krijgen van kinderen.

Ambitie vernieuwde stad
In de woonvisie wordt benadrukt dat het tegengaan van een potentiële tweedeling in bepaalde wijken van Amsterdam om meer aandacht vraagt dan het uitsluitend doorvoeren van aanpassingen in het woningaanbod en -samenstelling. Er zijn vijf specifieke wijken, onderverdeeld in zeventien buurten, die achterblijven bij de positieve ontwikkelingen die andere wijken van Amsterdam doormaken. Bij deze probleemwijken loopt de concurrentiekracht al lange tijd achter. Of het nu gaat om leefbaarheid of om sociaaleconomische aspecten, de achterstand ten opzichte van andere wijken in de stad is dan al groot en neemt op sommige aspecten, zoals inkomensontwikkeling, zelfs toe. Deze wijken maken al onderdeel uit van de vernieuwde wijkaanpak als opvolger van het landelijk stedelijk vernieuwingsbeleid (zie ook paragraaf 5.6). De woonvisie neemt de doelstellingen van de wijkaanpak over waardoor ze ook (integraal) onderdeel worden van het woonbeleid.

Prioriteiten en belangrijke randvoorwaarde (samenwerking)
Om de ambities uit de woonvisie waar te maken wil het college met een groot aantal maatregelen aan de slag om een open en gedifferentieerd Amsterdam te realiseren met een heel diverse groep bewoners. Om voldoende rekening te houden met ontwikkelingen die de ambities in de weg zullen staan, wordt er een zekere prioritering in de maatregelen aangebracht. Het gaat daarbij om maatregelen die gericht zijn op:

  • het toegankelijk houden van zeer geliefde woongebieden voor huishoudens met lage en middeninkomens.
  • het aanzienlijk uitbreiden van het woningaanbod in het middensegment door onder meer het realiseren van nieuwbouw, verkoop van huurwoningen en het meer toepassen van sociale koopconstructies.
  • het meer ruimte bieden voor stedelijk georiënteerde gezinnen met kinderen.
  • het bouwen voor specifieke groepen. Het gaat daarbij om groepen die meer dan een 'gewone woning' nodig hebben. Bijvoorbeeld om vormen van collectief en/of begeleid wonen voor mensen met een handicap of voor jongeren, zorgwoningen voor ouderen en andere zorgbehoevenden, specifieke woonvormen voor dak- en thuislozen en grote woningen voor grote gezinnen.

Het college onderkent in de woonvisie dat het om een ambitieus plan gaat waarvoor een omslag naar een andere manier van denken over wonen en woonbeleid nodig is. Tevens realiseert het college zich dat de slagingskans van het beleid afhankelijk is van andere partijen. Amsterdam bouwt en beheert zelf geen woningen. Dat betekent dat andere partijen veel inspanningen moeten verrichten om het wonen in Amsterdam te faciliteren en te versterken. Dit zijn onder meer de corporaties, commerciële ontwikkelaars, institutionele en particuliere beleggers, bewoners en regiogemeenten (zie voor een overzicht van de belangrijkste externe partijen waarmee de gemeente dient samen te werken bijlage 2).

Maar het gaat niet alleen om de samenwerking met externe partners: ook binnen de gemeente dient er een goede rolverdeling te zijn. Zo hebben de stadsdelen een belangrijke rol in het realiseren van het in de woonvisie uitgezette (centrale) beleid. Binnen de kaders van de woonvisie en de Beleidsovereenkomst wonen  formuleren zij het woonbeleid op stadsdeelniveau. Dat hoeft niet altijd in eigen woonvisies of bredere beleidsvisies, maar kan ook heel goed in uitvoeringsgerichte buurt- en wijkplannen. De stadsdelen vormen wat dat betreft de voorhoede als het gaat om plannen voor verbetering van de leefbaarheid in de wijken, om voorraadplannen (waaronder verkoop), om bouwplannen, om plannen in het kader van stedelijke vernieuwing en wijkaanpak. De stadsdelen zijn ook degenen die het overleg met en de betrokkenheid van de bewoners en andere partijen over deze concrete plannen vormgeven. Rol- en taakverdeling tussen centrale stad en stadsdelen volgt uit de verordening op de stadsdelen en wordt verder uitgewerkt in het bestuursakkoord met de stadsdelen. Daarmee is niet gezegd dat de centrale stad niet meedenkt en mee richting kan geven aan de discussie op decentraal niveau, maar de stadsdelen gaan in principe over de plannen in hun wijken en buurten.

Gebiedsgerichte aanpak
Het is volgens het college niet mogelijk de woonambities als generiek beleid over de stad te leggen, daarvoor zijn de verschillen tussen de gebieden en doelgroepen te groot. Er wordt daarom een uitwerking van het woonbeleid gegeven, verdeeld over zes gebieden in de stad.  Het gaat om de centraal-stedelijke zone (groen), de 19-eeuwse ring en gordel '20-'40 (bruin), Nieuw-West (blauw), Amsterdam-Noord (geel), Amsterdam Zuidoost (paars), en IJburg en Zeeburgereiland (rood, zie figuur 5.1). Deze zijn deels gebaseerd op de 'marktdrukgebieden' die zijn afgestemd met de woningcorporaties.  Binnen deze zes gebieden wordt vervolgens gestreefd naar verscheidenheid in woonmilieus, om zo aansprekende woonomgevingen te creëren voor verschillende doelgroepen. In de centraal-stedelijke zone en de zone net buiten het centrum kan meer worden ingespeeld op de wens van jonge of kleine huishoudens: kleinere woningen en studentenhuisvesting. In de meer perifere gebieden kan worden ingespeeld op gezinnen die ruimte zoeken.

Figuur 5.1 - Deelgebieden Woonvisie

Tegelijkertijd stelt het college ook ambities op buurtniveau. In de woonvisie wordt aangegeven dat elke buurt toegankelijk moet zijn voor mensen met lagere inkomens. Bij de toelichting van het begrip toegankelijkheid spreekt het college echter van een ambitie op wijkniveau,  die kan worden gerealiseerd via de afspraken met de corporaties over de verdeling van vrijkomende woningen.  In alle zes gebieden moet de aanwezige betaalbare sociale huurwoningenvoorraad worden beschermd. In de afspraken is vastgelegd dat 85% van de vrijkomende woningen in de betaalbare voorraad wordt toegewezen aan mensen met lage (midden)inkomens. 

Het college wil een verschillende aanpak per gebied hanteren:

  • Voor Nieuw-West en Zuidoost is city marketing een instrument om positieve aandacht te genereren en de gewenste gemengdheid te bereiken. 
  • In Nieuw-West, Zuidoost en Noord is het verruimen van de mogelijkheden voor de (allochtone) middenklasse een streven. 
  • In de centraal-stedelijke zone is de wens om de verkoop van sociale huurwoningen te beperken. Tegelijkertijd wordt de doelstelling in elk nieuwbouwproject 30% sociale huurwoningen te realiseren, hier losgelaten.  In de 19e-eeuwse ring en gordel '20-'40 mogen corporaties sociale huurwoningen wel verkopen, onder de geldende afspraken.  In IJburg mogen sociale huurwoningen niet worden verkocht, en het percentage van 30% betaalbare voorraad bij nieuwbouw blijft de norm. 
  • In Noord wordt het 30%-streefpercentage sociale huurwoningen bij nieuwbouw naar stadsdeelniveau getrokken. 

Ten slotte worden de verschillende gebieden ook gekoppeld aan de verschillende kansrijke doelgroepen:

  • Centraal-stedelijke zone: midden- en hoge inkomens, ouderen, buitenlandse werknemers.
  • 19e-eeuwse ring en gordel '20-'40: midden- en hoge inkomens, ouderen, gezinnen die meer ruimte nodig hebben, creatieve kenniswerkers, de (allochtone) middenklasse, jongeren en studenten.
  • Nieuw-West: grote gezinnen met lage inkomens, de huidige bewoners, jongeren uit het gebied, herhuisvestingskandidaten, gezinnen met kinderen.
  • Noord: gezinnen met lage en middeninkomens, de huidige bewoners, jongeren uit het gebied, herhuisvestingskandidaten.
  • Zuidoost: gezinnen met lage en middeninkomens, de huidige bewoners, jongeren uit het gebied, ouderen, herhuisvestingskandidaten.
  • IJburg en Zeeburgereiland: gezinnen met lage en middeninkomens, Amsterdammers die ruimer/luxer willen wonen, ouderen, bewoners aangewezen op zorg en begeleiding.
Coalitieakkoord 2014-2018: Amsterdam is van iedereen (2014)

De nieuwe gevormde coalitie in 2014 hecht ook grote waarde aan een gemengde stad. Hoewel de term gemengdheid of ongedeelde stad niet in het coalitieakkoord van juni 2014 voorkomt, kan uit de titel Amsterdam is van iedereen onder meer worden afgeleid dat het nieuw gevormde college zich ook wil inspannen om Amsterdam open en toegankelijk te houden, ook op woongebied. In het hoofdstuk over woningbouw wordt aangegeven dat het college naar een situatie streeft waarin iedere Amsterdammer een betaalbaar huis kan vinden en waar een ieder zich in Amsterdam thuis voelt. Ongeacht inkomen en gezinsgrootte en ongeacht hoe lang iemand al in Amsterdam woont. Het college wil daartoe meer beweging krijgen in de Amsterdamse woningmarkt, waarbij het verder stimuleren van de doorstroming als een belangrijke stap ziet om mensen te helpen bij het vinden van een geschikte woning. Er wordt een verregaande vernieuwing van het woonbeleid aangekondigd en in de toelichtende paragrafen wordt al een zekere richting gegeven: voldoende betaalbare en passende woningen beschikbaar stellen voor mensen met lage inkomens en middeninkomens.  Het college geeft aan dat het voornemens is om de bouwproductie te laten opvoeren naar 5.000 woningen per jaar in 2018, waarbij een deel specifiek voor jongeren en ouderen beschikbaar zullen komen. Het college wil als maatregel - om een zekere spreiding van sociale huurwoningen over de hele stad te handhaven - op buurtniveau vaststellen welke aantallen sociale huurwoningen kunnen worden verkocht, daarbij rekening houdend met de voorraad in die buurt. 

Advies "Divers en Ongedeeld: Waarom Amsterdam zich niet zomaar laat tweedelen"

De Adviesraad Diversiteit en Integratie en Stad-Forum Amsterdam brengen op verzoek van het college in 2014 een advies uit over tweedeling in Amsterdam.   Ze stellen dat Amsterdam in vergelijking met veel andere metropolen relatief weinig last heeft van segregatie en de negatieve bijeffecten. Er zijn verschillen in de stad, soms groot en ongewenst, maar het valt niet hard te maken dat substantiële groepen Amsterdammers of substantiële delen van Amsterdam structureel en onoverbrugbaar afgescheiden zijn van de rest van de stad. Het gebruik van de term tweedeling acht de Adviesraad dan ook niet gerechtvaardigd en het adviseert het college om de termen tweedeling, segregatie, de ring en (on)gedeelde stad zo min mogelijk te gebruiken vanwege de politieke lading. De term segregatie zou alleen voor statistische doeleinden kunnen worden gebruikt. De langetermijnrisico's en problemen van Amsterdam kunnen beter in andere bewoordingen in het beleid worden uitgewerkt. Het advies ten aanzien van wonen is niet geforceerd mengen, maar om te kiezen voor vormen van menging die geen belangentegenstellingen veroorzaken (tussen huurders en eigenaars bijvoorbeeld). Het college zou daarbij een keuze moeten maken voor de huidige bewoners.

Na het uitbrengen van het advies verandert de toon in de woonbeleidsstukken. Er wordt niet meer geschreven over toenemende segregatie of tweedeling, tot het coalitieakkoord in 2018 waarin segregatie wel weer wordt genoemd.

Actieplan Woningbouw 2014-2018 (2014)

Eind 2014 stemt de gemeenteraad in met het Actieplan Woningbouw 2014-2018. In het actieplan geeft het college uitvoering aan de ambitie uit het coalitieakkoord om de woningbouwproductie op te voeren en beschrijft hierin verschillende acties die het college zal nemen. In het actieplan geeft het college aan dat het inwonertal van Amsterdam blijft groeien en dat betaalbare woningen steeds schaarser worden omdat de uitstroom afneemt en de aanwas blijft. Als het college niet ingrijpt zal het voor bepaalde groepen mensen (met een laag of middeninkomen) zeer lastig worden om een betaalbare woning in Amsterdam te vinden en zullen er ook mensen zijn die uit financiële overwegingen worden gedwongen om uit Amsterdam te vertrekken. Hoewel in het actieplan wordt aangegeven dat het van belang is dat de stad voor iedereen aantrekkelijk dient te blijven en er in de uitwerking van de bouwstrategieën specifieke aandacht is voor bepaalde doelgroepen, is het actieplan niet direct gericht op aspecten van gemengdheid van de bevolkingssamenstelling. Het richt zich met name op de toenemende druk op de woningmarkt die in de daaraan voorgaande jaren van economische crisis (met achterblijvende woningproductie en groei van het aantal inwoners) alleen maar is toegenomen. Het college wil de druk verlichten door zoveel mogelijk woningen bij te bouwen. De verwachting is dat de nieuwbouw de druk zal verlagen op de langer wordende wachtlijsten en stijgende prijzen. In 2015, 2016 en 2017 moeten er meer dan 17.000 nieuwe woningen komen, vanaf 2018 is dat jaarlijks minimaal 5.000.  In het actieplan is dat uitgesplitst naar vastgoedsegmenten, maar niet naar gebieden of prijsklassen.

In het actieplan wordt onder impuls zes 'gerichte investeringen voor speciale groepen' uiteengezet op welke wijze en op welk moment bij gebiedsontwikkeling de programmering naar doelgroepen plaatsvindt. De gemeente programmeert bij gebiedsontwikkeling op verschillende tijdstippen en op verschillende schaalniveaus. In de eerste fasen van gebiedsontwikkeling gaat het vooral om stedenbouwkundige planvorming. Deze speelt in op de geraamde behoefte van huishoudens aan typen van woonmilieus. Welke type woonmilieus er allemaal zijn, wordt in het actieplan niet toegelicht. Bij het nemen van het investeringsbesluit over een plan wordt vervolgens uitgegaan van een bepaalde verhouding van woningen naar marktsegment (sociaal, middelduur, duur). De programmering naar doelgroepen vindt feitelijk plaats op het moment dat voor bouwkavels investeerders worden gezocht en geselecteerd. Op dat moment legt de gemeente programmatische randvoorwaarden vast waarin de kaders voor doelgroepen worden opgenomen. Hiermee is onduidelijk welke specifieke randvoorwaarden mee worden gegeven bij het aangaan van onderhandelingen. Hoewel het college enkele doelgroepen in het Actieplan onderkent, wordt in het plan niet aangegeven welke mate van menging binnen en tussen de doelgroepen het wenselijk acht.

Gebiedsgerichte aanpak en veranderingen bestuurlijk stelsel
Hoewel in het Actieplan Woningbouw 2014-2018 op meerdere plekken wordt benadrukt dat bij het realiseren van de nieuwbouw gebiedsgericht zal worden gewerkt, worden de productiedoelstellingen stadsbreed geformuleerd en niet naar stadsdeel, gebied, wijk of buurt verbijzonderd. Ook wordt er in het actieplan geen aandacht besteed aan de wijkaanpak of focusaanpak (als onderdeel van het stedelijke vernieuwingsbeleid).

In het actieplan wordt aangegeven dat, mede door de veranderingen in het bestuurlijk stelsel, de grootstedelijke projecten sinds april 2013 niet meer decentraal, maar centraal aangestuurd worden vanuit het gemeentelijke ontwikkelbedrijf. De projectorganisaties die daarvoor per deelgebied bestonden zijn sindsdien opgeheven en samengevoegd in één team gebiedsontwikkeling. Selecties en onderhandelingen met marktpartijen vinden vanaf dat moment ook centraal gecoördineerd plaats en de nadere invulling van de nieuwe gemeentelijke rolverdeling (bestuurlijk en ambtelijk opdrachtgeverschap) is dan nog onderwerp van gesprek.

Jaarlijkse rapportage over de voortgang
Bij de vaststelling van het actieplan door de gemeenteraad in december 2014 wordt besloten om jaarlijks te rapporteren over de voortgang van de ingezette acties uit het Actieplan Woningbouw 2014-2018. In de voortgangsrapportage over 2016 worden gemengde wijken als uitgangspunt van het beleid benoemd: "bij woningbouwprogrammering wordt gekozen voor gebiedsgericht maatwerk. Per plan en grondexploitatie wordt beargumenteerd welk programma raadzaam is in termen van segmenten, doelgroepen en ontwikkelvormen (regulier, zelfbouw) en uitgaande van gemengde wijken". 

Koers 2025: Ruimte voor de stad (2016)

In juli 2016 stemt de gemeenteraad in met de ruimtelijke ontwikkelstrategie van Amsterdam voor de periode 2016-2025, getiteld Koers 2025. Daar waar het Actieplan Woningbouw 2014-2018 gericht was op acties binnen de coalitieperiode om de bestuurlijke ambities van 5.000 woningen vanaf 2018 te realiseren, wordt in Koers 2025 een aantal voorstellen voor projecten en studies gedaan om ook na 2018 de ambities te realiseren.

Het college heeft in Koers 2025 geen concrete doelstellingen geformuleerd rondom de gemengdheid van de Amsterdamse bevolking. Koers 2025 is gericht op het toevoegen van nieuwe ontwikkellocaties, pas in latere fases van de planvorming wordt hieraan programmatische invulling gegeven waarbij onder meer de woningsegmentering wordt aangegeven.  De ontwikkelstrategie Koers 2025 operationaliseert acht jaar na de woonvisie de ambitie voor de bouw van 50.000 woningen tot 2025. De uitdaging die hierbij op het netvlies staat, is wederom die van een populaire en groeiende stad die een te grote druk legt op de woningmarkt. De bestaande voorraad in 2016 aan woningbouwplannen is onvoldoende om aan de toenemende vraag te voldoen en noopt tot meer gemeentelijke inspanningen. Er zullen dus nog meer woningen (dan eerder gepland) moeten worden gebouwd om aan de geprognotiseerde vraag te voldoen. Maar het accommoderen van een (kwantitatieve) groei van woningen is niet de enige uitdaging die gesignaleerd wordt. Om zowel de woninguitbreiding als andere stedelijke ontwikkelingen zoals meer bedrijvigheid en meer uitgaansgebieden het hoofd te bieden, dient er ook meer 'gemengd' te worden. Maar met menging wordt hier niet bedoeld het realiseren of het behouden van een gewenste menging van de bevolkingssamenstelling. Gemengdheid wordt in Koers 2025 gezien vanuit het perspectief van stedelijke functies, sociaaleconomische en maatschappelijke voorzieningen en een mix van woonvormen en
-segmenten: gemengde stedelijke milieus.  Daarnaast valt op dat in de aanpak de samenhang met bestaande bouw onderbelicht blijft en er geen relatie wordt gelegd met het stedelijke vernieuwingsbeleid voor de specifieke gebieden die achterblijven bij de ontwikkeling van de stad.

Raadsbehandeling
Tijdens de raadsbehandeling van Koers 2025 worden in totaal dertien moties aangenomen. Twee moties benadrukken het belang dat de raad hecht aan een gemengde stad.  Het verzoek is om een 'woningbalans' op te stellen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel woningen in welke woningmarktsegmenten in de bestaande en planvoorraad zitten en om de woningbouw in 'elk van de categorieën' zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de vraag van woningzoekenden. De moties noemen de volgende categorieën: starterswoningen, sociale huurwoningen, vrije-sectorhuurwoningen en koopwoningen.

Jaarlijkse rapportage over de voortgang en vernieuwd werkprogramma
Om goed te kunnen sturen op de doelen neemt het college zich voor om jaarlijks voortgangsrapportages op te stellen. De inzichten uit deze voortgangsrapportage worden vervolgens als input gebruikt voor het werkprogramma van het jaar dat erop volgt. De voortgangsrapportage zal gelijktijdig met het vernieuwde werkprogramma aan het college en de raad worden aangeboden.

Themastudie Gemengde stad: werk per locatie aan een passend programma

Om het in Koers 2025 uiteengezette beleid zo goed mogelijk te operationaliseren wordt er een omvangrijk aantal (ruim dertig) themastudies uitgevoerd. Het doel van de studies is om een beter inzicht te krijgen in het woningvraagstuk. In april 2017 brengt Wonen de themastudie Gemengde stad uit. Het gaat in deze studie om het beantwoorden van vragen als 'voor wie', 'wat voor' en 'waar' de vele nieuw te bouwen woningen beschikbaar moeten komen. Dit perspectief kan voorafgaand aan de verkenningsfase in het Plaberum worden meegenomen, rekening houdend met stedelijke bouwprogramma's en de lokale marktsituatie.  De themastudie benadrukt dat toegankelijkheid van de stad pas geslaagd is als dat op lagere schaalniveaus dan de stad als geheel lukt; er zal per gebied en per locatie moeten worden gekeken naar een passend bouwprogramma, waarin gedacht wordt aan de invloed van sociaaleconomische en demografische veranderingen en verschuivingen in het woningmarktbeleid op de verhoudingen tussen vraag en aanbod op de woningmarkt.   Dit betekent dat de doelstellingen zowel gebieds- of buurtgericht alsook kwalitatief moeten worden uitgewerkt. De studie doet een voorzet voor de wijze waarop dit in de uitvoering kan worden bereikt: een afwegingskader met daarin een voorstel voor nog te ontwikkelen instrumenten en een informatiepakket op basis waarvan een goed woningbouwadvies kan worden uitgebracht in de derde fase van het Plaberum. 

We konden geen documenten vinden waarin staat hoe de studie Gemengde stad in de beleidsdocumenten een plek heeft gekregen en in het bijzonder op welke het advies over het werkproces Plaberum is opgevolgd.

Woonagenda 2025: Voldoende, betaalbare en goede woningen (2017)

Per 1 juli 2015 wordt de nieuwe Woningwet van kracht die nieuwe spelregels voor gemeenten, huurders en corporaties met zich meebrengt. Een van deze spelregels is dat bij het maken van prestatieafspraken met corporaties, gemeentes moeten beschikken over een actueel en vastgesteld volkshuisvestingsbeleid (meestal een woonvisie), dat inzicht geeft in de woonwensen van de gemeente. In het geval van Amsterdam diende de gemeentelijke inzet nieuwe afspraken uit maart 2015 als basis voor de samenwerkingsafspraken tussen de Huurdersvereniging Amsterdam (HA), de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) en de gemeente Amsterdam voor de periode juli 2015 – december 2019. Met deze gemeentelijke inzet werd invulling gegeven aan de verplichting uit de Woningwet om te komen met een gemeentelijke woonvisie. Aan de gemeenteraad werd toegezegd aanvullend te komen met een zelfstandig woonvisiedocument. Om verwarring met de in de Woningwet verplichte ‘woonvisie’ (die al in 2015 was gegeven) te voorkomen, wordt in 2017 gekozen voor de naam ‘woonagenda’. Om een andere mogelijke verwarring te voorkomen wordt tijdens het vaststellen van deze woonagenda ook de woonvisie uit 2008 formeel ingetrokken.

Hernieuwde bestuurlijke aandacht voor gemengdheid
Uit een prognose van de woningbehoefte en woningvoorraad blijkt uit de Woonagenda 2025 dat er zonder ingrijpen in sommige woonsegmenten grote tekorten in 2025 zullen ontstaan. Het grootste tekort doet zich voor in de gereguleerde huurvoorraad: een verwachte voorraad van 39%, terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen. De voorraad middeldure huur groeit weliswaar volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%), maar nog steeds niet aan de vraag voldoet. Ook in het dure deel van de koopsector wordt een tekort voorzien. Anders dan de huishoudens die op basis van hun inkomen aangewezen zijn op goedkope huur en middeldure huur, kunnen huishoudens met meer inkomen uitwijken naar het middensegment of naar goedkope koop. In deze categorieën zullen zich door deze ontwikkelingen nog meer ongewenste effecten optreden, als geen actie wordt ondernomen. Als alleen de markt de prijzen bepaalt, kunnen mensen met een laag inkomen alleen een kleine woning aan de rand van de stad kopen of huren. Hiermee komt de gemengdheid van Amsterdam in het gedrang. 

Amsterdam wil een gemengde stad zijn: het centrum is niet exclusief voor de rijken en in de gebieden buiten de ring moet niet alleen aanbod zijn voor mensen die het financieel niet zo breed hebben. 

Voor de analyse van de woningbehoefte wordt gebruikgemaakt van twaalf woningmarktgroepen, op basis van leeftijd, huishoudsamenstelling, inkomen en (voor de jongste leeftijdsgroep) opleidingsniveau. De gemengdheid van de stad wordt hier aangevlogen vanuit de beschikbaarheid van woningen. Er dient een variëteit aan gebieden te ontstaan, die elk een aantrekkelijke mix vormen van betaalbare, middeldure en dure huur- en koopwoningen. Eerder (in 2015) was in het kader van de gemengde stad met woningcorporaties afgesproken om gebiedsgericht te gaan werken en is de stad hiervoor opgedeeld in 22 gebieden (hierna aangeduid als de 22-gebieden). Op het niveau van de 22-gebieden is toen met corporaties en huurders de afspraak gemaakt dat ten minste 35% aan sociale huurwoningen van woningcorporaties dient te zijn in elk gebied (in paragraaf 5.4 gaan we uitgebreid in op de samenwerkingsafspraken die Amsterdam heeft gemaakt met corporaties en huurders). Het college handhaaft deze doelstelling en voegt daar twee nieuwe doelen aan toe als het gaat over de gemengdheid:

  • Een verdeling van 40-40-20 bij nieuwbouw (40% gereguleerde huur, 40% middeldure huur en koop, 20% dure huur en koop);
  • Met de corporaties en de huurders in de komende jaren een nieuwe afspraak maken over de verkoop en liberalisatie van gereguleerde huurwoningen in de gebieden waar het aandeel gereguleerde huurwoningen lager of gelijk is aan 35%. 

Net als in de woonvisie uit 2008 wordt ook in de woonagenda specifiek aandacht besteed aan de ontwikkelbuurten uit de wijkaanpak. Met deze aanpak ziet het college ook mogelijkheden om zowel duurzaamheids- als gemengdheidsambities uit het woonbeleid te realiseren. Specifiek voor gemengdheid wordt aangegeven dat onder andere verdichting in de ontwikkelbuurten de mogelijkheid biedt om meer woningen toe te voegen en daarmee de kans geeft om de woningvoorraad meer gemengd te laten worden. In de woonagenda stelt het college zich tot doel om de verschillende aanpakken (uit het woonbeleid en wijkaanpak) op elkaar aan te laten sluiten.

Gerichte acties
Het college neemt zich voor om opvolging te geven aan de afspraken die al eerder (in 2015) samen met de corporaties en huurdersvereniging waren gemaakt: ten minste 35% gereguleerde sociale huur van corporaties in elk gebied. In de acht gebieden waar het aandeel sociale huur van corporaties in de bestaande voorraad lager is dan 35%, is het de bedoeling dat er voorstellen worden gedaan om de menging te waarborgen.  De gebieden worden in de woonagenda niet genoemd, maar uit het WiA uit 2017 blijkt dat het gaat om: Centrum-Oost (31% sociale huur), Centrum-West (28%), IJburg (30%), Oud West/de Baarsjes (30%), De Aker, Sloten en Nieuw Sloten (20%), Buitenveldert/Zuidas (21%), De Pijp/Rivierenbuurt (32%), Oud Zuid (17%). 

Een andere belangrijk actie is de formulering van het stedelijk uitgangspunt voor nieuwbouw. Vanaf dat moment dient nieuwbouw in de vaste verhouding 40% gereguleerde huur, 40% middeldure huur (en koop) en 20% dure huur (en koop), ook wel de 40-40-20-regel plaats te vinden. Het college verwacht met deze maatregel het voorziene tekort aan sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen in 2025 te kunnen aanpakken. De woningdifferentiatie volgens de 40-40-20-regel gaat per direct voor nieuwe plannen gelden.  Per plangebied kijkt de gemeente naar de gemengdheid en wordt er bepaald welk programma wordt gerealiseerd.  Wat precies met plangebied wordt bedoeld en welk schaalniveau daarbij hoort, wordt niet verduidelijkt. Deze vaagheid zorgt ervoor dat het op verschillende manieren kan worden ingevuld. Het kan gaan om een afzonderlijk stadsdeel, gebied, wijk, buurt, bouwblok of een combinatie hiervan. Onduidelijk is ook hoe het college tot de verdeling 40-40-20 is gekomen.

Het college neemt zich ook voor om nieuwe spelregels op te stellen voor de uitvoering van de woningbouwprogrammering  en particuliere transformaties . En er wordt besloten om na 2019 een nieuwe afspraak te maken over de verkoop en liberalisatie van gereguleerde huurwoningen van woningcorporaties in de gebieden waar het aandeel gereguleerde huurwoningen lager dan of gelijk is aan 35%. 

Ten slotte wordt in de woonagenda aangegeven dat een programma Strategische Buurtontwikkeling opgestart en vormgegeven zal worden. Het programma zal voor de fysieke koppeling van de nieuwbouwgebieden uit de ruimtelijke ontwikkelstrategie Koers 2025 met de omliggende ontwikkelbuurten zorgen. Anders dan dat de participatie op de nieuwbouwplannen via gebiedsmanagement dient te worden georganiseerd, wordt niet toegelicht op welke wijze het programma zal worden vormgegeven en welke rolverdeling hierbij hoort (zie voor meer over de bestuursopdracht Strategische Buurtonwikkeling paragraaf 5.6.3).

De acties en maatregelen hebben met elkaar gemeen dat ze primair tot doel hebben om een gemengde woningvoorraad te behouden en niet zozeer een ideale gemengdheidsverhouding te realiseren. De relatie tussen de maatregelen en de behoefte van de twaalf woningmarktgroepen onder de Amsterdammers komt niet aan bod. 

Ruimtelijke ontwikkeling (Plaberum) en gemengdheid

In Amsterdam wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen gebruikgemaakt van het plan- en besluitvormingsproces Plaberum. Het Plaberum staat voor PLAn- en BEsluitvormingsproces RUimtelijke Maatregelen. Hierin is het proces vastgelegd dat ruimtelijke projecten, waaronder woningbouwprojecten, moeten doorlopen. Het gaat hierbij om plannen waarbij er grond met of zonder bebouwing (her)ontwikkeld en vervolgens beheerd wordt. Het gaat dus om (integrale) gebiedsontwikkeling, zelfbouwprojecten en gebiedstransformatie. Er kan tevens sprake zijn van gebouwtransformatie, als daarbij investeringen door de gemeente moeten worden gedaan (met name in de openbare ruimte) of indien het gebouw in eigendom van de gemeente is.

Het Plaberum deelt het plan- en besluitvormingsproces voor ruimtelijke ontwikkelingen op in vier fasen:

  1. Verkenning. In deze fase worden de wenselijkheden, mogelijkheden en richting van ruimtelijke ontwikkeling in een gebied in kaart gebracht. Indien het wenselijk en mogelijk is het gebied te ontwikkelen, worden de verdere processtappen, de rolverdeling en het participatieproces beschreven. De bestuurlijke opdrachtgever in deze fase kan een wethouder, het college van B en W of een DB-lid of het DB van een bestuurscommissie zijn. De ambtelijke opdrachtgever is de (voormalige) RVE Ruimte en Duurzaamheid of een bestuurscommissie. Deze keuze hangt met name af van de complexiteit van het plan(proces) en de financiële omvang van het project.
  2. Haalbaarheid. In deze fase wordt gedetailleerd gekeken naar de haalbaarheid en risico’s van de meer complexe plannen. Wie bestuurlijk en ambtelijk opdrachtgevers zijn, is vastgelegd in het principebesluit. De ambtelijk opdrachtgever is een bestuurscommissie of de (voormalige) RVE Grond en Ontwikkeling.
  3. Ontwerp. In deze fase wordt de gebiedsontwikkeling concreet door het maken van een ontwerp, het programma en financiële doorrekeningen. De fase eindigt met een go/no-go-besluit, waarin de middelen voor de uitvoering van het plan worden geregeld. Het opdrachtgeverschap is bepaald bij het principebesluit en wordt, tenzij anders besloten, ook gevolgd in de ontwerpfase.
  4. Uitvoering. In deze fase wordt het project uitgevoerd. Overeenkomsten worden gesloten, gebouwen worden gerealiseerd en de openbare ruimte wordt aangepakt. Het opdrachtgeverschap is bepaald bij het principebesluit en wordt, tenzij anders besloten, ook gevolgd in de uitvoeringsfase.

Bij het doorlopen van de verschillende fasen van het Plaberum speelt de staf Stedelijke ontwikkeling een belangrijke rol. Dit orgaan bestaat uit de drie wethouders van Wonen & Bouwen, Ruimtelijke Ontwikkeling & Grondzaken en Financiën en wordt voorgezeten door de stedelijk directeur van het cluster Ruimte en Economie. De staf bespreekt inhoudelijke discussiepunten van projecten om het college belangrijke besluiten sneller te kunnen laten nemen.

Gemengdheid komt daarbij niet als zelfstandig onderwerp aan de orde maar wel vaak in afgeleide vorm van de doelstellingen uit de woonagenda. Het is overigens niet het enige gemeentelijke kader waaraan aandacht moet worden besteed. Er dient bijvoorbeeld ook zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen, tijdsdruk als gevolg van de bouwopgave en de beschikbare financiële ruimte. Soms gaan belangen gelijk op, maar vaak staan ze ook op gespannen voet met elkaar en dient er een politieke afweging te worden gemaakt. Daarnaast is elk project uniek als het gaat om de invloed die de gemeente kan uitoefenen op de betrokken partijen. Zo bestaat er een verschil tussen projecten waarin de gemeente zelf grondeigenaar is en projecten waar het afhankelijk is van private ontwikkelaars die al een grondpositie hebben. Het sturen op gemengdheid loopt dan een risico omdat de gemeente een minder sterke positie heeft om te sturen. In het gereguleerde segment (woningbouwcorporaties) kan als gevolg van wettelijke kaders en samenwerkingsafspraken beter gestuurd worden. Als er als gevolg van een bijzondere situatie in een project afgeweken wordt van belangrijke beleidsregels, bijvoorbeeld het niet naleven van de 40-40-20-regel, dient het voorgenomen besluit tot afwijking aan de gemeenteraad te worden voorgelegd.

Gebiedsgerichte aanpak en monitoring
Voor de mate van gemengdheid wordt er gekeken naar de 22-gebieden van het gebiedsgericht werken (zie figuur 5.2).

Figuur 5.2 - Gebiedsindeling (22-gebieden)

Er zal voor elk van de 22-gebieden aan een woningvoorraadmonitor tot 2025 worden gewerkt. Per gebied zal inzichtelijk worden gemaakt hoe de samenstelling van de woningvoorraad de komende jaren zal wijzigen. Op basis van deze monitor zullen per gebied maatregelen worden genomen om te zorgen voor een woningvoorraad die past bij een gemengde stad. 

Coalitieakkoord: Een nieuwe lente en een nieuw geluid (2018)

Relatief kort na de gemeenteraadsverkiezingen (maart) wordt in mei 2018 het coalitieakkoord Een nieuwe lente en een nieuw geluid gepresenteerd. Het college stelt hierin ambitieuze plannen voor die Amsterdam groener en socialer dienen te maken. Er is naast de aandacht voor kansengelijkheid, onderwijs, armoedebestrijding, duurzaamheid en democratisering ook veel aandacht voor de woningmarkt. De term gemengde stad wordt niet gebruikt, maar het centrale thema van het hoofdstuk ‘Bouwen, Wonen, Ruimtelijke ordening’ is nog steeds het tegengaan van de verdrukking op de woningmarkt van mensen met lage en middeninkomens.

Door de overspannen Amsterdamse woningmarkt komen deze groepen nauwelijks meer in aanmerking voor een woning. Teneinde meer grip te krijgen wordt er een verscheidenheid aan maatregelen aangekondigd.

Een groot deel van de maatregelen richt zich net als de voorgaande collegeperioden op het zoveel mogelijk bouwen van woningen in de verschillende woningmarktsegmenten. Maar er worden ook andere maatregelen genoemd. In de komende coalitieperiode zal ten behoeve van de liberalisatiegrens niet alleen maar de corporatiewoningen tot de sociale huurvoorraad worden gerekend, maar worden de particuliere woningen in het sociale segment - die aantoonbaar voor ten minste vijftig jaar worden uitgepond - ook meegenomen in de berekening. Het percentage van deze sociale huur (corporatie en particulier) zal in de 22-gebieden (in het akkoord wordt melding gemaakt van buurten terwijl gebieden worden bedoeld) actief worden gemonitord en als dit percentage beneden de 45% zakt, dan wordt liberalisatie van corporatiewoningen niet toegestaan. Net zolang tot weer sprake is van minimaal 45%.

Daarnaast worden er nieuwe maatregelen aangekondigd die tot doel hebben om de betaalbaarheid van nieuwe woningen zo lang mogelijk te borgen. Zo wil het college met particuliere verhuurders op vrijwillige basis afspraken maken over langdurige middenhuur. Voor maximering van de huur stelt het college dan een gunstiger erfpachtcontract beschikbaar. Voor nieuwbouwwoningen in het betaalbare vrije-sectorhuursegment zullen de middenhuren eeuwigdurend worden. En voor alle andere nieuwbouw zal er een woonplicht worden ingevoerd.

Er worden ook nieuwe maatregelen aangekondigd die een betere wooncarrière van Amsterdammers tot doel hebben. Het college wil de helft van de middeldure en dure nieuwbouw (zowel huur als koop) reserveren voor Amsterdammers die verhuiswensen hebben en een betaalbare woning achterlaten.

Ook wil het college onderzoeken op welke wijze de huur en het soort woning mee kunnen bewegen met de inkomens- en gezinssituatie.

Wat alle maatregelen met elkaar gemeen hebben, is dat ze de verschillen tussen arm en rijk en de verdere vergroting van ongelijkheid in ruimtelijke segregatie willen tegengaan. Mensen moeten elkaar kunnen blijven tegenkomen in de buurt, op school en bij de sportclub. 

Vooral mensen met een laag inkomen en mensen met een middeninkomen komen er op de woningmarkt nauwelijks tussen. Het verdelen van een toenemende schaarste vraagt om regulering; om meer grip van de gemeente op de woningmarkt.  

Woningbouwplan 2018-2025 (2018)

In november 2018 wordt het Woningbouwplan 2018-2025 door het college vastgesteld als uitwerking van het coalitieakkoord. Met het plan wordt invulling gegeven aan de ambities van het college op het gebied van woningbouwproductie en de (blijvende) betaalbaarheid van het wonen in Amsterdam. Net als in de voorgaande beleidsdocumenten wordt onderkend dat Amsterdam een groot tekort aan betaalbare woningen heeft. De wachtlijsten zijn te lang, de huizenprijzen te hoog, woningen die vrijkomen schieten omhoog in huurprijs of koopsom en veel Amsterdammers zien zich genoodzaakt de stad te verlaten omdat ze geen geschikt huis kunnen vinden. Net als de voorgaande collegeperiodes wordt gesteld dat de bouw van tienduizenden nieuwe en duurzame huizen nodig is om te voldoen aan de behoefte aan betaalbare woonruimte. Amsterdam wil een gemengde, inclusieve stad zijn en nieuwbouw moet ruimte bieden aan alle inkomenscategorieën en elk type huishouden om bereikbaar te blijven voor iedereen. 

In het woningbouwplan is aangegeven dat het college gemengdheid wil bereiken door een diverse planvoorraad, dat wil zeggen dat alle mogelijke doelgroepen in de stad een plek moeten kunnen vinden, via een mix aan woningen in woonoppervlakte en aantal kamers. 

In het woningbouwplan is de hoofddoelstelling nog steeds zoveel mogelijk nieuwe woningen te bouwen en de bouwambitie wordt nog verder opgeschroefd: in plaats van 5.000 moeten er 7.500 woningen per jaar worden gebouwd, in totaal 52.500 tot 2025. De kwalitatieve doelstellingen op het gebeid van betaalbaarheid luiden: 17.500 nieuwe sociale huurwoningen (2.500 per jaar) die door woningcorporaties dienen te worden gebouwd en er dienen 11.690 middeldure huurwoningen (1.670 per jaar) te worden gerealiseerd. Daarnaast stelt het college doelen voor de bouw voor specifieke doelgroepen. Het gaat hierbij om jongeren en studenten, ouderen, kwetsbare groepen en zelfbouwers. Voor elk van deze groepen dienen programmateams te worden opgesteld die ook jaarlijks zullen rapporteren over de voortgang. De doelstellingen dienen een plek te krijgen in de gebiedsontwikkeling, ook als het gaat om bestaande bouw.  Op welke wijze wordt echter niet toegelicht.

……wat voor stad we willen zijn: een stad met genoeg betaalbare woningen om een plek te bieden aan alle groepen Amsterdammers: jong en oud, arm en rijk, zelfstandig of kwetsbaar, startend op de woningmarkt of juist op zoek naar een andere, passende woning.  

De kwantitatieve (gemiddelde aantallen) en kwalitatieve (uitgesplitst naar type woning) doelstellingen per jaar gelden voor de stad als geheel. De aantallen en type woningen worden niet naar onderliggende stadsdelen, gebieden, wijken of buurten verbijzonderd.

Stedelijk uitgangspunt blijft 40-40-20
In lijn met de Woonagenda 2025 blijft bij nieuwbouw het stedelijk uitgangspunt de 40-40-20-regel. De regel dient in de programmascenario's uitgewerkt te worden door te variëren in het marktsegment (sociaal, midden en duur), de woninggrootte (tot 40, 40, 60, 80 en 100 m2), en het uitpondscenario (15 jaar, 25 jaar en eeuwigdurend).  Het college denkt met deze regel relatief veel kleine woningen te kunnen toevoegen. Tegelijkertijd verwacht het college het ongewenste effect van monofunctionele, eenzijdige wijken tegen te gaan, zoals die in de jaren 1945-1985 zijn gerealiseerd in Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Deze buurten hadden lange tijd naar behoren gefunctioneerd, maar waren de laatste 25 jaar onderhevig aan vernieuwingsplannen. Deze buurten zullen naar de verwachting van het college worden verbeterd, onder meer door verdichting en meer woningdifferentiatie. 

Hoewel nut en noodzaak van de regel wordt verhelderd, blijft ook nu uitleg over hoe het college tot de indeling van 40-40-20 is gekomen, achterwege. En zijn er ook (net als in de woonagenda) onduidelijkheden over de toepassing van de regel. Daar waar in de woonagenda de regel per plangebied werd voorgeschreven, dient deze nu per project te worden toegepast. Wat onder project wordt verstaan en hoe deze zich verhoudt tot plangebied, is onduidelijk. In het woningbouwplan is er wel aandacht voor mogelijke complicaties bij de uitvoering van de regel. Zo wordt onderkend dat er bij besluitvorming over projecten dilemma's kunnen ontstaan bij de toepassing van de regel. Maar een afwegingskader en toelichting op hoe te handelen bij afwijking van de regel wordt niet gegeven. Er wordt ook niet ingegaan op welke wijze het college de regel zal monitoren en op welke wijze het zal gaan toezien op de handhaving van de regel.

Verplichte advisering over gemengdheid bij woningbouwprojecten

Na de vaststelling van de Woonagenda 2025 is voor de woningbouwprogrammering een standaard aanpak voor alle delen van de stad uitgewerkt. Een belangrijk onderdeel van deze aanpak is de verplichting van projectmanagers om, alvorens fase 1 en 3-Plaberumbesluiten te nemen, aan Wonen een formeel advies te vragen.

In dit advies wordt op basis van een analyse van gebieden, buurten en de kansen voor de woningvraag de woonopgave in kaart gebracht in relatie tot de bestaande situatie. Dit resulteert in een advies waarin volgens Wonen de meest optimale verdeling van het woningbouwprogramma over verschillende woningtypen en de doelgroepen tot uiting komt. In de adviezen geeft Wonen antwoord op de vraag op welke segmenten en doelgroepen de projectorganisatie zich het best kan richten, met het oog op zowel de omliggende gebieden als de stedelijke opgaven.

De leidraad voor de adviezen bestaat uit de volgende zes stappen die het analytisch kader van het advies vormen:

  1. Woningen en bewoners: welke gebieden zijn van belang en welke bewoners en woningen zijn er in de gebieden; wie woont in welke woning?
  2. Ontwikkeling: in deze stap wordt geanalyseerd hoe het gebied zich gaat ontwikkelen de komende jaren.
  3. Buurtissues: hier staat de bestaande situatie op lager schaalniveau. In dit geval gaat het dan vooral om de bestaande woonbebouwing en de woonomgeving.
  4. Kansen stedelijke vraag: in deze stap staat de hele stedelijke woningvraag centraal (dus niet gerelateerd aan afzonderlijke gebieden).
  5. Plan-kenmerken: hierin worden de projecten getypeerd. Gaat het bijvoorbeeld om een transformatieproject, sloop-nieuwbouwproject of om een nieuwbouwproject. Combinaties van kenmerken zijn ook mogelijk.
  6. Sturingsmogelijkheden: in deze stap wordt stilgestaan bij de beïnvloedingsmogelijkheden die de gemeente in het project heeft of van welke partijen de gemeente afhankelijk is.

Uit stap 1-4 volgt de ‘woonopgave’ voor het gebied. In stap 5 en 6 wordt op basis van de kenmerken van het plan en de sturingsmogelijkheden de haalbaarheid geschetst.

Verplichte advisering over gemengdheid bij woningbouwprojecten in de praktijk

Sinds de vaststelling van de woonagenda zijn er tussen mei 2018 en december 2019 door Wonen 21 adviezen over woningbouwprojecten uitgebracht.

In vrijwel alle adviezen wordt de leidraad gevolgd en alle adviezen kennen een standaard opmaak. Bij alle adviezen wordt op de verschillende niveaus (stad als geheel, 22-gebied en buurt) aandacht besteed aan gemengdheid. Op buurtniveau wordt gekeken vanuit het oogpunt van leefbaarheid aan de hand van WiA-data. In alle adviezen wordt daarbij aandacht besteed aan mate van gemengdheid op het gebied van woningmarktsegment (sociaal, midden en duur), inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd en woonoppervlak. In sommige adviezen is daarnaast ook aandacht voor migratieachtergrond, de categorie nieuwe stedeling, 'scheefwoners' en kwetsbare groepen. Bij stap 3 (buurtissues) behoren de adviseurs van Wonen gebruik te maken van kennis die bij gebiedsmakelaars aanwezig is. In slechts 8 van de 21 adviezen wordt hiervan melding gemaakt. Opvallend is ook dat het merendeel van de adviezen (18) niet één maar meerdere varianten (scenario's) kent, waarbij soms door Wonen een voorkeursvariant wordt aangedragen.

Wat onder een project wordt verstaan verschilt enorm. Soms betreft het een kavel waar 70 woningen worden gerealiseerd (koffiefabriek aan de Joan Muyskenweg), soms betreft het een opgave van 2.000 woningen als onderdeel van een groter gebied (Klaprozenweg Noord-Oost) en soms betreft het een project met een geschatte omvang van 9.500 woningen in een groot gebied dat uit meerdere deelgebieden bestaat (Schinkelkwartier). Maar ook de plan-kenmerken en sturingsmogelijkheden kennen een grote verscheidenheid. Soms gaat het uitsluitend om nieuwbouw waar de gemeente door de grondpositie invloed kan uitoefenen. Soms ligt de grondpositie voor het grootste deel bij particuliere grondeigenaren. De gemeente kan dan minder invloed op het project uitvoeren en zal de realisatie van een belangrijk deel van het programma afhankelijk zijn van de medewerking van derden. In andere projecten is de hulp van corporaties cruciaal om bepaalde doelgroepen een plek in het project te geven. Deze diversiteit aan projecten zorgt ervoor dat adviesteams soms met tegenstrijdige beleidskaders geconfronteerd worden. De taak van de teams is dan een zo goed mogelijk ambtelijk advies te verstrekken, zodat een afgewogen bestuurlijk besluit kan worden genomen. Soms is het onvermijdelijk om in het advies aan te geven welk beleidskader prioriteit dient te krijgen. Een voorbeeld is advisering bij projecten die in ontwikkelbuurten worden gerealiseerd. De beleidsregel 40-40-20 is op elk project van toepassing, maar bij ontwikkelbuurten geldt ook als beleidsdoel dat de buurt sociaaleconomisch dient te worden versterkt. Hierbij kan de wens ontstaan om de koopsector op sommige locaties de prioriteit te geven. In dergelijke gevallen bestaat de kans dat er geadviseerd wordt om de 40-40-20-regel niet na te leven. Dergelijke adviezen komen vaak voor. Bij elf van de adviezen wordt afgeweken van de 40-40-20-regel. In één geval (Holendrecht) wordt aangegeven dat de afwijking gesaldeerd mag worden met een ander gebied (Gaasperdam).

We hebben daarnaast tien bouw- en gebiedsontwikkelingsprojecten en de daarbij horende openbare documenten bekeken om na te gaan hoe de advisering een plek heeft gekregen. In de door ons bekeken investeringsnota’s en uitwerkingsplannen vanaf de zomer van 2018 is het advies van Wonen meestal niet opgenomen. Er wordt alleen in de investeringsnota Ringspoorzone Noord aan het advies van Wonen gerefereerd. Sommige stedenbouwkundige plannen en investeringsnota’s schetsen een beeld van de gewenste bewonerssamenstelling in een nieuw te bouwen buurt (of project).

Speciale aandacht voor ontwikkelbuurten
Het college constateert dat ontwikkelbuurten nog nauwelijks vertegenwoordigd zijn in de planvoorraad.  Het neemt zich voor om in deze buurten, afhankelijk van de specifieke situatie, te kijken naar de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering, verdichting en een gedifferentieerd woningbouwprogramma. Voor de ontwikkelbuurten zullen samen met corporaties en bewoners eindbeelden worden geformuleerd. Deze zullen fungeren als basis voor de programma's in de deelgebieden. 

Financiële offers en afhankelijkheid van partners
Het college komt in Woningbouwplan 2018-2025 tot de conclusie dat de excessieve prijsstijgingen in de woningvoorraad niet alleen meer met nieuwbouw kan worden opgelost.  Er zullen extra maatregelen moeten worden genomen die ook nog eens gepaard zullen gaan met omvangrijke gemeentelijke financiële offers. De extra maatregelen die de gemeente stelt (als gevolg van de heersende woonmarkt), zorgen er namelijk voor dat de marktpartijen geen sluitende business case meer kunnen realiseren. En omdat de gemeente geen directe partij is, maar uitsluitend een initiërende, stimulerende en faciliterende rol heeft, kan zij de gewenste projecten alleen maar volbrengen als partijen gecompenseerd worden. Met sommige van deze financiële offers was al rekening gehouden in het gemeentelijke Vereveningsfonds. Zo werd er in dit fonds al van uitgegaan dat de bouw in ontwikkelbuurten en de meeste transformatiegebieden een tekort op de grondexploitatie met zich mee zou brengen. Maar met het financiële effect van de maatregelen als 'eeuwigdurende middelhuur' en 'particuliere sociale huur voor 50 jaar' was geen rekening gehouden. Voor de zeer omvangrijke bedragen die hiermee gepaard gaan, zijn geen middelen beschikbaar. Toch is het college van mening dat deze maatregelen nodig zijn om de gemengdheid in de toekomst te kunnen waarborgen.

In het plan wordt ook uitvoerig ingegaan op de uitdagingen die het college ziet voor de verschillende marktpartijen waarmee het moet samenwerken om de woonambities waar te kunnen maken. Voor woningcorporaties geldt dat hun investeringscapaciteit in relatie tot de grote woonopgaven en rijksmaatregelen waarvoor ze staan een knelpunt vormt. Daarnaast moeten beleggers wennen aan het idee dat de gemeente voor een lange periode (25 jaar of langer) voorwaarden stelt aan huurontwikkelingen en dat woningen gedurende die tijd niet mogen worden doorverkocht. Niet elke belegger wil of kan daarin meegaan en grote institutionele beleggers hebben zeer kritisch gereageerd op deze aanvullende eisen. Maar ook de gebiedstransformatieprojecten zijn kwetsbaar. De gemeente kan hier weliswaar eisen stellen, maar als het overvraagt, ligt vertraging of zelfs afstel van plannen op de loer. Een actieve grondpolitiek is mogelijk, maar vaak beperkt afdwingbaar omdat een deel van de (eigen grond)eigenaren in staat en bereid is om ontwikkelingen zelf te realiseren.

Tweemaal per jaar een monitor
Het college wil de ontwikkelingen in de planvoorraad en de concrete bouwproductie goed volgen, mede in relatie tot de ontwikkelingen in het Vereveningsfonds. Het college neemt zich dan ook voor om twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, te rapporteren over de voortgang van de bouwproductie (start bouw), de ontwikkeling van de planvoorraad en over de ontwikkeling van de vereveningsruimte in het Vereveningsfonds.

Afspraken met corporaties en huurders

Samenwerkingsafspraken met woningcorporaties en huurders hebben van oudsher een bijzondere positie binnen het woonbeleid van de gemeente Amsterdam. Het college maakt sinds 1994 elke vier jaar afspraken met de woningcorporaties en de huurdervertegenwoordiging over samenwerking en gezamenlijke sturing op het gebied van woningen van corporaties. Via deze afspraken kan de gemeente invloed uitoefenen op onder meer het woningbouwprogramma, woningdifferentiatie en toewijzing van woningen aan specifieke doelgroepen, en daarmee de gemengdheid van de stad.

In het kader van ons onderzoek gaan we hierna in op de drie meest recente afspraken: Bouwen aan de Stad II (2011), Samenwerkingsafspraken 2015 en Samenwerkingsafspraken 2020. In alle voornoemde samenwerkingsafspraken is telkens overeengekomen om jaarlijks monitorrapportages op te stellen waarin de voortgang van de gemaakte afspraken zal worden gevolgd. Deze jaarlijkse monitoring wordt in deze paragraaf niet nader toegelicht, maar komt in hoofdstuk 6 aan bod.

Bouwen aan de stad II (2011)

Voor de periode 2011 t/m 2014 zijn de gemeente Amsterdam, de Amsterdamse Federatie van Woning Corporaties (AFWC) en de Huurdersvereniging Amsterdam (HA) 94 afspraken en gezamenlijke uitgangspunten overeengekomen, getiteld Bouwen aan de Stad II. De afspraken en uitgangspunten zijn van toepassing op verschillende onderdelen: van het woningbouwprogramma, de leefbaarheid, de wijkaanpak, SV-urgentie, tot duurzaamheid en energie, grondprijzen en productievoorwaarden aan toe.

Het belang van een gemengde stad wordt hierin door partijen onderkend. Afspraken 1, 2 en 5 van Bouwen aan de Stad II stellen het thema direct aan de orde. Amsterdam moet een stad zijn waarin zowel mensen met een lager inkomen als middengroepen en hogere inkomens moeten kunnen wonen, werken en recreëren. Alle inkomensgroepen moeten aan bod komen op de Amsterdamse woningmarkt. En achterstandsgebieden moeten worden getransformeerd naar aantrekkelijke wijken met een gevarieerd woningaanbod. 

Partijen gaan onverkort voor een ongedeelde stad waarin mensen ongeacht hun inkomen, opleiding en achtergrond in alle wijken van de stad kunnen wonen en keuzemogelijkheden hebben op de woningmarkt. Een stad met gemengde wijken, waarbij die menging niet noodzakelijk op blok- of complexniveau geldt. 

De gemeente, de woningcorporaties en de huurdersvereniging streven een gemengde stad na die toegankelijk is voor nieuwkomers, die volop kansen biedt, die ruimte geeft voor diversiteit, zonder de ogen te sluiten voor problemen. Segregatie zal worden aangepakt door stedelijke vernieuwing en differentiatie, ondersteund door de sociale pijler.  Ook voor groepen zoals jongeren en studenten, ouderen, gehandicapten, grote gezinnen en mensen uit de maatschappelijke opvang willen de samenwerkingspartijen een extra inspanning doen. 

De partijen streven bij grote woningbouwlocaties en als gemiddelde op stedelijk niveau na dat van de woningbouwproductie 30% uit sociale huur bestaat. Binnen de ring kan echter worden afgeweken en mag het percentage onder de 30% uitkomen, daar waar het percentage sociale huurwoningen in de reeds bestaande wijk al hoger is. Het streven naar gemengdheid lijkt daarmee gericht op gemengde wijken, maar in de indicatoren wordt weliswaar gekozen voor het niveau van marktgebieden. De stad wordt opgedeeld in drie marktgebieden. Marktgebied 1 kent de hoogste woningmarktdruk, marktgebied 3 de laagste.

Figuur 5.3 - Marktgebieden

Bron: Convenant splitsen en verkoop sociale huurwoningen 2011 t/m 2020.

Vanuit het doel van een ongedeelde stad willen de partijen dat ten minste 70% van de aanbiedingen woningen zijn met een lage sociale huur (onder de hoge aftoppingsgrens). Daarnaast is de wens om het middensegment te versterken, zowel in de koop als de huur, door onder meer een goede spreiding van huurhoogtes in het middeldure segment te realiseren. Er wordt afgesproken dat corporaties maximaal 25% van alle nieuwe toewijzingen boven de liberalisatiegrens mogen verhuren. Van die 25% wordt ten minste de helft aangeboden in het middensegment (huur tussen € 681 en € 930, prijspeil 2013). Voor marktgebied 1 geldt een marge van 5%, voor de andere twee marktgebieden geldt een marge van 2,5%. Er wordt ook afgesproken dat corporaties de woningen in het middensegment tot € 930 zoveel mogelijk met voorrang toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 43.000 per jaar.

De samenwerkende partijen nemen zich ook voor om tot 2020 12.000 nieuwe sociale huurwoningen te realiseren en tegelijkertijd een groot aantal huurwoningen (maximaal 35.000) te verkopen. Er wordt gesteld dat als hier materieel van wordt afgeweken, de ongedeelde stad in gevaar kan komen en dat de partijen dan in overleg zullen treden over aanpassingen van de afspraken.

In Bouwen aan de stad II wordt ook afgesproken dat er per jaar wordt gemonitord hoe er gevolg wordt gegeven aan de afspraken.

Samenwerkingsafspraken (2015)

Volgend op Bouwen aan de Stad II gaan in juni 2015 de nieuwe samenwerkingsafspraken in onder de titel ‘Samenwerkingsafspraken juli 2015 t/m december 2019’. In 45 afspraken wordt vastgelegd wat in gezamenlijkheid wordt gedaan aan de betaalbaarheid, de sociale huurwoningenvoorraad, de woningbouwproductie, de beschikbaarheid, de kwaliteit van woningen, en voor doelgroepen.

Elke wijk moet plek bieden aan grote en kleine huishoudens, ouderen en jongeren, mensen met een lager en hoger inkomen. Iedereen moet zich hier thuis kunnen voelen, ongeacht inkomen en gezinsgrootte en ongeacht hoe lang iemand hier al woont. Er moet ook plek zijn voor nieuwkomers op de Amsterdamse woningmarkt. 

Over gemengdheid zijn de afspraken 1b, 4, 8 en 13 van belang, die betrekking hebben op gemengdheid in de stad als geheel én op lagere schaalniveaus (de drie marktgebieden, stadsdelen of soms de 22-gebieden). De afspraken hebben betrekking op het aandeel betaalbare woningen in het aanbod  (1b), het minimum aantal sociale huurwoningen (4) en de limieten aan de verkoop daarvan in marktgebied 1 (8), en het waarborgen van menging in de gebieden waar het aandeel sociale huurwoningen van corporaties onder de 35% ligt (13).

Afspraak 13 is direct aan gemengdheid gerelateerd en betreft een nieuwe bepaling in de vorm van een ondergrens voor sociale huurwoningen in elk van de 22-gebieden:

“We brengen de woningvoorraad en het aandeel sociale huurwoningen in de 22 gebieden in kaart. Voor wijken waar het aandeel sociale huurwoningen van de corporaties lager of gelijk is aan 35% van de woningvoorraad (op dit moment zijn dat de wijken van Centrum en Zuid en de wijken IJburg/Zeeburgereiland, De Aker/Nieuw Sloten en Oud West/de Baarsjes gaan we binnen een jaar op wijkniveau voorstellen doen voor de manier waarop de menging in die wijken kan worden gewaarborgd. Rekening wordt gehouden met de specifieke situatie per buurt. Soms kan er omwille van de leefbaarheid aanleiding zijn toch tot verkoop of liberalisatie over te gaan. De bestuurscommissies worden betrokken bij het formuleren van deze voorstellen en hebben daarmee een zwaarwegende adviesrol.” 

Groei woningen
De afspraak lijkt een logisch gevolg van de ontwikkelingen op de woningmarkt: de voorraad betaalbare woningen in Amsterdam was lange tijd veel groter dan de groep mensen die daarop was aangewezen. Er waren eenzijdig samengestelde wijken en er was sprake van scheefhuur.  Om de doelgroep van sociale huurwoningen te kunnen huisvesten zijn minstens 187.000 sociale huurwoningen nodig (inclusief particuliere huur). Op basis van ramingen van zowel de gemeente als de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties was de verwachting dat het aantal sociale huurwoningen van particuliere verhuurders zal dalen tot 25.000 (inclusief 8.000 nieuw gebouwde). Er wordt met de woningcorporaties een ondergrens afgesproken van tenminste 162.000 sociale huurwoningen in bezit van corporaties op 1 januari 2019.

In acht gebieden is het aandeel sociale huurwoningen van corporaties lager dan 35%. Voor die gebieden  worden 'voorstellen gedaan waarmee menging in die wijken kan worden gewaarborgd'. Hierbij blijft onduidelijk of de 35%-grens een doelstelling is, waar die acht gebieden naartoe zouden moeten groeien (oftewel wat het streefpercentage is), of dat hiermee enkel een ondergrens voor de overige veertien gebieden wordt geïntroduceerd.

Opvallend is dat niet meer drie marktgebieden als schaalniveau wordt gehanteerd, maar dat vanaf de nieuwe samenwerkingsovereenkomst een indeling naar 22-gebieden wordt gebruikt.  Daarnaast wordt het schaalniveau van wijken gehanteerd om na te gaan of de 35%-grens wordt onderschreden.

Er wordt afgesproken dat bepaalde afspraken met betrekking tot bepaalde thema’s nog nader uitgewerkt zullen worden. Er is in deze gevallen vaak wel een richting vastgelegd, maar de bewuste afspraken zullen nog gepreciseerd worden. Een van de thema's die nog verder dient te worden uitgewerkt, is de gemengdheid van de stad. De afspraken vormen niet het eindpunt van de gesprekken tussen de partijen maar dienden nog verder vertaald te worden naar gebieden en gespecificeerd naar corporatie.  In mei 2016 is het nadere uitwerkingsdocument gereed, maar bevat het helaas nog geen uitwerking van de afspraken rondom gemengdheid.  Wel wordt erin aangekondigd dat zal worden gemonitord of per stadsdeel 75% van de huurwoningen wordt aangeboden onder de lage en hoge aftoppingsgrens, om zodoende ook in gebieden met hoge druk, zoals Centrum en Zuid en delen van West, voldoende aanbod voor mensen met lage inkomens te behouden.  Opvallend is dat in de uitwerking van de afspraken over de fysieke stedelijke vernieuwing het aandeel corporatiebezit  per wijk (buurtcombinatie) inzichtelijk wordt gemaakt. Hieruit blijkt dat 29 wijken een aandeel lager dan 30% hebben, 65 hoger en er over 5 wijken geen gegevens bekend zijn.

Behoud van menging
Begin 2017 volgt een uitwerking van de samenwerkingsafspraken over de gemengdheid in de stad, en van de afspraken over de situatie in de zeven  gebieden waar het aandeel sociale huur lager is dan 35%.  De ambitie wordt uitgesproken om de afname van het aantal sociale huurwoningen in die gebieden af te remmen, en bij voorkeur te laten toenemen. In de notitie worden de volgende stadsbrede afspraken gepresenteerd:

  • Iedere partij zal bijdragen aan het waarborgen van de menging.
  • Door de 35%-afspraak zal de discussie gevoerd worden over het verhogen van het percentage aan sociale huurwoningen op nieuwbouwlocaties zoals de Zuidas, de Sluisbuurt en de versnellingslocatie Jan Evertsenstraat, al zijn de extra nieuwbouwmogelijkheden vóór 2020 beperkt. De gemeenteraad heeft het gewenste percentage sociale huurwoningen op de Zuidas dan al verhoogd (amendement Bakker, Nuijens en De Heer).
  • Bij de transformatie van gemeentelijk vastgoed krijgt de huisvesting van statushouders de voorkeur, zoals vastgelegd door de gemeenteraad. Deze transformaties worden uitgevoerd door corporaties.
  • De ontwikkeling van de sociale voorraad van particulieren zal per '35%-gebied' in beeld gebracht worden.
  • Er zullen creatieve manieren gebruikt worden om meer sociale huurwoningen te realiseren.


Hoewel de partijen veel belang hechten aan gemengde wijken worden de afspraken echter niet op wijkniveau, maar op niveau van de 22-gebieden uitgewerkt. 

Het is niet duidelijk of er inmiddels beleid is gekomen dat een verdergaande teruggang van sociale huurwoningen in de zeven gebieden die onder de 35%-grens lagen voorkomt. Het is ook niet duidelijk of het onderzoek naar de 'nieuwe' locaties en de kansen van verticale verdichting in die gebieden heeft plaatsgevonden. In de notitie wordt verder gesproken over de verwachting dat met name stadsdelen en huurders verder het gesprek over menging zullen voeren, met als motief het begrijpen en verklaren wat er op buurtniveau gebeurt.

Monitoring en aanspreekbaarheid
Net als bij de eerdere samenwerkingsafspraken wordt in Samenwerkingsafspraken 2015 t/m december 2019 ook aandacht besteed aan het monitoren van de voortgang. Er wordt nu echter ook de component van aanspreekbaarheid toegevoegd, waarmee de afspraken nu meer het karakter van prestatieafspraken krijgen. In afspraak 9 (monitoring en aanspreekbaarheid) wordt aangegeven dat jaarlijks de voortgang van de afspraken en het geboekte resultaat zullen worden besproken. Samenwerkende partijen zijn daarbij voor elkaar aanspreekbaar wanneer de resultaten niet, of onvoldoende worden gerealiseerd. Indien nodig kan dan worden bijgestuurd om de gemaakte afspraken alsnog binnen bereik te brengen of - als dat niet kan - met elkaar te overleggen welke bijstellingen nodig zijn. Er kunnen zich ook externe omstandigheden voordoen die het nakomen van afspraken sterk bemoeilijken. Dat kunnen bijvoorbeeld ontwikkelingen zijn in Rijksbeleid of veranderde economische ontwikkelingen.

Samenwerkingsafspraken (2020)

De opvolger van de Samenwerkingsafspraken 2015 krijgt dezelfde titel en wordt in januari 2020 vastgesteld. Aan de hand van 8 thema's (ontwikkeling woningvoorraad, betaalbaarheid, woningzoekenden en doelgroepen, kwetsbare groepen, kwaliteit en duurzaamheid, leefbaarheid en ontwikkelbuurten, financiën en monitoring) zijn er 29 afspraken uitgewerkt die voor de komende periode (2020-2023) gaan gelden. Wederom staat daarbij de gemengdheid van het woningaanbod (samen bouwen aan een ongedeelde stad, waar plek is voor iedereen ) centraal. Dit komt bij het thema ontwikkeling woningvoorraad ook nadrukkelijk aan bod. Enerzijds door verschillende afspraken (1 tot en met 3) die gericht zijn op de groei van het aantal sociale en middeldure huurwoningen. Een groei die door (a) nieuwbouw in uitbreidingsgebieden, (b) sloop/nieuwbouw in bestaande woonbuurten en (c) transformatie van kantoren tot woningen gerealiseerd dient te worden. Anderzijds door afspraken onder 4 die tot doel hebben om menging in het bestaande aanbod (zoveel mogelijk) in stand te houden.

We willen een stad zijn waar iedereen een woning kan vinden. Arm en rijk, jong en oud, gezinnen en alleenstaanden en alles wat er tussenin zit. 

Groei woningen
Ook in deze nieuwe samenwerkingsafspraken krijgt het bijbouwen van nieuwe betaalbare woningen een hoge prioriteit. Er wordt afgesproken om gemiddeld 2.500 sociale huurwoningen per jaar in aanbouw te nemen. Dit is een verdubbeling van de aantallen uit de Samenwerkingsafspraken 2015. Een belangrijk uitgangspunt bij nieuwbouw is differentiatie naar type woning en doelgroep:

"Belangrijk is dat het woningaanbod in alle gebieden en buurten divers is, zowel in nieuwe gebieden als in bestaande buurten. Zodat zowel één- als meerpersoonshuishoudens, jongeren als ouderen, mensen met en zonder beperkingen, nieuwkomers als doorstromers overal betaalbaar kunnen wonen in de stad. In nieuwe uitbreidingsgebieden betekent dit dat de nieuwbouw een mix is van woningen van diverse omvang in m². In bestaande gebieden betekent dit dat de gewenste nieuwbouw afhangt van de (wijzigingen in de) bestaande woningvoorraad." 

In de samenwerkingsafspraken wordt stilgestaan bij de wijze waarop de partijen het nieuwe gedifferentieerde woningaanbod willen gaan realiseren. Wat een minimale of ideale mix is, wordt niet toegelicht.

Een belangrijke randvoorwaarde voor het behalen van de bouwdoelen is een passende (lage) grondprijs van de gemeente. Ook dit krijgt aandacht in de afspraken die over de nieuwbouw worden gemaakt.

Op het gebied van de toegankelijkheid van vrijkomende sociale huurwoningen worden er in thema 3 woningzoekenden en doelgroepen afspraken gemaakt over welke groepen woningzoekenden er te onderscheiden zijn en op welke wijze deze groepen al dan niet bij voorrang een woning toegewezen krijgen. Naast de bijzondere groepen zoals jongeren, ouderen en kwetsbare groepen die al in eerdere samenwerkingsafspraken waren onderkend, wordt er nu ook aandacht besteed aan de bijzondere doelgroep van startende leraren en medewerkers in de zorg die ook voorrang gaan krijgen bij de toewijzing van sociale huurwoningen.

In afspraak 13 wordt overeengekomen dat minimaal 50% van de sociale verhuringen behouden blijft voor regulier woningzoekenden.

Behoud van menging
Net als in de samenwerkingsafspraken van 2015 wordt er voor behoud van menging gekeken naar het percentage aan sociale woningen in de verschillende 22-gebieden, die in de afspraken van 2015 soms als wijken worden aangeduid. Anders is wel het percentage dat als grens wordt gehanteerd. Vanaf 2020 is dit opgehoogd naar 45% en worden bij de berekening van het percentage naast sociale corporatiewoningen ook sociale huurwoningen in particulier bezit meegenomen. Voor zes gebieden is vastgesteld dat ze onder de 45%-grens liggen. Daarnaast zijn er twee gebieden die weliswaar boven de grens van 45% liggen maar waarvan de partijen van mening zijn dat ontwikkelingen in de particuliere sociale sector een groot effect kunnen hebben op de totale sociale woningvoorraad. In al deze acht gebieden zullen de corporaties terughoudend zijn bij de verkoop van sociale huurwoningen en in een specifiek gebied (IJburg/Zeeburgereiland) wordt verkoop geheel uitgesloten. Hoe men met het restant (7) van deze gebieden om wil gaan, hangt af van de mogelijkheden die de samenwerkende partijen zien om per gebied groei te realiseren.

Voor de gebieden boven de 45%-grens wordt toegelicht hoe men met verkoop van sociale corporatiewoningen zal omgaan. Voor bepaalde gebieden geldt daarbij net als bij IJburg/Zeeburgereiland ook een onvoorwaardelijk verkoopverbod. Een voorbeeld hiervan is de afspraak dat de gebieden IJburg, Zeeburgereiland, de Zuidas, Overhoeks, Houthavens, Overamstel en Buiksloterham ook worden uitgezonderd van verkoop. Bij andere gebieden mag alleen verkocht worden als aan bepaalde criteria wordt voldaan. Een voorbeeld daarvan is de voorwaarde dat er in het geheel van de stadsdelen Centrum en Zuid en de gebieden Oud West, Oostelijk Havengebied, Overhoeks en Houthavens pas verkocht mag worden als er meer dan 47.000 corporatiewoningen in het gezamenlijk gebied zijn. 

Monitoring en aanspreekbaarheid
Ook in Samenwerkingsafspraken 2020 wordt er een afzonderlijke afspraak (29) opgenomen over monitoring en aanspreekbaarheid. Het betreft wederom een meerjarige afspraak, voor vier jaar, met een jaarlijkse cyclus van monitoring en bestuurlijke bespreking van de voortgangsrapportages. Het is de bedoeling dat er jaarlijks specifiek aandacht wordt besteed aan de mate waarin de overeengekomen prestaties door de verschillende partijen worden behaald.

Intentie om ook samen te werken met particuliere sector

De samenwerkingsafspraken met corporaties en huurders geeft het college al vele jaren sturingsmogelijkheden om zijn woonbeleid te realiseren. Maar deze afspraken hebben slechts invloed op een deel van de woningmarkt: de corporatiewoningen. In 2019 bestaat de totale woningvoorraad uit 441.468 woningen. 30,8% hiervan bestaat uit koopwoningen, 40,7% van de voorraad is een corporatiewoning en de resterende 28,5% betreft woningen die door particuliere verhuurders worden verhuurd.  Om de gemeentelijke invloed ook in de particulier huursector te vergroten, en daarmee ook op de menging, heeft het college onder meer in februari 2020 met vertegenwoordigers van de grootste particuliere verhuurders (IVBN, Vastgoed Belang en NEPROM) een intentieverklaring getekend. Het hoofddoel is net als bij de samenwerkingsafspraken om de bouw van nieuwe betaalbare woningen te realiseren, bestaande woningen betaalbaar te houden en om meer woningen toe te wijzen aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, politieagenten en zorgverleners.

De ondertekenaars spreken onder meer af dat ze zich zullen inspannen om de komende vijf jaar in Amsterdam in totaal 10.000 middeldure huurwoningen te realiseren. De bedoeling is om bij de nieuw gerealiseerde huurwoningen een uitpondtermijn van 25 jaar te hanteren waarin de huurprijs slechts zeer beperkt kan toenemen (maximaal door inflatiecorrectie + 1%-punt) en waarin de huurwoning gedurende deze periode ook niet verkocht mag worden. Na 25 jaar mogen de particuliere verhuurders de huren sneller verhogen of de woningen verkopen. Daartegenover staat dat de gemeente voornemens is om de grondprijzen te verlagen als dat nodig is om een gezonde business case te realiseren.

Hoewel er overeenkomsten bestaan tussen de intentieverklaring en de prestatieafspraken met corporaties (streven hetzelfde gemeentelijke doel na en richten zich voornamelijk op de sociale huur) zijn er ook duidelijke verschillen te onderkennen. Het meest in het oog springende verschil is het type akkoord. Daar waar het bij de samenwerkingsafspraken gaat om prestatieverplichtingen die jaarlijks gemonitord worden en waarbij partijen elkaar kunnen aanspreken op het niet-halen van de doelen, gaat het bij de intentieverklaring in essentie om een inspanningsverplichting. Er wordt weliswaar aangegeven dat partijen zich de komende vijf jaar zullen inspannen om een groot aantal woningen te realiseren, maar er wordt niet verduidelijkt hoeveel dat er per jaar dienen te zijn en er worden geen afspraken over monitoring gemaakt. Daarnaast wordt niet ingeregeld hoe partijen met elkaar dienen om te gaan als de verwachte aantallen niet gehaald worden of als partijen niet in lijn met de intentieverklaring handelen.

Stedelijk vernieuwingsbeleid

Net als in het woonbeleid wordt in het stedelijk vernieuwingsbeleid aandacht besteed aan het ruimtelijke aspect van menging. In lijn met onze aanpak bij de beschrijving van het woonbeleid zullen we in de volgende paragrafen de relevante beleidsdocumenten die de stedelijk vernieuwing vormgeven in chronologische volgorde beschrijven, waarin we ons met name richten op de elementen van menging. We gebruiken daarvoor de volgende drie perioden, die elkaar soms overlappen:

Eerste periode: van nationaal Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing naar Meerjaren Ontwikkelingsprogramma (MOP)
Tussen 2000 en 2014 loopt het nationale Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) als onderdeel van het grote stedenbeleid van het Rijk. Wij kijken naar het derde en laatste tijdvak van die periode (ISV-III). De Amsterdamse inzet is in 2009 vastgelegd in het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma ISV III (MOP) en behelst de periode 2010-2014.

Tweede periode: hervormingen in het stedelijke vernieuwingsbeleid
Tussen 2011 en 2016 voert Amsterdam, mede door toedoen van de financiële crisis, hervormingen door in het stedelijke vernieuwingsbeleid. De beleidsdoelstellingen lijken door de economische tegenwind onhaalbaar geworden; met verschillende bestuursopdrachten en notities beargumenteert het college de keuze om het aantal aandachtsgebieden fors te beperken en de beschikbare middelen gerichter in te zetten.

Derde periode: de Ontwikkelbuurten-aanpak
Bij het derde en laatste deel van de analyse (2017 - heden) kijken we naar de meest recente vernieuwingsplannen: de Ontwikkelbuurten-aanpak. Deze recente uitvoering van stedelijke vernieuwing legt nieuwe accenten, maar richt zich nog altijd op de buurten waar de leefbaarheid en de sociaaleconomische achterstand het grootst is.

Meerjaren Ontwikkelingsprogramma (2009)

Van Rijksbeleid naar gemeentelijk beleid
De leefbaarheid in de (grote) steden heeft al vele jaren ook de aandacht van de landelijke politiek. Wanneer in de jaren ’70 het besef doordringt dat het niet met alle steden de goede kant op gaat, wordt de zogeheten ‘stadsvernieuwing’ ingezet, die steden moet revitaliseren, onder meer op economisch gebied. Daarna volgde de ‘sociale vernieuwing’, die erop gericht was om de stadsbewoners volwaardig mee te laten doen in de maatschappij. Ondanks dit beleid bleef de toestand in (bepaalde delen van) de steden een punt van zorg. Daarom start het eerste paarse kabinet in 1994 het ‘grotestedenbeleid’ en werd dit beleid in latere kabinetten (in de loop der tijd in aangepaste vorm) voortgezet. In eerste instantie is het beleid gericht op de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht), maar later ook op 21 andere grote steden. Als werkwijze wordt gekozen om de steden individuele stadsvisies op te laten stellen. Daaruit vloeien meerjaren ontwikkelingsprogramma’s (MOP’s) voort die in convenanten met de steden worden vastgelegd en waarvoor een rijksbijdrage, in de vorm van een Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) wordt overeengekomen. De beleidsmatige verantwoording over de behaalde resultaten en over de besteding van de rijksbijdrage vindt eenmalig plaats aan het einde van de convenantsperiode. Bij de derde en laatste convenantsperiode (2010-2014) wordt de werkwijze echter veranderd. Vanaf dat moment is het ISV niet langer een specifieke doeluitkering maar maakt het als een 'decentralisatie-uitkering' onderdeel uit van het Gemeentefonds. De Amsterdamse inzet voor de derde en laatste ISV-periode (2010-2014) is in 2009 vastgelegd in het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma ISV-III. 

De eindrapportage van de monitor ISV-3 beschrijft voor elk van de negen doelen welke resultaten zijn behaald. Doelen 2 en 3 houden direct verband met de gemengdheid van de buurten: de borging van de doelgroepwoningen en de differentiatie van de woningvoorraad.

Achterblijvende gebieden
In het MOP ISV-III wordt aangegeven dat Amsterdam en de Amsterdamse regio zich ontwikkelen tot een topstad en aantrekkelijke metropoolregio. Veel gebieden laten mooie ontwikkelingen zien, maar dat geldt niet voor allemaal. Er zijn gebieden die niet genoeg profiteren van het succes van de stad en de regio. Zonder extra aandacht zullen deze kwetsbare stedelijke vernieuwingsgebieden onvoldoende kunnen aansluiten bij de rest van de stad. Het college ziet een ruimtelijke en sociale kloof ontstaan tussen de stadsdelen binnen de ringweg en daarbuiten, die bestaat uit toenemende verschillen in opleidingsniveau, gezinsinkomen, migratieachtergrond en volksgezondheid. Het voornaamste streven van het MOP is het tegengaan van deze sociale kloof en ervoor te zorgen dat alle gebieden meeprofiteren van de groei die de stad Amsterdam doormaakt. Een tweedeling op het gebied van inkomen en sociaaleconomische positie en een oververtegenwoordiging van bepaalde groepen inwoners (onvoldoende menging) worden daarbij als belangrijke oorzaken gezien voor het achterblijven van de bewuste gebieden. 

Een bedreiging van het gemengd wonen in Amsterdam is individualisering. 

Het college onderschrijft in het MOP de drie centrale ambities die door het Rijk aan de nieuwe ISV-periode (tot 2015) worden gekoppeld:

  • Vergroting van de kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad;
  • Verbetering van de fysieke kwaliteit van de leefomgeving;
  • Verbetering van een gezonde en duurzame leefomgeving.

Het MOP omarmt ook de ambities zoals beschreven in de Woonvisie (2008): Amsterdam moet een stad zijn voor iedereen. Er worden echter een aantal ontwikkelingen gesignaleerd die deze breed geformuleerde ambitie in de weg staan. Daarom worden in het MOP, met betrekking tot wonen, nog een aantal aanvullende doelstellingen geformuleerd: 

  • Amsterdam wil de toegankelijkheid van gebieden met een grote marktdruk voor lage en middeninkomens behouden;
  • Amsterdam streeft naar meer aanbod in het middensegment;
  • Amsterdam wil bouwen voor specifieke groepen;
  • Amsterdam streeft naar het zowel sociaal als ruimtelijk verbinden van de ontwikkelings- en aandachtsgebieden met het centrum van de stad;
  • Amsterdam streeft naar het verbeteren van de leefomgeving van haar bewoners;
  • Amsterdam streeft naar energiebesparing in de woningvoorraad;
  • Amsterdam streeft naar optimaal grondgebruik.

In hoofdstuk 6 van het MOP worden, rekening houdend met de bovenstaande ambities, tien doelen met bijbehorende indicatoren en 'prestatiedoelen' geformuleerd.  Het tweede en derde doel raken het aspect gemengdheid:

DoelBronIndicatorPrestatiedoelen
Borging doelgroepwoningenOGA Aandeel doelgroepwoningen in bestand corporatiewoningen.Percentage doelgroepwoningen binnen sociale segment neemt niet af in de periode 2010-2015, vooral in SV-gebieden.
Differentiatie woningvoorraadWiAAandeel koopwoningen en duurdere woningen in SV-gebieden.Toename koop en duurdere huur in SV-gebieden in periode 2010-2015.

Selectieve aanpak
Amsterdam wil bij het MOP een selectieve aanpak hanteren. Niet elk gebied heeft evenveel aandacht nodig en zal op het gebied van aandacht voor menging ook verschillen. Het college hanteert daarbij een onderverdeling naar gebieden: basisgebieden, aandachtsgebieden en ontwikkelgebieden.

Basisgebieden hebben over het algemeen een goede marktpotentie. In deze gebieden is de economische kracht groot, zijn er relatief minder sociale huurwoningen en zijn de bewoners zeer tevreden over hun buurt en voorzieningen. Hier fungeert de gemeente alleen als eventuele ondersteuner of aanjager. Het zijn bijna allemaal wijken binnen de ring in de stadsdelen Centrum en Zuid.

Aandachtsgebieden kennen een concentratie van problemen of kansen, maar de vereiste kwaliteitsimpulsen zijn minder ingrijpend dan bij de ontwikkelgebieden en meer sociaaleconomisch dan fysiek gericht. Dit zijn buurten die op onderdelen bijna autonome verbetering laten zien ten gevolge van hun marktpotentie. Daardoor hoeft de rol van de gemeente minder prominent te zijn. Het zijn wijken die tegen het centrum van de stad aan liggen en er flink op vooruitgegaan zijn. Als voorbeeld worden de Oosterparkbuurt, Dapperbuurt, Indische Buurt en de Spaarndammerbuurt genoemd.

Ontwikkelingsgebieden kenmerken zich door een grote concentratie van problemen die een intensieve, integrale aanpak vereisen, waarbij de rol van de gemeente groot zal zijn. Het betreffen buurten in Zuidoost, Nieuw-West en Noord waar de vernieuwing langer of korter geleden is gestart.

Het MOP introduceert geen nieuwe instrumenten maar maakt gebruik van instrumenten die al in woonbeleidsstukken en actieplannen zijn beschreven en wil deze instrumenten in specifiek aangewezen gebieden nader volgen en/of intensiveren.

33 vernieuwingsgebieden
Gemengdheid is geen einddoel in het Amsterdamse MOP, maar wel een middel om wijken mee te laten liften op het succes van het centrum. De ambitie is om de 33 stedelijke vernieuwingsgebieden (zie figuur 5.4) aan te laten sluiten bij het succes van Amsterdam. Dat zijn gebieden die deels op wijkniveau en deels op buurtniveau lijken te zijn aangewezen in de stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West, Noord en Oost en West. 

Een manier van het college om dat te doen is om daar meer woningdifferentiatie aan te brengen, in combinatie met een goed functionerende openbare ruimte. Dat is volgens het college van belang voor het 'niveau' van de buurt of wijk. De verwachting is dat het toevoegen van midden- en hogere inkomensgroepen in kwetsbare wijken de economische draagkracht van de wijk verbetert en waarvan de lagere inkomensgroepen kunnen mee profiteren. Een andere manier van het college om gemengdheid te bereiken is het groeiend aantal studenten in deze gebieden te huisvesten. De veronderstelling daarbij is dat studenten vaak een positieve invloed hebben op de leefbaarheid in de buurt. Naast studenten worden gezinnen, (grotere) Turkse en Marokkaanse huishoudens, ouderen en zorgbehoevenden, en het middensegment genoemd als specifieke doelgroepen. Het leidende bouwprogramma bestaat voor 30% uit sociale huur, waarin deze doelgroepen een belangrijke plek moeten krijgen. 

Figuur 5.4 - Overzicht stedelijke vernieuwingsgebieden 

Bron: Meerjaren Ontwikkelingsplan ISV III.

Hervorming Stedelijke Vernieuwing: de Amsterdamse focusaanpak (2011)

De financiële en economische crisis die gedurende 2008-2009 aanbreekt, heeft grote gevolgen voor de voortgang van de stedelijke vernieuwing. De planontwikkeling in Amsterdam is eind 2011 nagenoeg stil komen te liggen, kan daardoor weinig middelen genereren en staat bovendien voor een grote bezuinigingsoperatie (rond € 300 miljoen structureel). Ook corporaties, ontwikkelaars en particulieren staan er door de crisis financieel slechter voor. Gezien de economische verwachtingen wordt een verbetering op korte termijn ook niet verwacht. Ten gevolge van de crisis moet ook het Rijk bezuinigen. Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) zal na 2014 ophouden te bestaan. Er zullen dan geen ISV-gelden meer worden overgemaakt aan gemeenten. Amsterdam zal dus na 2014 geen rijksbijdrage meer ontvangen.

Naar aanleiding van de zorgwekkende financiële ontwikkelingen stelt het college een notitie op waarin de stand van zaken rondom de stedelijke vernieuwing wordt beschreven. 7 van de 33 vernieuwingsgebieden zijn afgerond, en 4 gebieden zijn in de laatste fase. De vernieuwing gaat niet zo snel als gehoopt en met de teruglopende budgetten is het college genoodzaakt om de doelstellingen naar beneden bij te stellen. Het college besluit dat er een nieuwe werkwijze voor stedelijke vernieuwing nodig is en zet daartoe een bestuursopdracht uit. 

Van 33 vernieuwingsgebieden naar 8 focusgebieden
In juli 2012 stemt de gemeenteraad in met de notitie Hervorming Stedelijke Vernieuwing (HSV), die ook de focusaanpak wordt genoemd. In de notitie wordt de keuze toegelicht om in de resterende twee jaren van het stedelijke vernieuwingsprogramma (2013 en 2014) de inzet terug te schroeven.  Daarnaast worden de doelstellingen uit het MOP samengevoegd en teruggebracht tot twee specifieke doelen voor de focusgebieden: verbetering van de leefkwaliteit zoals die tot uitdrukking komt in de buurtwaardering en verbetering van de sociaaleconomische positie van bewoners. De ambities in de focusaanpak zijn een koerswijziging ten opzichte van de ISV, omdat de doelstelling voor woningdifferentiatie en daarmee indirect gemengdheid verdwijnt. Er komt meer aandacht voor de sociale component, vanuit de gedachte dat als de gemeente nieuwe mensen de buurt in laat stromen, de huidige (kwetsbare) bewoners daar niet per se beter van worden. 

De aanpak wordt voortgezet in minder gebieden en met andere middelen.  Daarnaast worden doelgroepen en interventies specifieker benoemd.  Wat de stadsdelen betreft zijn er geen grootschalige fysieke ingrepen nodig, maar (naast woningverbetering) vooral investeringen in de woonomgeving en in sociaaleconomische programma's.  Vanaf 2015 wordt de focusaanpak samengevoegd met de wijkaanpak en voortgezet als 'Werken aan wijken'.  In 2015 worden drie andere wijken dan in de focusaanpak in een pilot aangewezen als laag scorende wijken op buurttevredenheid: Geuzenveld, Overtoomse Veld en Osdorp-Midden.

Selectie focusgebieden
De stadsdelen wijzen (opnieuw) kwetsbare gebieden aan die aandacht nodig hebben. In plaats van 33 wordt voortaan ingezet op 8 focusgebieden in de stadsdelen Noord, Zuidoost en Nieuw-West. De gebieden zijn deels overlappend aan de eerder gekozen stedelijke vernieuwingsgebieden. IJplein en Vogelbuurt zijn echter nieuwe buurten.  Maar er zijn ook buurten die geen focusgebieden meer zijn. Dat betreffen eerdere gebieden uit de stadsdelen West en Oost. De focusgebieden die overblijven worden uiteindelijk geselecteerd op basis van de laagste scores op leefkwaliteit en de mate waarin sociaaleconomisch zwakke groepen in de buurt vertegenwoordigd zijn. Het betreffen:

  1. Slotermeer-Zuidwest
  2. Slotermeer-Noordoost
  3. De Kolenkit
  4. IJplein/Vogelbuurt
  5. Nieuwendam Noord
  6. Volewijck
  7. Bijlmer Centrum
  8. Holendrecht/Reigersbos
Bestuursopdracht strategische buurtontwikkeling (2017)

In 2017 krijgt de stedelijke vernieuwing een nieuwe impuls; het college start met Strategische Buurtontwikkeling en doet dat samen met de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost, de corporaties en verschillende marktpartijen.  Het college constateert dat er veel is geïnvesteerd in de focusgebieden, maar dat in een aantal buurten de kwaliteitsslag in de woningen en de leefomgeving nog niet voldoende is. Ook bestaat het beeld dat er andere buurten zijn (bijvoorbeeld Holendrecht) waar nog een kwaliteitsslag in de woningvoorraad en leefomgeving te maken is. Daarnaast is het college van mening dat mengingsmogelijkheden (kansen) worden gemist omdat er geen goede koppeling bestaat tussen de stedelijke gebiedsontwikkeling vanuit Koers 2025 met de omliggende buurten. De koppeling van deze gebieden vraagt om een stedelijke regie. Dat geldt ook voor de organisatie en uitvoering van de strategische buurtontwikkeling. De activiteiten en het opdrachtgeverschap van de strategische buurtontwikkeling zitten in verschillende portefeuilles binnen de gemeentelijke organisatie.  Er is gemeentelijke regie nodig om tot goede onderlinge afstemming te komen en om deze gemeentelijke regie te bekrachtigen wordt de bestuursopdracht gegeven.

Aansluiting bij Koers 2025
De eerdere stedelijke vernieuwingsdoelstellingen (verbetering van de leefbaarheid en de sociaal economische positie van de buurt en haar bewoners) blijven gehandhaafd en worden aangevuld met duurzaamheidsdoelstellingen. Daarnaast wil het college de strategische buurtontwikkeling (beter) laten aansluiten op de stedelijke gebiedsontwikkeling vanuit Koers 2025 en de gemeentelijke regie nemen op de organisatie en uitvoering van de buurtontwikkeling. Hiermee wil het college gemengde en evenwichtige buurten realiseren. De gedachte is dat ontwikkelbuurten meeliften op de nieuwbouwbuurten, en dat door verdichting en woningdifferentiatie een betere gemengdheid van de woningvoorraad in de ontwikkelbuurten ontstaat en wooncarrière in de buurt mogelijk wordt gemaakt. Voorbeelden die genoemd worden zijn het Hamergebied/Vogelbuurt/IJ-plein, Amstel III-Arenagebied/H Buurt, en de Ringzone West/Slotervaart. 

Het college is zich ervan bewust dat er ambitieuze doelen worden gesteld en benoemt drie belangrijke risico's die de realisatie kunnen belemmeren.  Allereerst is er de mogelijke tegenstelling tussen stedelijke doelstellingen en de wensen van buurtbewoners die tot vertraging of onvrede kunnen leiden. Ten tweede is er onvoldoende capaciteit en organisatiekracht bij de verschillende stadsdelen. Omdat Wonen de regie neemt op het proces op hoofdlijnen zal deze afdeling de stadsdelen ambtelijk ondersteunen. De druk op de ambtelijke organisatie neemt hierdoor echter wel toe. Ten derde is de koppeling tussen het fysieke en sociale domein lastig.

Aan de stadsdelen wordt gevraagd om de sociaaleconomische vernieuwing te operationaliseren in de opgave per buurt. Hierbij geven de stadsdelen aan welke elementen in een projectmatige aanpak horen (bijvoorbeeld gebouwde sociale voorzieningen als scholen en kinderopvang) én welke beter in een beheersmatige aanpak kunnen worden ondergebracht (bijvoorbeeld verkeer en openbare ruimte). Het risico bestaat dat de verschillende onderdelen onvoldoende op elkaar worden afgestemd, er onvoldoende zicht is op de verbindende elementen en de verschillende projecten en bijbehorende geldstromen elkaar daardoor onvoldoende versterken.

Van 8 focusgebieden naar 32 ontwikkelbuurten
Bij de uitvoering van de bestuursopdracht staan een aantal uitgangspunten centraal. Allereerst gelden de afspraken uit Koers 2025 ook voor de ontwikkelbuurten, waarbij de Samenwerkingsafspraken 2020-2023 met AWFC en HA over de ontwikkeling van de woningvoorraad dienen te worden gevolgd en bij sloop-nieuwbouwprojecten moeten er op z'n minst evenveel sociale huurwoningen terugkomen. Daarnaast wordt de aanpak samen met de buurtbewoners bepaald en ontwikkeld (maatwerk) en dienen de plannen kleinschalig en flexibel te zijn, zonder blauwdruk. De besluitvorming zal plaatsvinden via de systematiek van het Plaberum. 

De eerste stap in de uitvoering is het selecteren van de ontwikkelbuurten onder regie van Wonen samen met de stadsdelen en corporaties. De selectie is gedeeltelijk gebaseerd op scores per buurt op woonomgeving, leefbaarheid, sociaaleconomische status en gezondheidscijfers. Daarnaast wordt gekeken welke kansen zich in de buurten voordoen omdat ze grenzen aan ontwikkelgebieden uit Koers 2025 of omdat corporaties in de bewuste buurten willen investeren. In december 2017 wordt een lijst met 32 ontwikkelbuurten door het college en de raad vastgesteld. Voor deze buurten dient een integrale meerjarige planning te worden opgesteld met aandacht voor de woningbouwprogrammering, de aanpak van de woon- en leefomgeving en de benodigde sociale accommodaties en voorzieningen.

In 2019 heeft het college de bestuursopdracht geactualiseerd en wordt er een sterkere nadruk gelegd op de sociaal maatschappelijke opgave. Sinds 2018 is de sociale en ruimtelijke planvorming in alle geselecteerde ontwikkelbuurten gestart en wordt er samen met bewoners, corporaties en andere maatschappelijke partners aan verschillende principebesluiten gewerkt. Het besluitvormingsproces wordt gemonitord in de termijnplanning (voorheen het Spoorboekje ontwikkelbuurten 2018/2019).  Stapsgewijs dient duidelijk te worden wat er per buurt nodig is. In veel ontwikkelbuurten gaat het om renovatie van de bestaande voorraad en niet om grootschalige sloop/nieuwbouw. Ook kan het zijn dat er in buurten kansen liggen voor verdichting die financieel en ook fysiek positief bijdragen aan wensen van de bewoners. 

Voorbeeld in de praktijk: programma Ongedeelde Wijk
Het programma Ongedeelde Wijk is in 2017 ontstaan bij de herontwikkeling van het Hamerkwartier in Amsterdam-Noord onder gedeeld opdrachtgeverschap van de Gebiedsontwikkeling (Team Go Noord) en Stadsdeel Noord. Binnen de strategische buurtontwikkeling (stedelijke vernieuwing) fungeert het aanjaagteam Ongedeelde Wijk als een pilot om stedelijke vernieuwing te koppelen aan gebiedsontwikkeling en vormt daarmee een vernieuwde vorm van stedelijke vernieuwing, een "versie 2.0".  We zien dit programma als een voorbeeld van een werkwijze waarop de gemeente indirect gemengdheid in praktijk probeert te brengen.

Doelen van het programma Ongedeelde Wijk:

  • Zorgen dat bestaande buurten meeprofiteren van grootschalige gebiedsontwikkeling in Amsterdam-Noord.
  • Voorkomen dat harde scheidslijnen ontstaan tussen bestaande en nieuwe buurten.

De gebiedsontwikkeling in Amsterdam-Noord schept kansen, maar brengt ook het risico met zich mee dat er scherpe scheidslijnen ontstaan tussen bestaande, vaak armere wijken en nieuwe buurten met in potentie hogere huren en koopwoningen. De ambitie van Ongedeelde Wijk is om bestaande buurten in sociaal, fysiek en economisch opzicht mee te laten profiteren van de herontwikkeling in de omgeving. Er is in Amsterdam op dit moment geen breed gedeelde aanpak bekend zoals het programma Ongedeelde Wijk waarmee op een samenhangende manier sociale, fysieke én economische verbindingen gemaakt worden tussen nieuw te bouwen en bestaande wijken vanuit de behoefte om tweedeling te voorkomen. Gemengdheid in ruimtelijke fysieke zin is daarmee geen doel op zich, maar indirect probeert het aanjaagteam wel een bijdrage te leveren aan de beleving van gemengdheid onder buurtbewoners, of de veronderstelde negatieve gevolgen daarvan.

Voorlopige opbrengsten programma Ongedeelde Wijk in het project Hamerkwartier
Ongedeelde Wijk is tegenwoordig opgenomen als een van de drie bestuurlijke prioriteiten voor de herontwikkeling van het Hamerkwartier. In het project Hamerkwartier wordt niet enkel in het eigen gebied geïnvesteerd, maar ook het invloedgebied IJplein, Vogelbuurt en Vogeldorp.  Zo is een deel van een straat (Meeuwenlaan) in de IJplein/Vogelbuurt binnen de Grondexploitatiegrens (Grex) getrokken met als doel deze verbindingsweg tussen de bestaande en nieuwe buurten in te richten op oversteekbaarheid, ontmoeting en verbinding. Daarnaast is actief ingezet op bewonersparticipatie in alle fases van de planvorming. De doelstellingen van Ongedeelde Wijk worden ook meegenomen in de meeste analyses en planvorming van het project Hamerkwartier.

Bij het project Hamerkwartier heeft het programma Ongedeelde Wijk een samenwerkingsverband opgeleverd tussen de Ontwikkelbuurten-aanpak, het projectteam Hamerkwartier en de woningcorporaties. Het programmateam Ongedeelde Wijk is bij het Hamerkwartier in 2017 gestart met een intensief traject om met en tussen de corporaties strategie-afspraken te maken. Driekwart van de woningen in de IJplein/Vogelbuurt is corporatiebezit. Het programma Ongedeelde Wijk stuurt aan op een woonprogramma op basis van een evenwichtige verdeling van sociale huur, middensegment, koop en spreiding van kwetsbare groepen over het projectgebied en de omliggende wijken.  Daarnaast stuurt het programma Ongedeelde Wijk aan op het maken van afspraken over de doorstroming van inwoners in het gebied.  Op deze manier wordt er stapsgewijs toegewerkt naar een gezamenlijke ambitie voor het projectgebied en de omliggende wijken, de vertaling naar concrete ambities (ruimtelijk en programmatisch) en strategische voorstellen over de te maken afspraken tussen partijen.

De stuurgroep van directies van de samenwerkende partijen heeft op 9 februari 2020 definitief akkoord gegeven op een set voorstellen over het projectgebied en de omliggende wijken. Deze voorstellen bestaan uit een aantal ambities, een set concrete interventies en gezamenlijke projecten in de buurt, een procesvoorstel om de samenwerking voor de komende jaren te blijven vormgeven en financiering van de (voorlopig) benodigde externe procesbegeleiding.

Uitbreiding focusgebied Ongedeelde Wijk
In 2018 en 2019 is de opdracht Ongedeelde Wijk geherformuleerd en richt het aanjaagteam zich naast het Hamerkwartier ook op de grondexploitaties op de westelijke IJ-oevers en de omliggende wijken. Het betreft Buiksloterham, NDSM, Klaprozenbuurt en Buikslotermeerplein. Deze uitbreiding was mogelijk door extra inzet vanuit het stadsdeel. De inzet was in deze gebieden niet op alle onderdelen zo intensief en integraal als in het Hamerkwartier. Ongedeelde Wijk is in 2020 een opgave voor alle gebieden in Noord. Het programma Ongedeelde Wijk zal extra aandacht geven aan de gebieden NDSM en omliggende wijken (waaronder specifiek Plejadenplein) en Buikslotermeerplein en omliggende wijken.

Ambtelijk en bestuurlijk opdrachtgever
Zowel stadsdeel Noord als Grond & Ontwikkeling (G&O) zijn ambtelijk opdrachtgever van het programma Ongedeelde Wijk. De wethouder Ruimtelijke Ordening en Grondzaken is bestuurlijk opdrachtgever voor de ontwerpfase die leidt tot een investeringsbesluit van het project Hamerkwartier. Het project Hamerkwartier werkt in 2020 toe naar een investeringsnota. Het dagelijks bestuur van Stadsdeel Noord is gedelegeerd bestuurlijk opdrachtgever in opdracht van de wethouder Ruimtelijke Ordening en Grondzaken. De stadsdeelorganisatie is verantwoordelijk voor de strategische buurtontwikkeling in de wijken IJplein/Vogelbuurt.

De afdeling Wonen van de gemeente Amsterdam stelt zich op als adviseur van het programma Ongedeelde Wijk, net zoals ze dat doet voor andere ontwikkelingsprojecten. 

De afgelopen jaren is het team samengesteld uit een programmamanager en twee projectmedewerkers ingehuurd vanuit PMB en enkele stadsdeelmedewerkers. De opdrachtgevers van Ongedeelde Wijk hebben besloten dat het programmamanagement per 1 mei 2020 wordt belegd bij een programmamanager van stadsdeel Noord. G&O blijft wel mede-opdrachtgever. Aanvullend worden twee medewerkers ingehuurd vanuit het PMB.

Analyse en conclusie

In deze paragraaf vatten we onze bevindingen en inzichten op basis van onze beleidsreconstructie samen. We besteden aandacht aan de ambities van het college, de wijze waarop de gemeente de ambities wil realiseren en het schaalniveau waarop de doelen zijn geformuleerd.

De ambities van het college
De gemeente Amsterdam wil dat de stad open, betaalbaar en toegankelijk is om een aantrekkelijk woon- en groeiklimaat te kunnen garanderen. Dat betekent onder meer dat segregatie en verdringing moet worden voorkomen. Het is echter onduidelijk welk specifiek probleem (of welke problemen) de gemeente met gemengdheid wil oplossen. Gaat het om het borgen van gemengdheid en probleemsituaties te voorkomen of om ongewenste effecten van ongemengdheid die er al zijn, tegen te gaan, of om beide?

Uit de beschrijving en analyse van de beleidsdocumenten blijkt dat er vastgesteld beleid is. Het gaat daarbij om twee verschillende beleidslijnen die menging aan de orde stellen. Er is enerzijds het woonbeleid waarin de wenselijke woonsituatie voor Amsterdam als geheel centraal staat en er is anderzijds het stedelijk vernieuwingsbeleid dat uitsluitend op specifieke probleemgebieden van Amsterdam gericht is.

Naast het verschil in reikwijdte tussen deze pijlers is er ook een verschil in het maatschappelijke beoogde effect. Het woonbeleid is met name gericht op het realiseren van een evenwichtige, gecontroleerde en gezonde groei van Amsterdam en wil daarbij een zekere mate van menging borgen om ongewenste (huidige en toekomstige) situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het stedelijk vernieuwingsbeleid zijn de ongewenste situaties in bepaalde gebieden juist het startpunt. Voornoemd beleid is niet gericht op behoud van een zekere mate van menging, maar streeft juist meer menging na als (sub)doel om de leefbaarheid in het specifieke gebied te verhogen. Door onder andere meer menging in bewonersgroepen aan te brengen wil het college de sociaaleconomische segregatie en tweedeling tegengaan die in de ontwikkelgebieden zijn ontstaan.

Voor beide beleidslijnen geldt dat menging weliswaar belangrijk wordt geacht maar het nooit als hoofddoel wordt gezien. Het is telkens een subdoel of middel waarmee bijgedragen wordt aan het hogere doel. Daarnaast verschilt de mate en vorm waarin gemengdheid expliciet onderdeel van de ambities uitmaakt tussen de visiedocumenten en de meer actiegerichte documenten. In de visiedocumenten van het woonbeleid (Woonvisie en Woonagenda) krijgt het meer aandacht dan in de meer actiegerichte documenten (Actieplan Woningbouw, Koers 2025 en Woningbouwplan). Ook de concrete invulling van het begrip is verschillend. Naast de criteria inkomen, leeftijd en huishoudsamenstelling worden ook de mix van oude en nieuwe Amsterdammers en migratieachtergrond als onderdelen van gemengdheid gezien. In de actie- en woningbouwplannen is dat vaak een beperktere set (soms uitsluitend op inkomen). In de eerdere visiedocumenten (de Woonvisie en het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma) wordt het begrip ongemengdheid wat meer geproblematiseerd. In de Woonvisie worden drie bedreigingen voor gemengd wonen benoemd (verdringing, individualisering (die beide te maken hebben met de mate waarin wooncarrière kan worden gemaakt) en tweedeling en segregatie). Daarnaast valt op dat gentrificatie, ook een ontwikkeling waarover een maatschappelijke discussie wordt gevoerd, in het vastgestelde beleid nauwelijks aan de orde komt. In de Woonagenda wordt het begrip bijvoorbeeld niet genoemd.

De beleidsdocumenten uit de pijlers verwijzen op verschillende plekken naar elkaar en het streven is om beide beleidslijnen zoveel mogelijk in elkaars verlengde te leggen zodat ze elkaar kunnen versterken. Echter, in de uitwerking van bijvoorbeeld de actie- en woningbouwplannen zien we deze verbinding op het gebied van gemengdheid tussen de doelen niet terug. Deze is versnipperd over de beleidsterreinen Wonen en G&O en het gebiedsgericht werken. In het programma Ongedeelde wijk dat in stadsdeel Noord wordt uitgevoerd, is het wel de expliciete opdracht om de verbinding in de gebiedsontwikkeling tot stand te laten komen.

De wijze waarop de gemeente de ambities wil realiseren
De uitwerking van de visie op gemengdheid in doelen is overwegend impliciet: er zijn geen concrete doelen die consistent in het beleid zijn gesteld. De wijze waarop aan een gemengde stad wordt gewerkt, beperkt zich gedurende ruime tijd tot de volgende vier richtinggevende kaders:

  • Behoud van een minimum sociale woningvoorraad: 45% sociale huurwoningen in elk gebied (dit was langere tijd 35%). In het coalitieakkoord is het streven opgevat om ook minimaal 10% middensegment in elk gebied te bereiken.
  • Productie van woningen voor bepaalde inkomensgroepen: de 40-40-20-regel voor de woningbouwproductie in elk plangebied. De regel geeft sturing aan gewenste woningmarktsegmenten.
  • Toewijzing van sociale huurwoningen aan doelgroepen, gebaseerd op de kenmerken inkomen en huishoudgrootte, bij studentenwoningen het volgen van een opleiding en bij jongerenwoningen de leeftijd, en kwetsbare groepen.
  • Differentiatie en transformatie in buurten met leefbaarheidsproblematiek (uitsluitend in aangewezen ontwikkelbuurten in de stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West en Noord).

In de meest recente maatregelen is aandacht gekomen voor de borging van (toekomstige) menging. De nieuwbouwregels (zoals de 40-40-20-regel) dwingen nu bepaalde verhoudingen af maar garanderen niet volledig dat de woningen ook in het bewuste segment blijven. Er zijn nieuwe beleidsdoelen gedefinieerd in samenspraak met de particuliere sector die ervoor moeten zorgen dat nieuwbouwwoningen behouden blijven voor de doelgroepen waarvoor ze gebouwd zijn maar die zijn niet vertaald naar harde afdwingbare regels. Daarnaast zijn projectmanagers sinds 2017 verplicht om, alvorens fase 1 en 3-Plaberumbesluiten te nemen, aan Wonen een formeel advies te vragen. In dit advies geeft Wonen de meest optimale verdeling van het woningbouwprogramma over verschillende woningtypen en doelgroepen. In de adviezen geeft Wonen antwoord op de vraag op welke segmenten en doelgroepen de projectorganisatie zich het best kan richten, met het oog op zowel de omliggende gebieden als de stedelijke opgaven. We zien daarnaast incidenteel voorbeelden van een aanpak op maat in de stedenbouwkundige plannen en investeringsnota’s.

Ten slotte is het onduidelijk hoe kaders tot stand zijn gekomen. De besluitvorming over de maatregelen als de 40-40-20-regel voor nieuwbouw en de ondergrens van 45% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad van gebieden, is niet navolgbaar. Het zijn bestuurlijke beslissingen geweest waarop Wonen en G&O geen zichtbare invloed hebben gehad. Welke afwegingen er zijn gemaakt om tot juist deze percentages - en niet tot
andere - te komen, zijn niet bekend.

Het is onduidelijk hoe de veronderstellingen over de positieve werking van gemengdheid zijn uitgewerkt in de ambitie van het college. Het is lastig om de relevantie van bepaalde activiteiten voor het verkrijgen en het behouden van een gemengde stad na te gaan. De noodzaak is onvoldoende zichtbaar omdat het inzicht in de (veronderstelde) werking ontbreekt: de onderliggende veronderstelling waarom een ondergrens van 35% (of 45%) sociale huurwoningen goed zou zijn voor een gebied is niet uitgelegd. Er wordt in het ontwikkelbuurtenbeleid een aanname gedaan dat woningdifferentiatie op dat lage schaalniveau zou bijdragen aan het verbeteren van de positie van buurten (en indirect de inwoners ervan). Er wordt niet verwezen naar wetenschappelijke studies over de relaties tussen woningdifferentiatie, buurttevredenheid en leefbaarheid of naar evaluaties van het beleid waaruit dit zou blijken.

Het schaalniveau waarop de doelen worden geformuleerd
Het college is zich bewust van het feit dat de ambities niet als generiek beleid over de stad kunnen worden gelegd. Aangezien de verschillen per gebied groot zijn, wordt het beleid per gebied uitgewerkt. Soms zijn dat stadsdelen, soms wijken of buurten en soms worden er andere indelingen gehanteerd zoals marktdrukgebieden of de 22-gebieden zoals overeengekomen bij de samenwerkingsafspraken met corporaties. Net zomin als bij de te onderscheiden doelgroepen (criteria van menging) is er bij de gehanteerde schaalniveaus ook een goede samenhang te herkennen. Daarbij geldt dat de belangrijkste regel die menging (op huur- of koopomvang en daarmee inkomen) moet bewerkstellingen (40-40-20) niet helder is. Er worden in de verschillende beleidsdocumenten niet alleen afwijkende termen gehanteerd (plangebieden versus projecten) die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, maar ook het afwegingskader voor mogelijk noodzakelijke afwijking van de regel ontbreekt.

In de themastudie Gemengde stad wordt benadrukt dat het doel van een gemengde stad pas bereikt wordt als dat niet alleen op stadsniveau maar ook op lagere schaalniveaus lukt; er zal per gebied en per locatie moeten worden gekeken naar een passend bouwprogramma, waarin gedacht wordt aan de invloed van sociaaleconomische en demografische veranderingen en verschuivingen in het woningmarktbeleid op de verhoudingen tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Dit betekent dat de doelstellingen per gebied of buurt zowel kwantitatief als kwalitatief moeten worden uitgewerkt. De studie doet een voorzet voor de wijze waarop dit in de uitvoering kan worden bereikt: een afwegingskader met daarin een voorstel voor nog te ontwikkelen instrumenten en een informatiepakket op basis waarvan een goed woningbouwadvies kan worden uitgebracht in de planfase (Plaberum) van gebiedsontwikkeling. De themastudie Gemengde stad heeft geen zichtbare plek gekregen in de beleidsdocumenten en is onvoldoende (zichtbaar) geïntegreerd in het werkprocessen van gebiedsontwikkeling (Plaberum).

Monitoring van gemengdheid

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe de gemeente gemengdheid monitort en op welke wijze de inzichten uit de monitoren worden gebruikt bij het evalueren van het gemeentelijk beleid. In paragraaf 6.2 lichten we toe welke aanpak we daarbij volgen. In paragraaf 6.3 bespreken we de rapportages die tot doel hebben om de voortgang van het woonbeleid en stedelijk vernieuwingsbeleid te volgen. In paragraaf 6.4 staan we stil bij andere periodieke rapportages die ook waardevolle beleidsindicatoren kunnen bevatten. En in paragraaf 6.5 doen we dat voor soortgelijke rapportages die meer op een ad-hoc-basis worden opgesteld. We sluiten het hoofdstuk af met een analyse en conclusie in paragraaf 6.6.

We geven daarmee antwoord op deelvraag 2:

Hoe monitort en evalueert de gemeente de gemengdheid van de stad?

Aanpak

De gemeente Amsterdam kent meerdere soorten rapportages waarin indicatoren van gemengdheid aan bod komen. In de bespreking van de rapportages volgen we deze verschillende categorieën.

We hanteren daarbij de volgende onderverdeling:

  1. Allereerst gaan we in op monitoring van het doelbereik binnen afzonderlijke beleidslijnen wonen en stedelijke vernieuwing. Zoals in hoofdstuk 5 over het Amsterdams gemengdheidsbeleid naar voren is gekomen, zijn er afspraken gemaakt over de wijze waarop de voortgang van het beleid wordt gevolgd. In paragraaf 6.2 gaan we in op voortgangsgegevens die als onderdeel van de beleidscycli inzicht geven in de mate waarin de gestelde beleidsdoelen worden bereikt.
  2. Daarnaast zijn er - los van de afzonderlijke beleidscycli - monitoringsrapportages met (overwegend) wat meer statistische informatie die iets vertellen over de demografische ontwikkelingen in de stad. Deze rapportages die vaak met een zekere regelmaat terugkomen, kunnen door beleidsmakers worden gebruikt als input bij beleidsvorming en -evaluatie, bijvoorbeeld om afzonderlijke beleidsdoelen te formuleren, aan te passen én doelbereik te monitoren. Welke gegevens de gemeente daarbij verzamelt, en hoe die worden verwerkt, staat in paragraaf 6.3. In deelparagraaf 6.3.1 beschrijven we hoe enkele (index)scores en indicatoren tot stand komen en hoe bruikbaar deze zijn.
  3. Ten slotte zijn er incidentele rapporten die inzicht geven in de gemengdheid van de stad. Deze komen voornamelijk voort uit een aanvullende informatiebehoefte. Deze rapporten zijn niet te kwalificeren als 'monitoringsrapporten' en worden ook niet met zekere regelmaat opgesteld, maar kunnen eveneens worden gebruikt als input bij beleidsvorming en -evaluatie, bijvoorbeeld om afzonderlijke beleidsdoelen te formuleren, aan te passen én doelbereik te monitoren. In paragraaf 6.4 hebben we dergelijke rapporten beschreven die iets zeggen over de gemengdheid van de stad.

Inzichten in doelbereik gemengdheid

De voortgang van het woonbeleid, de samenwerkingsafspraken en de stedelijke vernieuwing wordt gemonitord en (meestal) gerapporteerd in jaarlijkse voortgangsrapportages. Hier gaan we in op de doelen die rond gemengdheid zijn gesteld, wat er in de monitoren wordt gerapporteerd, en welk beeld dat oplevert over het doelbereik.

Monitoring van het woonbeleid

De voortgang van het woonbeleid wordt geschetst aan de hand van de woningbouwproductie en de woningenvoorraad. We beschrijven de volgende monitoringsdocumenten:

  • de voortgangsrapportages Actieplan Woningbouw (2015, 2016 en 2017);
  • de voortgangsrapportages Koers 2025 (2016, 2017 en 2018);
  • de stand van zaken van het Woningbouwplan 2018-2025 (voorjaar, najaar 2019, en voorjaar 2020-2019);
  • de jaarlijkse monitoringsrapportages van de samenwerkingsafspraken tussen gemeente, AFWC en HA (2015 tot en met 2018).

Wat wordt er gerapporteerd?
De voortgangsrapportages van het Actieplan Woningbouw gaan over de zeven impulsen en 27 acties die zijn vastgesteld om de groei van het aantal woningen voor verschillende doelgroepen en binnen verschillende segmenten te stimuleren.  De voortgangsrapportage over 2017 verwijst naar de implementatie van de dan nieuwe 40-40-20-regel en de ruimte om daarvan af te wijken (spelregel 8 ). Er wordt niet gerefereerd aan de keuze van het college voor gebiedsgericht maatwerk bij woningbouwprogrammering (zoals dat wel in de voortgangsrapportage van 2016 werd gedaan). 

Verantwoording over Koers 2025 wordt afgelegd aan de hand van het aantal woningen dat in de planvoorraad is opgenomen en de status daarvan in het besluitvormingsproces per gebiedsuitwerking. De monitoring van de kleinere particuliere transformaties wordt gedaan door G&O.  Omdat Koers 2025 is gericht op het toevoegen van nieuwe ontwikkellocaties, is er voor de meeste sinds Koers 2025 opgestarte ontwikkellocaties nog geen programmatische invulling voor handen. Sturing op de invulling kan, zoals gesteld in de rapportage, met 'andere middelen' gebeuren. De middelen worden niet toegelicht, maar er wordt in dat opzicht wel verwezen naar acties uit de Woonagenda 2025.  In de gebiedsuitwerkingen en de voortgangsrapportages van 2016, 2017 en 2018 is door ons geen monitor over de programmatische invulling aangetroffen.

De voortgangsrapportage over het Woningbouwplan gaat in op de voortgang van de woningbouwproductie en de planvoorraad, en benoemt specifieke acties die gericht zijn op doelgroepen en woningsegmenten. De monitoren van het Woningbouwplan en het Actieplan  rapporteren op stedelijk niveau en per stadsdeel over het segment dat in aanbouw is genomen: sociale huur in- en exclusief studentenwoningen, middeldure huur, dure huur en koop.

In de monitoring van de samenwerkingsafspraken is er aandacht voor de prestaties op de volgende thema's: de betaalbaarheid, de voorraad, de gemengde wijken en het wijkgericht werken, de productie van nieuwe woningen, de beschikbaarheid van bestaande woningen, de kwaliteit en duurzaamheid van de woningen, de woningen voor doelgroepen en de (financiële) positie van corporaties. Sommige afspraken worden op het niveau van stadsdelen en marktgebieden gemonitord, maar op het schaalniveau van 22-gebieden wordt nauwelijks gerapporteerd. Over de resultaten van de inspanningen voor het realiseren van afspraak 13 (ondergrens voor sociale huurwoningen per gebied) wordt alleen in de monitor Samenwerkingsafspraken 2017 gerapporteerd. In de andere jaren komt dit element niet aan bod.

De (woon)voorraadmonitor
Een belangrijk instrument om te bepalen of de afspraken met corporaties rond gemengdheid worden behaald is de voorraadmonitor. De Woonagenda 2025 uit 2017  meldt dat er wordt gewerkt aan een voorraadmonitor tot 2025 voor elk van de 22-gebieden, die per gebied inzichtelijk maakt hoe de samenstelling van de woningvoorraad verandert. Hiervoor is informatie nodig over bouw, sloop, samenvoegingen, liberalisaties en verkoop in het betreffende gebied. Op basis van deze monitor wil de gemeente maatregelen nemen om te zorgen voor een woningvoorraad die past bij een gemengde stad. Ook moet bij nieuwbouw, verkoop en liberalisatie rekening gehouden worden met de samenstelling van de woningvoorraad binnen een gebied. Het zou een (totaal)overzicht moeten bieden van de ontwikkelingen in de stad. De voorraadmonitor over de 22-gebieden is ons niet beschikbaar gesteld.

Voor de bepaling van het aantal sociale huurwoningen van corporaties wordt vanaf 2015  gebruikgemaakt van de gegevens van AFWC. Bij de samenwerkingsafspraken van juni 2015 werd uitgegaan van het op dat moment bekende, voorlopige aantal zelfstandige sociale huurwoningen in de databank van AFWC op 1 januari 2015; circa 170.000.  Afgesproken wordt dat de databank van AFWC elk jaar gegevens levert, waaruit behalve het totaal aantal sociale huurwoningen van corporaties  ook het percentage sociale huurwoningen voor de 22-gebieden te becijferen is.

In de monitoren is jaarlijks aangegeven welke gebieden onder de 35%-grens zitten. De nieuwe prestatieafspraken (2020-2023) noemen een ondergrens van 45% per gebied, waarin sociale corporatiehuur en gereguleerde particuliere huur zijn samengenomen. Om de ontwikkelingen in de gereguleerde voorraad van particulieren te monitoren wordt vanaf 2017 gebruikgemaakt van WiA-data.  De omvang van particuliere gereguleerde huurwoningen is daarmee niet exact bekend. De aantallen zijn namelijk gebaseerd op de tweejaarlijkse WiA-enquête onder een steekproef van Amsterdammers. De monitoring van het totaal aandeel sociale huurwoningen zal daardoor worden beperkt tot tweejaarlijkse overzichten. De gemeente en AFWC willen daarnaast gegevens hebben over welke corporaties bezit hebben in de gebieden met een aandeel sociale huur onder de 35%. Die informatie is volgens de gemeente essentieel voor gesprekken over de segmentale mix. Hierover wordt in de monitoren niet gerapporteerd.

Welk beeld leveren de 'woonrapportages' op?
Het is op basis van de monitoren uit het woonbeleid niet mogelijk om een helder en compleet beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de gemengdheid van de stad. Dat is ook niet verwonderlijk omdat de ongedeelde stad als ambitie in het woonbeleid secundair is aan de productiedoelstellingen. Het college verwijst in het woonbeleid met name naar de fase van bouwprogrammering als sleutel om een gemengde stad te realiseren. De monitorrapportages van het woonbeleid gaan dan ook niet direct in op de gemaakte keuzes bij programmering die invloed hebben op de mate van gemenigheid. Maar hoewel de woonrapporten uitsluitend aandacht besteden aan de productie-ontwikkelingen  (deze worden per segment, stadsdeel en gebied beschreven) kunnen ze wel een indicatie geven van de veranderingen die de nieuwbouw mogelijk heeft op de mate van gemengdheid. Op basis van de voortgangsrapportages schetsen we in deze paragraaf een beeld van de volgende ontwikkelingen:

  • De productie per segment;
  • De productie per stadsdeel en per segment;
  • De afwijkingen bij de uitvoering van het stedelijke uitgangspunt voor de woningbouw sinds 2017: de 40-40-20-regel;
  • De woninggrootte;
  • De voorraad sociale huurwoningen (per gebied);
  • Aanbiedingen en verkoop van sociale huurwoningen;
  • De impact van externe factoren volgens het college.

Productie naar segment
Hoewel de monitoringsrapportages productieaantallen per segment voor het betreffende jaar tonen, wordt in geen van de rapportages tot 2019 een beeld over meerdere jaren getoond. In de stand van zaken rapportages over het Woningbouwplan in 2019 is dat wel gerapporteerd.  We hebben deze gegevens op een rij gezet in onderstaande tabel. De focus ligt daarbij op de segmenten sociale huur, middeldure huur, dure huur en koop, en daarnaast studenten- en jongerenwoningen als onderdeel van de productie sociale huurwoningen.

Tabel 6.1 - Productie naar segment voor de jaren 2011 tot en met 2018 op basis van verschillende bronnen.
Jaartal% sociale huur (inclusief studenten-woningen)% studentenwoningen / % jongerenwoningen t.o.v. totaal sociale huurwoningen% middel-dure huur% dure huur% koopTotale productie
2011-2014
 
40% 60% /13% 60%
(onderscheid niet gemaakt)
12.039
2015 51%53%/24%16%9%24%8.376
2016 25%50%/6%23%11%40%5.705
2017 35%4%/12%16%24%25%7.264
2018 36%40%/23%13%16%34%8.639
2019 27%56%/8%17%36%20%7.125

In tabel 6.1 valt op dat in 2015 de productie van sociale huurwoningen relatief hoog is. Het jaar daarop ligt het onder het dan geldende streefpercentage van 30%. Er worden in 2016 relatief veel koopwoningen gebouwd, net als in 2018. In 2019 werden opvallend veel dure huurwoningen (huur hoger dan € 1.000) gebouwd en ligt het percentage sociale huurwoningen ook iets onder het dan geldende streefpercentage van 30%.

In alle jaren (met uitzondering van 2017) is een fors deel van de sociale huurwoningen door corporaties en marktpartijen gebouwd als studenten- of jongerenwoning: tussen de 56% en 77%. Voor de periode 2015-2019 is dat gemiddeld 62%: 45% studentenwoningen en 17% jongerenwoningen van alle sociale huurwoningen. In 2015 zijn het vooral marktpartijen die bouwen voor jongeren: ze realiseren 1.003 jongerenwoningen (23% van het totaal). In 2018 zijn het vooral de corporaties die jongerenwoningen bouwen: 576 (18% van het totaal).

Productie naar stadsdeel en segment
In onderstaande figuur is voor de jaren 2011 tot en met 2018  weergegeven hoeveel en welke woningen er per stadsdeel in aanbouw zijn genomen. De monitoringsrapportages bieden geen overzicht van de productie op lagere schaalniveaus. Voor 2015 is geen figuur beschikbaar, maar worden de gegevens onder de figuur beschreven. De figuur voor 2019 volgt daarna.

Figuur 6.1 - Productie woningen tussen 2011 en 2018 

In de Voortgangsrapportage over 2015 zijn geen uitsplitsingen van de productie naar stadsdelen gemaakt.  Er wordt in dat jaar wel gerefereerd aan wat wenselijk is om gemengde wijken te realiseren. In de rapportage staat dat de stadsdelen Oost, Nieuw-West en Zuidoost graag willen bouwen voor andere doelgroepen dan studenten en jongeren, om de jongeren te laten doorstromen en ze te binden aan gemengde wijken. Het college ziet de huisvesting van studenten als strategie om stedelijke vernieuwing en gebiedstransformatie te helpen realiseren. 

Figuur 6.2 – Start bouw woningen 2019

In 2019 wordt het meest gebouwd in stadsdeel Noord (2.089 woningen). In stadsdeel West wordt zeer weinig gebouwd (69 woningen). In stadsdelen Noord, Centrum en West werd naar verhouding (vrijwel) geen middeldure huur gebouwd. Alleen in stadsdeel Zuidoost was het aandeel middeldure huur fors (62%). In stadsdelen Noord, Nieuw-West en West werd meer dan 30% sociale huurwoningen gebouwd. In de andere stadsdelen lagen deze percentages ruim onder het streefpercentage van 30% (stadsdeel Centrum was 13%, stadsdeel Zuid 6%, en stadsdeel Zuidoost 3%). 

Uit de cijfers valt een aantal zaken op:

  • Er zijn grote verschillen tussen stadsdelen te zien in absolute productieaantallen en de verdeling van de productie naar segment, tussen 2011 en 2019.  Dat constateert het college ook zelf in 2015.  In 2018 en 2019 zijn de verdelingen van te bouwen segmenten tussen stadsdelen sterk uiteenlopend.
  • Ruim een kwart van de nieuwe woningen tussen 2011 en 2019 is gebouwd in stadsdeel Oost (27%). Daarna volgen Noord (20%), Nieuw-West (18%), en West (14%). Relatief weinig woningen zijn gebouwd in Zuidoost (8%), Zuid (7%) en Centrum (6%). 
  • In stadsdeel Zuidoost is in vergelijking met de andere stadsdelen tot 2017 weinig gebouwd. De productie is daar na 2017 relatief hoger en wordt in 2018 vooral gekenmerkt door studentenwoningen en in 2019 door middeldure en dure huurwoningen.
  • Gedurende de gehele periode wordt er in stadsdeel Centrum zeer beperkt sociale huur  gebouwd, en in de andere stadsdelen verschilt dat per jaar. In 2018 en 2019 worden ook in stadsdeel Centrum sociale huurwoningen in aanbouw genomen.
  • In de stadsdelen Oost, Nieuw-West en Zuidoost zijn in de periode voor de rapportage (2015) veel woningen voor studenten en jongeren in aanbouw genomen. Deze stadsdelen willen graag bouwen voor ander doelgroepen, zodat ook de jongeren daar kunnen doorstromen en ze te binden aan gemengde wijken. In de rapportage wordt niet ingegaan op of er aan deze behoefte kan worden voldaan, en zo ja, hoe. 

Afwijken van het uitgangspunt 40-40-20
In de staf van de wethouder Wonen is afgesproken dat als de 40-40-20-regel voor een bepaald gebied geldt, het bij particuliere gebouwtransformaties toegestaan is om binnen dat gebied (per individueel gebouw/kavel) af te wijken, zolang het op gebiedsniveau binnen de 40-40-20-verhoudingen valt.  Hieruit kan worden afgeleid dat voor de toepassing van de regel bij transformatieprojecten niet gekozen is voor het niveau van project, maar voor het gebied.

Het college heeft in de voortgangsrapportage over het Woningbouwplan aangegeven vanaf het najaar van 2019 elk half jaar te rapporteren over de toepassing van de bevoegdheid om af te wijken van de 40-40-20-regel bij particuliere transformaties.  In de Voortgangsrapportages over het Woningbouwplan, najaar 2019 en voorjaar 2020 staat een toelichting op de afwijkingen op de 40-40-20-regel bij particuliere transformaties. Deze informatie is summier en er wordt geen heldere toelichting op de afwijkingen gegeven. 

De toepassing van de 40-40-20-regel op zowel projectgebieden als transformatieprojecten, en de afwijkingen daarop, worden besproken in de staf. Er is op verzoek van de wethouder Wonen begin 2018 eenmalig een totaaloverzicht met toelichting per project opgesteld (in de vorm van een Excelbestand). Andere (recentere) totaaloverzichten hebben we niet ontvangen. Over de afwijkingen in projectgebieden (over nieuwbouw) wordt voor zover ons bekend niet gerapporteerd. Uit dit overzicht  blijkt dat tussen juni 2017 en december 2017 in veertien gevallen op gebieds- en gebouwniveau is besloten af te wijken van de 40-40-20-regel. De directeur Grond en Ontwikkeling heeft binnen het stedelijk kader voor particuliere transformaties het mandaat om af te wijken en voert dat mandaat uit in samenwerking met de wethouder Bouwen (transformatie).  Er is in de afwijkingsbesluiten in het overzicht geen duidelijke trend te herkennen in de overeengekomen verhoudingen tussen segmenten. Wel is aangegeven wie de afwijkingsbesluiten heeft genomen:

  • drie besluiten over gebieden zijn door de raad genomen;
  • drie besluiten over gebieden en particuliere transformaties zijn in de projectenstaf genomen door de wethouder Wonen en de wethouder Grond en Ontwikkeling;
  • acht besluiten over particuliere transformaties zijn genomen door de directeur Grond en Ontwikkeling.

Het overzicht bevat daarnaast informatie over de projecten waarin nog onderhandelingen lopen. In vijftien gevallen is er nog niets bekend over een eventuele afwijking van de 40-40-20-regel. In acht gevallen wordt het stedelijke uitgangspunt van 40-40-20 onderzocht, of (zoveel mogelijk) opgevolgd. In de meeste gevallen wordt niet vermeld om hoeveel woningen het in een project gaat. Dat maakt het onmogelijk iets te zeggen over de effecten van de afwijkingen op verschillende niveaus. Daarnaast blijkt het om een eenmalige rapportage te gaan. Een recenter totaaloverzicht met toelichting is tot op heden niet opgesteld.

Woninggrootte
Het college schetste in het Woningbouwplan als effect van de 40-40-20-regel en de marktomstandigheden dat er (ten opzichte van de oude regel 30-70) relatief veel kleine woningen komen.  Over het jaar 2016 is er ook per stadsdeel weergegeven welke aantallen woningen er in aanbouw zijn genomen, uitgesplitst naar woninggrootte en het aantal kamers.  Over de woninggrootte van de in 2017 in aanbouw genomen woningen is niet gerapporteerd.  De verdeling van de gebruiksoppervlakte naar segmenten van de in 2018 in aanbouw genomen woningen is daarentegen wel beschreven. Uit deze beschrijving blijkt onder meer dat het gemiddelde oppervlakte van de in aanbouw genomen woningen is gedaald van 68 m2 naar 60 m2.  Mogelijk is dit het gevolg van het grote aandeel studenten- en jongerenwoningen in de productie van sociale huurwoningen.

De voorraad sociale huurwoningen
Een voorraadmonitor waarin de voorraad van corporaties per gebied wordt weergegeven, is niet terug te vinden in de door ons onderzochte rapportages. Wel valt uit de rapportages af te leiden dat de acht gebieden met een aandeel sociale huurwoningen onder de 35% (tussen 2015 en 2018) constant blijven. Zij worden genoemd, maar verdere informatie over de exacte percentages en de ontwikkelingen daarin ontbreekt. Dat geldt overigens voor alle 22-gebieden.

We hebben daarom andere bronnen gebruikt om een overzicht te maken van de ontwikkeling in sociale huurwoningen per gebied tussen 2013 en 2019. Wij hebben voor de jaren 2013 en 2015 gebruikgemaakt van de voortgangsrapportages over de samenwerkingsafspraken.  Voor 2017, 2018 en 2019 hebben we gebruikgemaakt van de OIS-publicaties Stadsdelen in cijfers. Deze bevatten onder meer overzichten van de woningvoorraad naar eigendom.  Het totaalaandeel aan sociale huurwoningen is daarin niet weergegeven. De twee meest recente publicaties over 2018 en 2019 bevatten wel cijfers over het aantal sociale huurwoningen, maar alleen die van corporaties.  Deze cijfers geven gezamenlijk een indicatie van de ontwikkelingen tussen 2013 en 2019. De percentages in het rood geven de gebieden weer waar het aandeel sociale huurwoningen van corporaties onder het streven van 35% ligt.

Tabel 6.2 - Percentages sociale huurwoningen van corporaties per gebied
Gebied2013 2015 2017 2018 2019 
C-Centrum West28%25%30%28%28%
C-Centrum Oost32%28%34%31%31%
N-Oost56%49%53%43%45%
N-Oud-Noord74%72%70%63%62%
N-West59%58%60%51%55%
NW-De Aker/
Nieuw-Sloten
24%22%25%20% 22% 
NW-Osdorp58%50%55%49%49%
NW-Slotermeer/ Geuzenveld67%63%67%57% 57% 
NW-Slotervaart50%42%46%42%42%
O-IJburg/Eiland Zeeburg31%33%36%29%30%
O-Indische Buurt/ Oostelijk Havengebied50%45%51%43%44%
O-Oud-Oost57%52%54%51%51%
O-Watergraafsmeer43%48%36%37%37%
W-Bos en Lommer49%46%47%43%40%
W-Oud-West/
De Baarsjes
33%31%33%31%31%
W-Westerpark52%49%49%46%44%
Z-Buitenveldert/Zuidas28%25%24%20%20%
Z-De Pijp/Rivierenbuurt35%33%35%32%32%
Z-Noord-West/Noord- Midden (Oud Zuid)21%18%19% 17%18%
ZO-Bijlmer Centrum68%63%59%55%55%
ZO-Bijlmer Oost55%55%56%49%50%
ZO-Gaasperdam/ Driemond55%51%55%49%51%
Totaal44%41%39%39%39%

Uit de tabel blijkt dat de acht gebieden waar in 2013 minder dan 35% sociale corporatiehuur was, ook begin 2019 nog onder de 35% zitten. Dat beeld komt overeen met de monitoringsrapporten van de samenwerkingsafspraken. Maar uit de tabel blijkt nog meer. In het gebied Buitenveldert/Zuidas in stadsdeel Zuid is het percentage verder gedaald, van 28% in 2013 naar 20% in 2017, 2018 en 2019. In De Aker en Nieuw-Sloten, Oud-West/De Baarsjes, de Pijp/Rivierenbuurt en Oud-Zuid is het aandeel (met 2%-of-3%-procentpunt) licht gedaald. Alleen in de drie gebieden Centrum-West, Centrum-Oost, IJburg/Zeeburgereiland is het percentage vrijwel gelijk gebleven. Het percentage sociale huurwoningen van de corporaties is in géén van de acht gebieden gestegen.

Over 2017 wordt in de monitor van de samenwerkingsafspraken voor het eerst gerapporteerd over het aandeel particuliere sociale huurwoningen, op basis van WiA-data. Per 1 januari 2017 zijn er 56.600 sociale (huur < € 710,68) particuliere huurwoningen. Twee jaar eerder waren dat er meer: 60.500. In de monitor valt te lezen dat de afname van het gereguleerde segment van particuliere verhuurders minder hard gaat dan verwacht, onder meer omdat er door particuliere verhuurders ook gereguleerde huurwoningen, veelal voor studenten en jongeren, zijn bijgebouwd.  Een uitsplitsing naar gebied wordt niet gegeven. Er zijn hiernaast aparte afspraken over het minimum van 47.000 corporatiehuurwoningen in marktgebied 1. Het aantal woningen in dit marktgebied blijft tot 1 januari 2018 hierboven. De afspraken gaan over het geheel van de stadsdelen Centrum en Zuid en de gebieden Oud-West, Oostelijk Havengebied, Overhoeks en Houthavens. Er wordt slechts één indicator voor het hele gebied gebruikt. Daarmee is niet te volgen wat er in elk gebied afzonderlijk gebeurt.

Aanbiedingen en verkoop van sociale huurwoningen
Het afgesproken minimum van 50% aanbiedingen onder de hoogste aftoppingsgrens werd gehaald.  Vanaf 2015 wordt het minimum 75% en geldt het voor de lage en hoge aftoppingsgrens per stadsdeel (als afspraak 1b). In 2016 loopt het aandeel verhuringen onder de aftoppingsgrenzen uiteen van 71% in stadsdeel Centrum tot 91% in stadsdeel Zuidoost.  Over 2017 wordt geconstateerd dat in Nieuw-West en Zuidoost in 2017 relatief veel woningen onder de aftoppingsgrenzen worden verhuurd (respectievelijk 90% en 95%), waardoor er een verhoudingsgewijs hogere instroom is van huishoudens met lage inkomens.  In 2018 worden er in Zuidoost (94%), Nieuw-West (90%), Oost (89%) en Noord (88%) relatief veel woningen onder de aftoppingsgrenzen verhuurd.

Over de aanbiedingen van sociale huurwoningen aan specifieke doelgroepen (reguliere woningzoekende, SV-urgenten en kwetsbare groepen) wordt alleen op stedelijk niveau gerapporteerd. Deze monitoren geven naar onze mening weinig informatie over de mate waarin gemengdheid wordt behaald.

Na de besprekingen over de menging in de 22-gebieden hebben de corporaties in april 2017 aangegeven hun verkopen te matigen tot maximaal gemiddeld 1.200 per jaar en de liberalisaties te verlagen tot maximaal gemiddeld 500 per jaar.  In de monitor van 2017 staat dat dit ook is gebeurd, maar als we kijken naar de resultaten bij afspraak 7 is daar geen informatie te vinden over de verkochte en geliberaliseerde woningen in de betreffende gebieden waar het aandeel sociale huur onder de 35% ligt. Per stadsdeel is weergegeven hoeveel sociale corporatiewoningen zijn verkocht in 2017 (totaal 757). Het aantal liberalisaties (298) is uitsluitend voor de gehele stad gegeven.  In 2018 zijn er 775 verkocht en 210 geliberaliseerd.    De monitoring vinden we daarom niet volledig en inzichtelijk genoeg om iets over de mate van gemengdheid te kunnen zeggen.

Over de recent gebouwde wijken waar de gemeente veel invloed op de programmering heeft gehad (IJburg en de Aker) merkt AFWC op dat het percentage sociale huurwoningen van de corporaties dat is gerealiseerd, onder de 35% ligt. Het is in deze relatief nieuwe gebieden dus niet gelukt het gewenste niveau van differentiatie te bereiken in de woningvoorraad. Dat is volgens AFWC opmerkelijk omdat de ‘maakbaarheid’ in die buurten het grootst was. 

Monitoring van stedelijke vernieuwing

In deze paragraaf beschrijven we de voortgangsrapportages die in het kader van de stedelijke vernieuwing zijn opgesteld. Hiertoe zijn de volgende documenten bekeken:

  • De monitor MOP: eindrapportage van de monitor ISV-3 (2018). De monitor betreft de periode 2010-2014.
  • De Eindrapportage monitor van de Focusaanpak HSV (2017). De uitkomsten beslaan de periode tussen 2012 en 2015.
  • Ontwikkelbuurten: eerste lessen en aanbevelingen. HvA Urban Management, Fieldlab Inclusieve gebiedsontwikkeling. Project Strategische Ontwikkelbuurten (2019).
  • Rapportage Ontwikkelbuurten 2019 (2020). Eerste jaarrapportage over de 32 ontwikkelbuurten.

Wat wordt er gerapporteerd?
In 2018 wordt gerapporteerd over realisatie van de doelen zoals die in het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma van ISV-III (2010-2014) waren gesteld. De uitkomsten zijn overwegend op geaggregeerd niveau beschreven en niet voor elk van de 21 vernieuwingsgebieden afzonderlijk. Bij doel 2 is het totaal aantal doelgroepwoningen als onderdeel van de nieuwbouwwoningen weergegeven. Bij doel 3 is de segmentale verdeling per (geaggregeerd) stedelijk vernieuwingsgebied weergegeven.  Omdat de bestedingen tot op het moment van de eindrapportage doorlopen, is ervoor gekozen om het meest recente meetmoment tegenover de 0-meting te zetten.  Het gegeven doelbereik is een indicatie. Het gaat in de eerste plaats om de bruto-effecten, waarop ook andere factoren invloed hebben uitgeoefend, zoals vertragende effecten van de economische crisis op de stedelijke vernieuwingsprojecten. Daarnaast speelt een rol dat de gegevens die tijdens de 0-meting zijn verzameld, niet altijd goed te vergelijken zijn met de gegevens die voor de eindrapportage zijn gebruikt. Sommige doelgroepwoningen zijn bijvoorbeeld niet meer apart te herleiden.  Daarnaast is de ontwikkeling van de differentiatie van de woningvoorraad niet exact te meten omdat de definitie van de woningvoorraad is veranderd en de enquêtegegevens van de woningvoorraad niet goed bruikbaar zijn voor rapportage op het schaalniveau van deze gebieden. 

De eindrapportage over de focusaanpak bespreekt het doelbereik in alle acht focusgebieden: de verbetering van de leefkwaliteit en de sociaaleconomische positie van de bewoners. De focusaanpak is gemonitord door te kijken naar de output, de netto-effecten en de bruto-effecten van het beleid (inclusief externe factoren). De output gaat over de uitgevoerde acties; de netto-effecten worden vastgesteld aan de hand van het beeld van wat de bewoners op de korte termijn merken van de aanpak in de wijk; en de bruto-effecten worden vastgesteld met de outcome monitor die de ontwikkeling van de focusgebieden beschrijft aan de hand van de leefkwaliteit en de sociaaleconomische positie van buurten. Er is daarnaast gerapporteerd over de resultaten van de inspanningen op de bestuurlijke doelstellingen die de stadsdelen aanvullend voor de focusaanpak hebben vastgesteld. 

Over de voortgang van het actuele stedelijke vernieuwingsbeleid, de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten, is in 2020 de eerste gemeentelijke rapportage beschikbaar gekomen. We hebben deze en de tussenrapportage bekeken die is opgesteld door een partner van de gemeente: Urban Management van de Hogeschool van Amsterdam. Urban Management heeft actie-onderzoek uitgevoerd met een focus op bewonersparticipatie in elke fase van de planvorming in de ontwikkelbuurten. In de tussenrapportage is beschreven hoe dat proces loopt en welke aanknopingspunten er zijn om dat proces te verbeteren. In de jaarrapportage wordt ingegaan op de koppeling van stedelijke ontwikkelingsgebieden aan strategische buurtontwikkeling. Bij elk van de 32 ontwikkelbuurten is beschreven welke acties zijn uitgevoerd gericht op het aangaan van verbindingen met omliggende buurten. De rapportage vermeldt dat eind 2019 voor 21 buurten verkenningen van kansen (ook wel bekend als principenota’s) zijn vastgesteld. De verkenningen vormen het uitgangspunt voor de aanpak in de buurt. Hierin zijn zowel de gebiedsontwikkelingsopgave als de sociale opgave voor de buurt opgenomen. Deze verkenningen van kansen worden vervolgens geconcretiseerd in jaarlijkse werkplannen. Daarbij wordt extra aandacht gegeven aan de kenmerkende prioriteiten van elke buurt.  Bij drie van de 32 ontwikkelbuurten wordt expliciet gemaakt dat er woningdifferentiatie plaatsvindt door het toevoegen van middeldure en vrije sector woningen.  Bij de Venserpolder wordt daarnaast geschreven dat wordt uitgegaan van een verdeling die passend is bij de omgeving en bij het woonadvies van Wonen. Bij de andere 29 ontwikkelbuurten is de gebiedsontwikkeling (nog) niet verkend. Bij de Molenwijk (en uiteraard bij IJplein-Vogelbuurt) wordt gerefereerd aan het programma de Ongedeelde Wijk, waarmee de gemeente ‘tegenstellingen en tweedelingen binnen en tussen buurten tegengaan’.

Welk beeld leveren de rapportages over de ontwikkelbuurten op?

In de eindrapportage over de gehele ISV-III-periode wordt stilgestaan bij de mate waarin de doelstellingen rondom gemengdheid worden behaald:

  • Doel 2: het streven om doelgroepwoningen te bouwen (van het ISV-III budget) is niet gehaald. Er zijn wel doelgroepwoningen gerealiseerd, maar het percentage is in de loop van de tijd verder afgenomen, terwijl het streven was dat het op zijn minst gelijk zou blijven.
  • Doel 3: de differentiatie van de woningvoorraad is niet geheel gehaald. In een deel van de stedelijke vernieuwingsgebieden zijn de segmenten duurdere huur (huur boven de liberalisatiegrens) en/of koop naar verhouding toegenomen.  Met name in stadsdeel Oost is er een afname van huurwoningen onder de liberalisatiegrens, en een toename in koop en duurdere huur. Maar ook in gebieden in West, Nieuw-West, Noord en Zuidoost is het aandeel duurdere huur en koop toegenomen. In heel Amsterdam is de gewenste percentuele toename van 5% of meer huurwoningen boven de liberalisatiegrens behaald, van koopwoningen niet. In de eerste jaarrapportage over de ontwikkelbuurten is geen informatie opgenomen over de differentiatie van de woningvoorraad. Deze manier om tot menging te komen wordt in de voortgangsrapportage ook niet expliciet herhaald. Verdichting en transformatie worden summier benoemd.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de veranderingen in de samenstelling van de woningvoorraad tussen 2009 en 2015 in de stedelijke vernieuwingsgebieden.

Tabel 6.3 - Verandering samenstelling woningvoorraad 2009-2015, afgerond op hele cijfers 
Stedelijke vernieuwingsgebieden naar stadsdeelHuur onder liberalisatiegrensHuur boven liberalisatiegrensKoop
West   
Spaarndammerbuurt/Zeeheldenbuurt-13%6%7%
Fannius Scholtenbuurt-3%4%-1%
Landlust-11%6%4%
Kolenkit/Robert Scottbuurt-3%4%-1%
Chassébuurt-25%18%7%
Orteliusbuurt-12%10%2%
Nieuw-West   
Slotermeer Noord-3%-1%4%
Slotermeer-Zuid/Buurt 5/Noordoever3%3%-6%
Geuzenveld Zuid-7%5%1%
Buurt 9-18%10%8%
Osdorp Centrum/Meer en
Oever/Wildemanbuurt
-8%6%2%
Overtoomse Veld/Slotervaart/Delflandplein-19%9%11%
Oost   
Oosterparkbuurt-24%5%19%
Dapperbuurt-6%6%0%
Transvaalbuurt-12%6%7%
Indische Buurt West-18%10%9%
Indische Buurt Oost-15%5%10%
Noord   
Waterlandpleinbuurt-9%5%4%
Banne Buiksloot-22%17%5%
Zuidoost   
Bijlmer-2%3%-1%
Amsterdam totaal-8%6%2%

Hoewel in de focusaanpak de ongedeelde stad het uitgangspunt is, vormt gemengdheid sinds 2012 geen doel meer in de stedelijke vernieuwing. In de monitor van de focusaanpak wordt dan ook niet ingegaan op hoe de activiteiten gericht op het verbeteren van de leefbaarheid en de sociaaleconomische positie van bewoners hebben bijgedragen aan een ongedeelde stad. Er wordt slechts één keer aan gerefereerd: de toename in de diversiteit in de bevolkingssamenstelling van de Kolenkit heeft eraan bijgedragen dat bewoners de wijk als beter hebben beoordeeld. 

De tussenrapportage over de bestuursopdracht ontwikkelbuurten geeft geen inzicht in de (voorlopige) resultaten van de aanpak maar maakt wel duidelijk hoe het proces van bewonersparticipatie is georganiseerd en wordt uitgevoerd. De zogeheten planteams voeren verschillende taken uit: een projectmanager is verantwoordelijk voor de planvorming gericht op de langjarige verdichtingsopgave en de projectassistenten houden zich bezig met de bewonersparticipatie en de kortcyclische investeringen in de openbare ruimte. In de meeste teams is de gebiedsmakelaar ook aangesloten. De zeggenschap van bewoners in de verdichtingsopgave wordt gezien als kernelement van de aanpak. De investeringen in de buurten moeten eraan bijdragen dat de positie van de huidige bewoners verbetert. Maar het invullen van de zeggenschap van bewoners lukt nog niet altijd goed: er wordt een kloof geconstateerd tussen de beleidsmatige ambitie om bewoners te betrekken en de werkelijkheid. Bijvoorbeeld over de soms tegengestelde belangen "Projectmanagers gaan de buurt in met een professionele opdracht. Deze hangt tot nu toe sterk samen met de fysieke verbetering van woningen en openbare ruimten. Bewoners kijken echter veel breder naar hun woonomgeving." De vernieuwingsopgave kan zorgen met zich meebrengen waardoor de dialoog verstoord kan raken, bijvoorbeeld over de komst van nieuwe groepen mensen die het karakter van een buurt veranderen. De rapportage maakt ook duidelijk dat de gemeente nog worstelt met de wijze waarop de stem van toekomstige bewoners in een verdichtingslocatie hun plek krijgen. Volgens de HvA zijn innovaties in het planvormingsproces en de verbinding tussen ‘systeem- en leefwereld’ nodig om dit proces goed in te kunnen richten. 

Periodieke rapporten over bevolkingssamenstelling

In deze paragraaf beschrijven we welke informatie – afzonderlijk van de beleidscyclus – periodiek door de gemeente over de gemengdheid van de stad wordt verzameld en in hoeverre dat inzicht geeft. We kijken daarbij specifiek of de gemeente de uitkomsten op meerdere schaalniveaus in beeld brengt, en zo ja, of eventuele verschillen worden geduid.

Deze statistieken geven een beeld van de bevolkingssamenstelling in (delen van) de stad, en de ontwikkeling daarvan:

  • Amsterdam en stadsdelen in cijfers en de bevolkingsprognose (jaarlijks);
  • De Staat van de stad (tweejaarlijks);
  • De Diversiteitsmonitor ((half)jaarlijks);
  • De Armoedemonitor (jaarlijks);
  • De dashboards Kerncijfers en Gebied in beeld.

Amsterdam en stadsdelen in cijfers
OIS presenteert jaarlijks een aantal statistische basisgegevens over de stad: Amsterdam in cijfers, Stadsdelen in cijfers en de bevolkingsprognose. Hierin is op verschillende ruimtelijke niveaus informatie opgenomen over onder meer de bevolking en de woningvoorraad. Relevante ontwikkelingen worden kort beschreven. Zo is in het laatste Jaarboek 2019 (cijfers over 2018) toegelicht dat de stad per 1 januari 2019 in totaal 862.987 inwoners telde, bijna 8.700 meer dan een jaar eerder. Opvallend is dat de bevolking de laatste jaren voornamelijk groeit door de buitenlandse migratie. De binnenlandse migratie zorgt juist voor krimp: meer Amsterdammers verlieten de stad voor een andere woonplaats in Nederland, dan andersom. Dit vertrekoverschot neemt de laatste jaren steeds meer toe. In 2018 was het binnenlands vertrek hoger dan ooit tevoren: bijna 47.000 Amsterdammers verlieten de stad. Daar kwamen 34.000 nieuwe Amsterdammers voor in de plaats die zich vanuit Nederland in Amsterdam vestigden. Per saldo daalt het inwonersaantal dus met 13.000 door binnenlands vertrek. In het jaarboek valt te lezen dat het met name jonge gezinnen zijn die de stad verlaten en dat de migratie vooral voor een toename van het aantal twintigers in de stad zorgt.  Op het gebied van de woningenvoorraad wordt in het Jaarboek 2019 aangegeven dat Amsterdam 132.000 koopwoningen, 180.000 corporatiewoningen en 129.000 particuliere huurwoningen telt. Ten opzichte van 2018 is de particuliere huurvoorraad gegroeid (+6.000) en ook het aantal eigenaar-bewoners nam toe (+4.000). Het aantal corporatiewoningen nam licht af (-1.500). 

De bevolkingsprognose bevat aannames over de bevolking op stads- en wijkniveau.  De publicatie Stadsdelen in cijfers bevat cijfermatige informatie op het niveau van de 99 wijken en de 22-gebieden in de stad. Per wijk is weergegeven hoe de bevolking is samengesteld op de kenmerken leeftijd, huishoudenstype, migratieachtergrond, woonduur op het adres en vestigingsduur in de stad. Enkele kaarten geven daarnaast een visueel overzicht van de gemengdheid van de stad op basis van de dimensies leeftijd (kinderen en ouderen), niet-westerse migratieachtergrond en woonduur per wijk. Zo wonen bijvoorbeeld op IJburg relatief veel kinderen (32,4% en 34,8% van de bevolking in respectievelijk IJburg-West en IJburg-Zuid, stand op 1 januari 2018) en de gemiddelde woonduur is het hoogst in Noord-West (12 en 13 jaar in respectievelijk Oostzanerwerf en Kadoelen) en Gaasperdam-Driemond (12 jaar in Gein, 15 jaar in Driemond). De publicatie biedt geen verdere duiding bij deze gegevens.

De Staat van de Stad
In De Staat van de Stad worden tweejaarlijks gegevens bijeengebracht over de sociaal-culturele ontwikkeling van Amsterdam en haar bewoners. De rapportage richt zich met name op participatie en leefbaarheid, maar behandelt ook daaraan gerelateerde demografische en woningmarktontwikkelingen. De gegevens komen meestal uit andere monitoren, zoals het WiA-onderzoek en de Armoedemonitor, en vormen vervolgens zelf weer een basis voor onder meer de Diversiteitsmonitor. In De Staat van de Stad zijn ook gegevens en kaartjes opgenomen waarmee de gemengdheid van de stad kan worden bekeken: zoals het aandeel huishoudens met een laag inkomen per gebied.  Bijvoorbeeld in Volewijck en de Van Galenbuurt is dat aandeel veel hoger dan gemiddeld.

De Diversiteitsmonitor
De Diversiteitsmonitor die ook door OIS  wordt uitgegeven, gaat in op de mate van participatie, gelijke kansen en de leefsituatie, en maakt daarin onderscheid naar geslacht, opleidingsniveau, migratieachtergrond en leeftijd. Inkomens- en werkindicatoren worden gebruikt om verschillen in de structurele participatie tussen stadsdelen en gebieden te laten zien.  In 2016 bracht OIS over diversiteit een factsheet uit, waarin de bevolking naar herkomst (migratieachtergrond) per wijk in beeld is gebracht.  De monitor laat zien dat inwoners uit Nieuw-West, Noord en Zuidoost vaker dan gemiddeld in Amsterdam werkloos zijn en een laag persoonlijk inkomen hebben. Een lager dan gemiddeld persoonlijk inkomen komt vaker voor in de gebieden Bos en Lommer, Geuzenveld-Slotermeer-Sloterdijk, Osdorp, Slotervaart, Oud-Oost, Watergraafsmeer, Oud-Noord, Noord-Oost, Bijlmer-Centrum en Bijlmer-Oost. 

De armoedemonitor
Een specifieke focus op de verdeling van huishoudens en personen met een laag inkomen over stadsdelen en buurtcombinaties is te zien in de OIS-monitor Lage inkomens in Amsterdam.  Zo had in 2012 een kwart van de huishoudens in Zuidoost een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum (WSM) en 30% een inkomen tot 120% WSM. In Zuid had 16% van de huishoudens een inkomen tot 110% WSM en 19% van de huishoudens een inkomen tot 120% WSM. Drie buurtcombinaties hebben met een aandeel van 35% veel meer minimahuishoudens dan gemiddeld: Volewijck in Noord, De Kolenkit in West en Bijlmer-Centrum in Zuidoost. In deze monitor is daarnaast beschreven dat de verschillen tussen stadsdelen groter zijn geworden tussen 2005 en 2012.  Het aandeel huishoudens dat drie achtereenvolgende jaren een inkomen tot 110% WSM had, is ongelijk verdeeld over de stad.  In absolute aantallen wonen de meeste huishoudens met een laag inkomen in West, relatief wonen de meeste huishoudens met een laag inkomen in Zuidoost. Drie buurtcombinaties hebben veel meer jongeren in huishoudens met een inkomen tot 120% WSM dan gemiddeld: Kolenkit (43%) en de Van Galenbuurt (41%) in West, en IJplein/Vogelbuurt (42%) in Noord.

De dashboards kerncijfers en Gebied in beeld
Een groot deel van de hierboven beschreven informatie is ook opgenomen in het Dashboard met de kerncijfers over de bevolking van Amsterdam, verdeeld over vier jaren.  Daarnaast maakt OIS de gebiedsanalyses als onderdeel van het gebiedsgericht werken inzichtelijk via het dashboard Gebied in Beeld.  Daar staat informatie op buurtniveau, en indien beschikbaar ook op wijk- en gebiedsniveau. Het maakt voor acht thema’s (en vele onderliggende indicatoren) ontwikkelingen en verschillen zichtbaar, bijvoorbeeld de sociaaleconomische statusscore, en de kwetsbaarheidsscore.

Andere thematische inzichten
De gemeente inventariseert behalve de statistische basisgegevens ook meer inhoudelijke inzichten die iets zeggen over de verhoudingen in de samenleving en de leefbaarheid van buurten, zoals de spanningenindex, de sociale cohesiescore, en de buurttevredenheid. Deze gegevens zijn vooral gebaseerd op de mening of ervaringen van Amsterdammers zelf. Het tweejaarlijkse Wonen in Amsterdam-onderzoek (WiA) is voor het woonbeleid een van de belangrijkste instrumenten voor informatie over de woningen in Amsterdam, de leefbaarheid van wijken en buurten en de tevredenheid en woonwensen van Amsterdammers. 

De mening van Amsterdammers over gemengdheid is drie keer door de gemeente gevraagd

In 2005, 2007 en 2009 is op initiatief van AFWC  aan Amsterdammers gevraagd naar de beleving en de tevredenheid met de gemengdheid van de buurt.  In de meting van 2005 werd nog geen uitsplitsing naar kenmerken gemaakt, in 2007 en 2009 is wel gevraagd naar gemengdheid op basis van leeftijd, leefstijl, inkomen en migratieachtergrond.  Hieruit blijkt dat het verband tussen de ervaren mate van gemengdheid en de tevredenheid daarmee niet eenduidig is. Voor een deel van de buurten lijkt de mate van menging weinig verband te houden met de tevredenheid over de menging. Ongeacht of men de buurt nu gemengd vindt of niet, men is er tevreden mee. In andere buurten lijkt menging er wel toe te doen: hoe gemengder de buurt, hoe groter de tevredenheid.  Om meer duidelijkheid in dit verband te brengen is de tevredenheid van de bewoners over de menging uitgezet tegen een objectieve schaal van menging. Aan de hand van de heterogeniteitsindex is gekeken naar het verband op basis van herkomstgroepen.  Tot een indexcijfer van 0,70 is men in het algemeen tevreden met de menging. Dit komt overeen met een gelijke verhouding autochtonen en allochtonen. Buurten waar autochtonen een meerderheid vormen, liggen rond een rapportcijfer 7. Wordt de buurt heterogener dan dat, dan neemt de tevredenheid over de menging af, richting een 6. Verder bleek dat mensen tevreden waren in gemengde en homogene buurten waar de leefbaarheid ook hoog was. Wat mensen zo’n tien jaar geleden gemengde buurten vonden, waren de buurten in de 19e-eeuwse gordel, zoals de Staatsliedenbuurt, Da Costabuurt maar ook de Oostelijke eilanden (Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg). Dat lijken volgens AFWC nu wijken die gentrificeren. 

Gebruik van specifieke indexen, scores en indicatoren

Om gemengdheid te kunnen beoordelen, gebruiken beleidsadviseurs verschillende constructen als aanwijzing voor gemengdheid, en daarvoor ontwikkelde scores en indicatoren: zoals de sociaaleconomische score, de kwetsbaarheidsscore, en de indicatoren ‘nieuwe stedelingen’, opleidingsniveau en inkomen. Deze indicatoren en scores worden door OIS verzameld en ontwikkeld, samen met diverse organisatieonderdelen waaronder Wonen, Onderwijs, Jeugd en Zorg en OOV. Veel indicatoren staan in het Basis Bestand Gebieden Amsterdam (BBGA), waarin data uit veel verschillende bronnen bij elkaar is gebracht. Hierin staat bijvoorbeeld ook de Gini-coëfficiënt. De adviseurs met wie we tijdens ons onderzoek hebben gesproken, gebruiken de Gini-coëfficiënt voor gemengdheid op basis van inkomen en vermogen.  Het gebruik hiervan hebben wij niet teruggezien in beleidsdocumenten.

Soms gebeurt het ontwikkelen van indicatoren en scores op initiatief van de beleidsadviseurs omdat ze specifieke informatie nodig hebben in de beleidsvoorbereiding of de monitoring ervan. Op initiatief van adviseurs is bijvoorbeeld de sociaaleconomische score ontwikkeld en de kwetsbaarheidsscore. Deze score is ook gebruikt om de resultaten van het programma Ontwikkelbuurten te kunnen monitoren.

De adviseurs gaven een toelichting op de bruikbaarheid van enkele scores en indicatoren:

  • De indicator ‘nieuwe stedelingen’ is niet bruikbaar. Dit zijn mensen van Nederlandse of Westerse komaf die vanaf hun 18e in Amsterdam komen wonen, en niet ouder zijn dan 55. De onderzoeksadviseurs vinden deze definitie niet voldoende inzicht gevend, omdat andere kansrijke groepen over het hoofd worden gezien, bijvoorbeeld niet-westerse jongeren die vanuit andere Nederlandse gemeenten, of vanuit het buitenland, in Amsterdam komen wonen en zich snel ontwikkelen. Bovendien zijn er ook de (succesvolle) kinderen van de oorspronkelijke stedeling en migranten die al in de stad wonen.  Het concept ‘nieuwe stedeling’ wordt daarom door deze adviseurs alleen gebruikt om voor zichzelf een beeld te vormen of om gentrificatie te laten zien.
  • De ontwikkelingen die met de kwetsbaarheidsscore te zien zijn, komen meestal overeen met de zachte informatie van bijvoorbeeld de gebiedsteams.
  • De spanningenindex is een score die is opgebouwd met vragen uit de stedelijke Veiligheidsmonitor. Deze is verdwenen toen de gemeente aansloot bij de landelijke Veiligheidsmonitor. Er is nu minder zicht op de lagere schaalniveaus. De Staat van de Stad monitort dit nog wel, maar dan op een hogere schaalniveau (stadsdelen en gebieden).
  • De sociale cohesiescore is een driejaarsgemiddelde over 2016-2018. De score is beschikbaar op het niveau van de stad, gebieden, wijken en buurten. De adviseurs vinden dit geen goede score omdat het alleen vraagt naar de omgang en netwerken van bewoners met elkaar binnen de buurt, maar sociale netwerken zijn vaak niet buurtgebonden, zoals die van migrantengroepen, of van hoger opgeleiden. 
  • Sociale netwerken van bewoners worden ook in De Staat van de Stad en de Gezondheidsmonitor uitgevraagd, maar dan in een kleinere steekproef, waardoor de cijfers een indicatie geven op gebiedsniveau, maar niet op wijk- en buurtniveau.

Enerzijds zijn de adviseurs met wie wij hebben gesproken dus niet altijd tevreden over de informatiewaarde van de scores en indicatoren, en anderzijds zeggen ze soms onvoldoende zicht te hebben op wat er op wijk- en buurtniveau gebeurt. Die signalen hebben we ook opgevangen in de gesprekken met de gebiedsmakelaars. Zij lieten merken dat ze twijfelen aan de betrouwbaarheid van de WiA-uitkomsten en de andere gegevens die uit schriftelijke enquêtes komen als het gaat om buurten en wijken waarin de laaggeletterdheid hoog is. De gebiedsmakelaars vinden schriftelijke enquêtering niet toegankelijk voor een deel van de bewoners. 

Incidentele rapporten over bevolkingssamenstelling

We beschrijven hier welke informatie – afzonderlijk van de beleidscyclus – incidenteel door de gemeente over de gemengdheid van de stad wordt verzameld en inzichtelijk wordt gemaakt. Zowel onderzoekers bij OIS als andere functionarissen van andere organisatieonderdelen nemen hiertoe het initiatief. Het betreffen studies die verschillende uitgangspunten hanteren en ook verschillen op het gebied van doel, opzet en diepgang. We beschrijven in hoeverre ze kennis en inzichten bieden in de gemengdheid van Amsterdam voor beleidsmakers en –uitvoerders. De inventariserende studies die we hier beschrijven zijn:

  • Ruimte voor Amsterdamse kwaliteit: Trends uit het onderzoek Wonen in Amsterdam 1995–2007 (Wonen, 2008);
  • Wonen in Amsterdam 2013, Ruimtelijke ontwikkelingen (Wonen, 2014);
  • Overkoepelende analyse van de gebiedsanalyses (OIS, 2015) ;
  • Veranderend Noord en Scenario’s (OIS, 2017);
  • Diversiteit en dynamiek: een analyse op buurtniveau (MRA beleidsonderzoek, 2017);
  • Woningtoewijzing Kwetsbare groepen in wijken (OIS, 2018);
  • Woningtoewijzing kwetsbare groepen in wijken 2016-2018 (OIS, 2019). 

Ruimte voor Amsterdamse kwaliteit (2008)
Ruimte voor Amsterdamse kwaliteit uit 2008 is een al wat oudere publicatie van Wonen en is gebaseerd op 12,5 jaar WiA-onderzoek en signaleert enkele trends. In het hoofdstuk over de relevantie van huishoudens met middeninkomens voor de stad worden denkbeelden van experts uiteengezet over het nut en de noodzaak van gemengd wonen in Amsterdam.  De middeninkomens lijken op dat moment redelijk goed verdeeld over de stad. Er zijn een paar uitzonderingen: locaties waar óf veel hoge inkomens voorkomen, óf juist veel concentraties van lage inkomens kennen. De hogere inkomensgroepen wonen het meest gesegregeerd en het aandeel hogere inkomens neemt nog verder toe in de buurten waar dat al hoog is.

In het algemeen benadrukt de publicatie het belang van het verbeteren van de situatie van middeninkomens op de Amsterdamse woningmarkt. De strategie van de gemeente in specifiek de stedelijke vernieuwingswijken is om enerzijds een instroom van middeninkomens te bereiken, en anderzijds een doorstroming van aanwezige middeninkomens naar passende woonruimte; bijvoorbeeld door meer koopwoningen te realiseren. Herstructurering van buurten, waardoor meer differentiatie ontstaat, kan positieve sociale effecten op de leefbaarheid in die buurt hebben, of op de buurtbetrokkenheid. In een ander deel van de publicatie wordt ingegaan op de ervaringen van bewoners in stadsdeel Nieuw-West met de gemengdheid van de woonomgeving. De gemeente veronderstelt dat zowel Amsterdammers met een migratieachtergrond als Amsterdammers met een Nederlandse achtergrond een sterke concentratie van allochtone huishoudens als onwenselijk zien. 

Wonen in Amsterdam, Ruimtelijke Ontwikkelingen (2014)
Deze rapportage biedt een duiding bij diverse ontwikkelingen in buurten in Amsterdam. Het rapport kent vijf benaderingen om naar de ruimtelijke verschillen en ontwikkelingen te kijken. Het gaat in op de tendens naar heterogeen samengestelde buurten, op ontwikkelingen in woonmilieus, op sociaal-demografische trends in stadsdelen, op verschillen tussen binnen en buiten de ring en op het verschijnsel de ‘sombrerometropool’ . Er wordt bijvoorbeeld beschreven dat de drie woningmarktsectoren corporatiehuur, particuliere huur en koop, in de ruim driehonderd Amsterdamse buurten steeds vaker voorkomen in een gemengde verhouding. Het is volgens deze rapportage het gevolg van het feit dat veel buurten door nieuwbouw of door verkoop van huurwoningen nu een koopsector bezitten, terwijl die vroeger vrijwel ontbrak. Gemengdheid op buurtniveau kan met een andere blik ook met sterkere heterogeniteit worden aangeduid. Door de slinkende corporatiesector wonen huishoudens met een laag inkomen in sterkere mate ruimtelijk geconcentreerd (onderzoek UvA). Daarnaast groeit in veel buurten de koopsector waardoor ook concentraties van hoge inkomens ontstaan. Locaties met een sterke aanwezigheid van hoge en van lage inkomens komen dus in toenemende mate in elkaars nabijheid voor. Dat is de consequentie van de toenemende sectorale menging. In de rapportage wordt ook verwezen naar de ambities die in de jaren negentig werden nagestreefd: Het is een ontwikkeling die aansluit bij een discussie uit de jaren negentig over hoe de gewenste gemengdheid eruit moest gaan zien. Men streefde toen op het hogere ruimtelijke niveau naar heterogeniteit en op het lagere niveau naar meer homogeniteit. Dit gespikkelde patroon tekent zich nu steeds meer af in Amsterdam. 

Overkoepelende analyse van de gebiedsanalyses (2015)
Voor zover we dat hebben kunnen nagaan, heeft OIS op basis van de afzonderlijke gebiedsanalyses van alle stadsdelen één keer een overkoepelende analyse gemaakt (in 2015). OIS vergelijkt hierin de 22-gebieden op onder meer de bevolkingssamenstelling, en maakt aan de hand van buurttypologieën (twaalf woonmilieus) duidelijk welke uiteenlopende ontwikkelingen in de stad zichtbaar zijn. Twee van de twaalf woonmilieus zijn de ‘gemengde stadsbuurten’ en de ‘gegentrificeerde stadsbuurten’:

  • “Gemengde stadsbuurten staan er net wat beter voor dan de opkomende stadsbuurten, en hebben een bewonerssamenstelling waar geen groepen overheersen.” De definitie van een gemengde buurt is een buurt waarin het aandeel gezinnen tussen de 19% en 29% ligt, en/of het aandeel bewoners van een niet-westerse migratieachtergrond tussen de 26% en 44% ligt. De gemengde stadsbuurten bevinden zich volgens deze typologie tussen verschillende categorieën in: “er is niet veel armoede, maar de buurt trekt ook niet heel veel nieuwe stedelingen. Voor een deel van deze buurten zal het om een overgangsfase gaan, deze waren arm en raken meer in trek bij hoger opgeleiden. Een uitbreiding van de koopsector heeft deze buurten vaak meer toegankelijk gemaakt voor hoger opgeleiden. Dit is bijvoorbeeld bij Landlust, De Krommert en de Oosterparkbuurt het geval. Zowel in leefbaarheid als in sociaaleconomische status is er verbetering in deze buurten, maar in een langzaam tempo. De gemengde buurten in 2015 zijn: de Oostelijke eilanden, Oosterparkbuurt, Frankendael, IJsselbuurt, Stadionbuurt, Westlandgracht, De Krommert en Landlust.”
  • “In de gegentrificeerde stadsbuurten is wel sprake van een dominante groep bewoners: meer dan 46% is hier een nieuwe stedeling: Burgwallen-Oude zijde, Burgwallen-Nieuwe zijde, Da Costakade, Kinkerbuurt, Helmersbuurt, Overtoomse Sluis, Erasmuspark, Westindische buurt, Schinkelbuurt, Hoofddorppleinbuurt, Oude Pijp, Nieuwe Pijp, Duivelseiland, Scheldebuurt, Weesperzijde, Vaak zijn dit ook buurten met veel alleenstaanden, weinig ouderen en weinig corporatiehuur. De meeste buurten scoren dan ook gemiddeld tot gunstig op de sociaaleconomische kenmerken. De woningvoorraad is in deze buurten, met uitzondering van de Burgwallen, sterk veranderd: meer koopwoningen, minder huur. Het zijn vooral particuliere huurwoningen die hier verkocht zijn. De leefbaarheid is in deze buurten sterk verbeterd en komen daarmee richting het niveau van de welgestelde woonbuurten. In inkomen is er nog wel een verschil, dit ligt lager en is minder toegenomen dan de welgestelde woonbuurten.”

In het document wordt de ontwikkeling in woonmilieus als een proces gezien waarin buurten steeds aantrekkelijker en leefbaarder worden: de buurttypen ‘opkomende stadsbuurt’, ‘gemengde stadsbuurt’, ‘stadsbuurt’, en ‘gegentrificeerde stadsbuurt’ vormen opeenvolgende stappen.

Veranderend Noord (2017 en 2018)
In opdracht van stadsdeel Noord heeft OIS in januari 2017 een rapportage opgesteld over de ontwikkelingen in de bevolkingssamenstelling, de woningvoorraad en de woonwensen sinds 2007. Deze rapportage biedt vooral inzichten in de demografische en sociaaleconomische kenmerken van de Noordelingen, uitgesplitst naar buurten, maar gaat niet in op welke gemengdheid bewoners wensen.  Er zijn daarnaast in januari 2018 vier scenario’s door OIS ontwikkeld , over de toekomstige bevolkingssamenstelling van het stadsdeel onder omstandigheden van ofwel hoge of lage marktdruk, in combinatie met ofwel zwakke of sterke gemeentelijke sturing. In alle scenario’s wijkt de te verwachten bewonerssamenstelling sterk af van de huidige samenstelling. De scenario’s maken duidelijk hoe groot de verschillen kunnen zijn in bevolkingssamenstelling afhankelijk van hoeveel en wat voor soort woningen er gebouwd worden, en geeft dat beeld ook op wijkniveau. De scenario’s laten duidelijk zien dat als de gemeente meer stuurt, er op die manier meer mensen kunnen worden gehuisvest in Amsterdam.

Diversiteit en dynamiek: een analyse op buurtniveau (2017)
Binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is onderzoek gedaan naar diversiteit. Diversiteit en dynamiek was de eerste editie van de reeks MRA Beleidsonderzoek als onderdeel van de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam. De essays en onderzoeken zijn een informatiebron voor beleidsmakers en -uitvoerders bij de ontwikkeling van fact based sociaal- en ruimtelijk-economisch beleid. In deze specifieke publicatie roept de auteur op tot samenwerking op regionaal niveau rondom het bereiken van oplossingen die kunnen bijdragen aan een betere balans op de woningmarkt. Bij deze zoektocht is het volgens de onderzoekers essentieel om op gedetailleerd ruimtelijk schaalniveau de sociaaleconomische verschillen in de MRA in kaart te brengen en te analyseren. Dat gebeurt in deze studie op buurtniveau. Uitkomst van de studie is dat de MRA op het niveau van buurten binnen deelregio’s een grotere diversiteit kent dan tussen deelregio’s wat betreft leeftijd, inkomen, migratieachtergrond, woningvoorraad, huizenprijzen en aantrekkelijkheid van woonbuurten. 

Woningtoewijzing kwetsbare groepen (2018 en 2019)
Twee recente OIS-rapportages  gaan in op de toewijzing van sociale huurwoningen aan kwetsbare huishoudens sinds de start van het programma Huisvesting Kwetsbare Groepen in 2016.  Zorgen over de onevenwichtige verdeling van kwetsbare huishoudens over gebieden in de stad waren hiervoor de aanleiding. Kwetsbare huishoudens zouden onevenredig vaak terechtkomen in wijken die ook al als kwetsbaar bekend staan. Afgezien van de grote diversiteit aan doelgroepen onder de kwetsbare huishoudens, bijvoorbeeld op het gebied van begeleiding die sommigen wel nodig hebben, en anderen niet, en het feit dat de meeste kwetsbare huishoudens al een woning bewonen, is het interessant om te kijken wat over de spreiding wordt geconstateerd in deze rapporten. De rapportage over de periode 2016 tot en met 2018 toont aan dat het percentage toegewezen woningen uiteenloopt van 15% in Centrum-West tot 40% in Bijlmer Centrum. Het gemiddelde voor Amsterdam ligt op 28% (wat vrijwel het streefpercentage van 30% toewijzingen aan kwetsbare groepen benadert).  Op wijkniveau zijn de verhoudingen nog wat schever: in de meeste wijken ligt dat tussen de 10% en 50% van de toewijzingen, in acht wijken is het minder dan 10% en in eveneens acht wijken ligt het boven de 50%.

De tweede rapportage gaat over de periode 2016 tot en met 2018.  Het beeld dat hieruit kan worden opgemaakt is dat er geen eenduidig verband is tussen de toewijzingen aan kwetsbare huishoudens als deel van het totaal en de kwetsbaarheid van een wijk , maar dat er wel een paar wijken zijn die opvallen. In wijken in stadsdeel West wonen relatief weinig kwetsbare huishoudens, maar worden er relatief veel woningen aan deze groepen toegewezen. In stadsdeel Centrum wonen er ook relatief weinig kwetsbare groepen, en worden er weinig woningen aan deze groepen toegewezen. In wijken in stadsdeel Noord wonen juist relatief veel kwetsbare huishoudens, en worden er veel woningen aan deze groepen verhuurd.

Corporaties geven een aantal verklaringen voor deze ongelijke verdeling in de eerste rapportage.  We noemen er enkele. De belangrijkste objectieve factoren hebben te maken met de verdeling van de voorraad. Er zijn in sommige wijken relatief meer woningen met een huur onder de aftoppingsgrens, en kleine woningen, waarvoor kwetsbare groepen vaker in aanmerking komen. Uit regressieanalyses blijkt dat hoe meer corporatiewoningen er in een wijk verhuurd worden, hoe minder vaak deze naar kwetsbare groepen gaan. Hiermee lijken wijken met veel verhuringen dus iets ontzien te worden bij het toewijzen aan kwetsbare groepen.  Corporaties maken zelf ook nog keuzes over waar zij woningen aan kwetsbare huishoudens toewijzen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in buurten of wijken die het volgens hen ‘aan kunnen’ om relatief veel kwetsbare huishoudens op te nemen of juist andersom: relatief weinig plaatsingen in kwetsbare buurten waar de druk al hoog is. Die afweging vindt plaats op portiek- of complexniveau, niet op buurt- of gebiedsniveau. Ten slotte valt op dat corporaties meestal niet van elkaar weten welke verhuringen er in een buurt hebben plaatsgevonden.

Welk beeld leveren de periodieke en incidentele rapportages over de bevolkingssamenstelling op?
Er zijn veel verschillende periodieke en incidentele rapportages, die veel maar ook fragmentarische informatie geven over de bevolkingssamenstelling. Duiding wordt echter niet altijd gegeven. Om een beeld te krijgen van wat er in de stad op verschillende schaalniveaus gebeurt met de bevolking, is het nodig om gegevens over diverse kenmerken van personen of huishoudens, of buurten of gebieden, en over meerdere jaren te verzamelen. Soms lukt dat aardig maar vaak ontbreekt het aan uniformiteit op het gebied van mengingscriteria, onderzoeksperioden en schaalniveaus om de gegevens in samenhang te kunnen bekijken. Indicatoren zijn vaak (te) eenzijdig en bieden onvoldoende inzicht op het gewenste schaalniveau van gebied, wijk of buurt.

Soms worden er zeer bruikbare rapporten opgesteld maar worden ze niet opgevolgd door nieuwe versies. De Overkoepelende gebiedsanalyse in 2015  en de WiA-vragen naar de beleving en tevredenheid met gemengdheid tussen 2005 en 2009 zijn hier voorbeelden van. In feite zijn dit de enige concrete stappen om de gemengdheid in de stad (en de mening van bewoners daarover) zichtbaar te maken. Er worden maatstaven voor gemengdheid toegepast, en buurttypologieën (woonmilieus) geïntroduceerd die laten zien welke buurten op dat moment gemengd zijn en welke ontwikkelingen daarin te verwachten zijn. In de Overkoepelende gebiedsanalyse wordt de ontwikkeling in woonmilieus als een proces gezien waarin buurten steeds aantrekkelijker en leefbaarder worden. Hiermee doet de gemeente een uitspraak over de wenselijke richting van de ontwikkeling van gemengdheid. In het woonbeleid wordt echter niet aan de overkoepelende gebiedsanalyse of de gebruikte typologieën gerefereerd. Het lijkt erop dat deze woonmilieus niet in het woonbeleid worden gebruikt als basis voor de gebiedsontwikkeling. Het is onduidelijk of het als onderdeel van de gebiedsanalyses is gebruikt en in hoeverre erop is gestuurd. De overkoepelende analyse is na 2015 niet meer opgesteld.

Analyse en conclusie

In deze paragraaf vatten we onze bevindingen en beelden over de gemeentelijke monitoring van het gemengdheidsbeleid samen. We staan daarbij stil bij de wijze waarop de gemeente de mate van gemengdheid in de stad monitort en bij de vraag of deze wijze van monitoring heldere en duidelijke inzichten geeft. Daarnaast gaan we na of het college van B en W de relevante ontwikkelingen in de tijd volgt en of deze gegevens gebruikt worden om (bij) te sturen op de gemeentelijke ambities en beleidsdoelen.

Onvoldoende inzicht in gemengdheid en ontwikkelingen
Hoewel de ambitie van een gemengde stad in het woonbeleid als een van de rode draden te herkennen valt, ontbreekt in de monitoring van het woonbeleid het inzicht over wat de inspanningen rondom de productie van woningen hebben betekend voor de mate van menging van de bevolking op allerlei schaalniveaus. De gegevens over de voortgang van de productie van woningen of de ontwikkeling van de woningvoorraad zeggen weinig of slechts indirect (relatie tussen huur- en koopsom en inkomen) iets over de mate van gemengdheid. Daarnaast laten de voortgangsrapportages over de bouw voornamelijk zien welke acties er zijn uitgevoerd in het gerapporteerde jaar. Trends over langere perioden of samengestelde inzichten over de productie en de voorraad zijn er pas recent en zijn er alleen op stedelijk niveau. De aangekondigde Voorraadmonitor over de 22-gebieden hebben wij niet aangetroffen. Het is hierdoor lastig een beeld te vormen over de richting van de productie en de mate waarin de gemeente erin slaagt op de gewenste richting te sturen om een woonvoorraad te behouden die ruimte biedt aan allerlei Amsterdammers. Meestal ontbreken in de voortgangsrapportages inzichten op schaalniveaus lager dan de stadsdelen. Hierdoor is er geen beeld op bijzondere ontwikkelingen in specifieke gebieden of buurten. Een stadsdeel kan bijvoorbeeld een gemengd beeld laten zien terwijl op lager schaalniveau tegelijkertijd sprake kan zijn van wijken of buurten met een sterk eenzijdig woningaanbod. Enkele incidentele rapportages geven die beelden wel, maar deze worden niet periodiek opgesteld en vormen niet een zichtbaar onderdeel van de beleidscyclus. Daarnaast wordt er niet over elk belangrijk beleidsinstrument gerapporteerd. Zo wordt er in de rapportages over het Woningbouwplan alleen aandacht besteed aan de afwijkingen bij de particuliere transformaties en niet over de afwijkingen bij nieuwbouwprojecten/gebieden waar van de 40-40-20-regel moest worden afgeweken.

De uitvoering van de samenwerkingsafspraken heeft invloed op een groot deel van de bevolkingssamenstelling van de stad (bewoners die in aanmerking komen voor sociale huur), en de spreiding van huishoudens in de stad. De wijze waarop wordt gerapporteerd over de uitvoering, maakt echter onvoldoende duidelijk in hoeverre er wordt bijgedragen aan de gestelde beleidsdoelen rondom gemengdheid. De spreiding van specifieke doelgroepen over de stad is bijvoorbeeld niet in beeld. Pas recent is er op verzoek van de stadsdelen een rapportage tot stand gekomen over de spreiding van kwetsbare groepen. Rond enkele afspraken wordt nog een verdeling naar de drie marktgebieden gehanteerd, wat enigszins een indicatie geeft van de prestaties van corporaties verspreid over de stad. Er wordt geen toelichting gegeven bij de verschillen tussen stadsdelen en over de jaren heen.

Ook de monitoring van het woon- en stedelijke vernieuwingsbeleid geeft onvoldoende inzicht in de mate van menging.

Periodieke monitoring van demografische gegevens kan in principe goede inzichten bieden. De dashboards geven bijvoorbeeld de mogelijkheid om verschillen tussen gebieden te bestuderen of ontwikkelingen te signaleren, maar zijn niet direct gekoppeld aan een thematische beleidscyclus, zoals de Armoedemonitor en de Diversiteitsmonitor dat wel zijn. OIS monitort (in opdracht van Wonen) veel ontwikkelingen in gebieden, zoals de leefbaarheid en de woningsegmenten, maar ook hiermee is niet meteen inzichtelijk hoe de gemengdheid zich ontwikkelt. Er zijn kortom veel interessante gegevens over gemengdheid op allerlei schaalniveaus beschikbaar, maar die worden nauwelijks in onderlinge samenhang beschouwd. Alleen de incidentele rapportage Ruimtelijke ontwikkelingen van Wonen uit 2013 biedt een duiding bij de gemengdheid van de stad en de ontwikkelingen daarin.

Onduidelijk of monitorgegevens gebruikt worden bij (bij)sturen op gemengdheidsbeleid
Het is onduidelijk of het college de informatie die de monitoring oplevert, gebruikt als input om bij te sturen. Er zijn in de afgelopen jaren nieuwe en scherpere doelen gesteld rond de woningvoorraad en de -productie. Er wordt echter niet zichtbaar gerefereerd aan het gemonitorde woon- en stedelijke vernieuwingsbeleid (of evaluaties daarvan) in nieuwe vastgestelde ambities zoals de Woonagenda, terwijl er wel indicaties zijn dat beleidsdoelen niet gehaald worden. Daarmee ontbreekt dus een zichtbare onderbouwing voor de aanscherping van de doelstellingen. Zo is in vijf van de acht gebieden waar minder dan 35% aan sociale huurwoningen van corporaties zijn, het aandeel verder gedaald. Een heldere verklaring voor de verdergaande daling hebben we niet aangetroffen. Tegelijkertijd is wel het minimum percentage verhoogd naar 45% en omhelst het zowel het aandeel van woningcorporaties als van particuliere verhuurders. Daarnaast ontbreekt een overzicht over het behalen van het 40-40-20-uitgangspunt voor de verdeling aan woningsegmenten in de nieuwbouwprojecten die startten in 2018 en 2019. In de tweede helft van 2017 is er in meer dan een derde van de projecten van de regel afgeweken. Dat gegeven toont aan dat het 40-40-20-uitgangspunt in ieder geval bij de afspraken uit 2017 niet bij elk project wordt gehaald. Ook de differentiatie van woningen in de ontwikkelbuurten is de afgelopen jaren niet toegenomen. Allemaal ontwikkelingen die een nadere analyse en mogelijke bijsturing van beleidsdoelen rechtvaardigen, maar dit wordt niet door het college in een samenhangende aanpak opgepakt.

Soms hebben indicatoren wel aantoonbaar (enige) invloed op het gemeentelijk beleid. Zo worden soms indicatoren en scores opgesteld op initiatief van de beleidsadviseurs omdat ze specifieke informatie nodig hebben in de beleidsvoorbereiding of de monitoring ervan. Stadsdeel Noord heeft in meerdere situaties om informatie over de bevolkingssamenstelling gevraagd. De inventarisaties en prognoses die tot stand zijn gekomen zijn voorbeelden van rapporten die direct kunnen worden gebruikt om beleid te maken rond de gemengdheid in het stadsdeel. In de prognoses wordt daarnaast helder naar voren gebracht dat meer sturing door de gemeente kan leiden tot een groter aanbod voor huishoudens.

De enige zichtbare keuze die in het beleid is gemaakt over in welke buurten inspanningen gewenst zijn om de differentiatie van het woningaanbod te vergroten, is in het ontwikkelbuurtenbeleid gedaan. Dat gebeurde op basis van statistieken over de leefbaarheid en de sociaaleconomische situatie. De eerste monitoringsrapportage over de ontwikkelbuurten gaat nog nauwelijks in op de wijze waarop differentiatie zal worden nagestreefd.

Gemengdheid van Amsterdam

Inleiding

In dit hoofdstuk staan we stil bij de feitelijke gemengdheid van Amsterdam. Aan de hand van verschillende kenmerken zoals inkomen en huishoudsamenstelling brengen we in kaart hoe de verschillende Amsterdammers over de stad verspreid zijn. In paragraaf 7.2 lichten we toe op welke wijze we dat doen en welke aanpak we daarbij hanteren. In de paragrafen 7.3 tot en met 7.11 beschrijven we de verschillende kenmerken van gemengdheid in Amsterdam vanuit verschillende invalshoeken. We ronden dit hoofdstuk af met een analyse en conclusie in paragraaf 7.12.

We geven hiermee antwoord op deelvraag 3:

Hoe gemengd is de gemeente Amsterdam?

Aanpak

Inkadering van gemengdheid

In ons onderzoek staat de ruimtelijke (fysieke) menging tussen verschillende bevolkingsgroepen centraal. Hoewel in verschillende hoofdstukken van ons rapport daarbij soms ook aandacht wordt besteed aan de interactie tussen die bevolkingsgroepen (de sociale menging) gebeurt dat niet in dit hoofdstuk. Bij de beschrijving van de situatie in Amsterdam benaderen we gemengdheid uitsluitend vanuit de ruimtelijke invalshoek.

We hanteren daarbij de volgende definitie van ruimtelijke gemengdheid:

Er is sprake van ruimtelijke gemengdheid in Amsterdam als in elk deel van Amsterdam elke bevolkingsgroep evenredig voorkomt

Deze definitie vraagt allereerst om een nadere toelichting op de bevolkingsgroepen die we onderscheiden en welke achtergrondkenmerken we gebruiken om de verschillende Amsterdammers te typeren. Daarnaast is het van belang om te verduidelijken wat evenredig voorkomen betekent, ofwel op welke wijze we de mate van gemengdheid meten. Tot slot geven we aan welke geografische afbakeningen we van de delen van Amsterdam in onze analyse gebruiken. In de hiernavolgende subparagrafen gaan we uitgebreid in op deze elementen.

Indeling in bevolkingsgroepen

Bij de selectie van achtergrondkenmerken om bevolkingsgroepen te onderscheiden, hebben we zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het beleid van de gemeente. De gemeente hanteert bij haar aandacht voor menging geen vaste set van achtergrondkenmerken. We hebben daarom aan de hand van een inventarisatie van de achtergrondkenmerken waarvoor de gemeente aandacht heeft, ons eigen keuzes gemaakt. Die worden hieronder beschreven.

Selectie van achtergrondkenmerken
De gemeente heeft in haar beleid en monitoring (zie hoofdstukken 5 en 6) veel aandacht voor het kenmerk inkomen en het soort woning waarin mensen wonen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen lage en middeninkomens en betaalbare koop- en sociale huurwoningen.  Verder is er oog voor de verschillende type huishoudens in de stad waarbij het gaat om samenstelling en omvang ervan.  Daarnaast zien we dat er in de beleidsstukken soms aandacht is voor de herkomst (migratieachtergrond) van bevolkingsgroepen, meestal gericht op niet-westerse migranten.  Ook heeft de gemeente belangstelling voor de aanwezigheid van bevolkingsgroepen met verschillende opleidingsniveaus , allerlei leeftijdsgroepen (jongeren en ouderen) en voor studenten . Tot slot wordt in het kader van gemengdheid ook de variatie in woonduur op een bepaald adres relevant bevonden.  De tot nu toe besproken achtergrondkenmerken zijn meegenomen in ons onderzoek.

In de beleidsdocumenten worden ook kenmerken besproken die wij in onze analyse van werkelijke menging niet meenemen. Zo heeft de gemeente in het kader van gemengdheid aandacht voor "kwetsbare groepen" (zoals mensen met een beperking, dak- en thuislozen en statushouders) , werklozen , prijzen van huizen , woninggrootte , stedelijke georiënteerde gezinnen, kenniswerkers  en expats. We hebben dit soort kenmerken vooral vanwege praktische redenen niet gebruikt. In de gegevens van het CBS die ons ter beschikking stonden was onvoldoende informatie beschikbaar of werd het indelen te complex.

Definitie en uitwerking van de achtergrondkenmerken
In tabel 7.1 worden de achtergrondkenmerken die we hebben geselecteerd, nauwkeuriger beschreven en voorzien van een onderverdeling in categorieën. De kenmerken kunnen naar verschillende objecten verwijzen. Soms gaat het om kenmerken van personen, soms van huishoudens en in een enkel geval van woningsoort. Dit onderscheid hebben we als volgt weergegeven in de tabel: huishoudkenmerken worden met een (H) weergegeven, persoonskenmerken met een (P) en voor eigendomsverhouding is dat een (W).

Tabel 7.1 - Overzicht van achtergrondkenmerken
KenmerkToelichtingCategorieën (bevolkingsgroepen)
7.3 Inkomen (H)Het besteedbaar inkomen van een huishouden gecorrigeerd voor de omvang en samenstelling van een huishouden.Inkomen ingedeeld in vijf groepen. Categorieën aangemaakt op basis van 'inkomenskwintielen', (5x 20%). Deze hebben we als volgt genoemd:
  • lage inkomens
    (1e kwintiel),
  • laag-midden inkomens
    (2e kwintiel),
  • midden inkomens
    (3e kwintiel),
  • midden-hoog inkomen
    (4e kwintiel), en
  • hoge inkomens
    (5e kwintiel). 
7.4 Opleidingsniveau (P)Opleidingsniveau is bepaald op hoogst behaalde opleiding.   Hierbij wordt gekeken naar de beroepsbevolking 15-75 jaar.Opleidingsniveau opgedeeld in drie groepen. Laag-onderwijs is het niveau van basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding (mbo-1). Middelbaar-onderwijs omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo-2), de vakopleiding (mbo-3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo-4). Hoog-onderwijs omvat onderwijs op het niveau van hbo of wo.
7.5 Herkomst (migratie-achtergrond) (P)De herkomst (migratieachtergrond) is gebaseerd op het geboorteland van de ouders (tweede generatie). De herkomstgroepering van de tweede generatie is het geboorteland van de moeder als zij in het buitenland is geboren, anders is dat het geboorteland van de vader.Herkomst (migratieachtergrond) opgedeeld in drie groepen. Bij personen met een Nederlandse achtergrond zijn beide ouders in Nederland geboren. Voor personen met een migratieachtergrond volgen we de definitie van het CBS. Een persoon heeft een westerse achtergrond als hij, zij of een van de ouders in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika of Oceanië is geboren. Ook Indonesië en Japan worden tot de westerse landen gerekend. Als een persoon of een van de ouders in een ander land is geboren, heeft deze persoon volgens de definitie van CBS een niet-westerse migratie-achtergrond.
7.6 Huishoudens (H)Het type huishouden gaat om een of meer personen die samen een woonruimte bewonen.Huishoudens opgedeeld in: alleenstaand, samenwonend zonder kinderen, samenwonend met kinderen en eenoudergezinnen. Overige huishoudens zijn buiten de analyse gehouden.
7.7 Leeftijd (P)Leeftijd van een persoon per 31 december van het jaar. Door dit te doen kijken we in feite alleen naar het geboortejaar.We hanteren de volgende categorieën: <18, 18-30, 30-45, 45-65, 65+.
7.8 Studenten (P)Studenten woonachtig in Amsterdam die een hbo- of wo-opleiding volgen.Opgesplitst naar wel en niet-studenten.
7.9 Woonduur (P)Verschil tussen vestigingsdatum op adres en datum op 31 december van onderzoekjaar.Te onderscheiden categorieën: 0-2 jaar, 2-6 jaar, 6-13 jaar, 13+ jaar.
7.10 Geboren en getogen Amsterdammer (P)Bewoners die sinds hun geboorte aaneengesloten in dezelfde buurt in Amsterdam wonen. We noemen deze groep geboren en getogen Amsterdammers.Opgesplitst naar wel en niet-geboren en getogen Amsterdammers.
7.11 Eigendoms-verhouding (W)De woningvoorraad naar type eigendom.Eigendom uitgesplitst naar: eigen woning, particuliere huur en corporatiewoning.

CBS Microdata
Voor dit hoofdstuk hebben wij gebruikgemaakt van CBS Microdata. In CBS Microdata zijn gegevens opgenomen op het niveau van onderzoekseenheden zoals personen, huishoudens en woonobjecten. Het CBS beheert deze gegevens. Gebruik is alleen mogelijk binnen een beveiligde omgeving en na toestemming van het CBS. Daarbij moet de gebruiker zich houden aan de strikte regels van het CBS. Zo stelt CBS alleen gegevens beschikbaar als daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon, huishouden, onderneming of instelling kunnen worden ontleend. In het groene kader hieronder lichten we twee regels toe, die met name op ons onderzoek van toepassing waren.

'Regels' CBS Microdata

CBS stelt de gegevens alleen beschikbaar nadat elke cel of elk datapunt (in ons geval de gebieden) is gecontroleerd op minimum aantal waarnemingen van tien en mogelijke groepsonthulling.

Bij de controle op het minimum aantal waarnemingen van tien gaat het erom dat binnen elke cel (in ons geval gebied) niet minder is dan tien. De aanname hierbij is dat bij minder dan tien eenheden (zoals personen of huishoudens) in een cel, die specifieke eenheden herkenbaar kunnen zijn.

Bij groepsonthulling gaat het erom dat geen enkele cel meer dan 90% van het totaal aantal eenheden in de rij of kolom bevat. Op deze manier wordt voorkomen dat bepaalde eigenschappen in een tabel een herkenbare groep definiëren. Hoewel er geen individuele eenheid kan worden herkend, is de vertrouwelijkheid geschonden, omdat de informatie van toepassing is voor vrijwel elk lid van de groep en de groep als zodanig herkenbaar is. Met andere woorden: bij meer dan 90% is de kans groot dat een onderzoekseenheid (zoals persoon of huishouden) daartoe behoort en daardoor herkenbaar kan zijn.

Het is mogelijk om af te wijken van deze richtlijnen indien er aantoonbaar geen sprake is van onthulling. Een dergelijke afwijking was bij ons van toepassing op de achtergrondkenmerken studenten (uitsluitend de niet-studenten), woonduur en eigendomsverhouding, en is door het CBS goedgekeurd.

Meer informatie over de richtlijnen voor gebruik van CBS Microdata zijn te vinden op de website.

Een belangrijk element van de CBS Microdata-regels is dat resultaten van onze analyses niet tot personen herleidbaar mogen zijn. We werken daarom met geaggregeerde gegevens voor verschillende delen van de stad. Het kleinste deel van de stad dat we onderscheiden, is de buurt. Om te voorkomen dat er in verband met de richtlijn van CBS gegevens verloren zouden gaan (zie groene kader hierboven), hebben we sommige buurten samengevoegd. Hierdoor wijkt de indeling van enkele buurten af van de gemeentelijk vastgestelde grenzen.

Daarnaast moesten we bij de keuze voor de te onderzoeken jaren rekening houden met de beschikbaarheid van de CBS-gegevens. Voor het kenmerk inkomen duurt het bijvoorbeeld enige tijd voordat de jaargegevens (compleet) beschikbaar zijn. Hierdoor was bij het begin van ons onderzoek 2017 het meest recente jaar dat wij in onze analyse konden betrekken.

Meten van gemengdheid

De volgende stap is het formuleren van bruikbare en relevante indicatoren voor gemengdheid. We gebruiken daarbij drie invalshoeken: basisgegevens, schaalniveau en deel van de stad. De drie invalshoeken geven gezamenlijk inzicht op de situatie in Amsterdam.

Bij de onderstaande definities van de indicatoren gaat het steeds om menging op basis van één kenmerk. Bij de beschrijving in de volgende paragrafen worden dan ook alle kenmerken afzonderlijk langsgelopen.

Gemengdheid: wat zijn de basisgegevens? (aantallen en verhoudingen)
De eerste stap om zicht te krijgen op de gemengdheid is het in kaart brengen van de omvang van en verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. We zullen dat doen door te kijken naar de absolute aantallen en de percentageverdelingen van een kenmerk op het niveau van heel Amsterdam en verschillende delen van de stad.

Gemengdheid: op welk niveau? (segregatie-index)
Bij de volgende stap gebruiken we een indicator die iets zegt over de mate van gemengdheid op de verschillende schaalniveaus (in subparagraaf 7.2.4 Delen van Amsterdam, verschillende schaalniveaus bespreken we welke schaalniveaus we onderscheiden). Hoe gemengd is Amsterdam als we kijken naar de stadsdelen en hoe gemengd als we kijken naar wijken of buurten? We gebruiken hiervoor de segregatie-index.  De segregatie-index geeft aan in welke mate een bepaalde bevolkingsgroep in Amsterdam ruimtelijk gespreid woont over de verschillende delen van de stad (dat kan gaan om stadsdelen, gebieden, wijken of buurten).  Meer precies gaat het om het percentage van een bepaalde bevolkingsgroep dat zou moeten verhuizen naar een ander deel van de stad om een (volstrekt) gelijke verdeling over heel Amsterdam te realiseren. In de onderstaande box staat de formule voor de berekening van de segregatie-index.

Formule segregatie-index bij een specifieke onderverdeling van Amsterdam

waarbij:

S = de segregatie van een bevolkingsgroep in Amsterdam
a¡ = aantal personen van een bevolkingsgroep woonachtig in deel i
A = aantal personen van een bevolkingsgroep in heel Amsterdam
o¡ = aantal overige personen woonachtig in deel ¡
O = aantal overige personen in heel Amsterdam
n = aantal delen van de stad

De segregatie-index varieert tussen 0 en 100. Daarbij betekent 0 complete menging en 100 complete segregatie. Door de segregatie-index voor verschillende schaalniveaus te bereken kan worden nagegaan of en op welk niveau er in Amsterdam sprake is van segregatie. Zijn er al grote verschillen in samenstelling van de bevolkingsgroepen op stadsdeelniveau of begint dat pas op bijvoorbeeld wijkniveau? De waarde van de segregatie-index zal overigens bij overgang naar een kleiner schaalniveau nooit dalen. Theoretisch is de segregatie op wijkniveau minimaal gelijk aan die op stadsdeelniveau. In de praktijk zal de uitkomst op wijkniveau altijd hoger zijn omdat de verhoudingen van bevolkingsgroepen in de wijk nooit identiek zijn aan de verhoudingen in een stadsdeel. Dit verschijnsel doet zich vervolgens ook weer voor bij de verhouding tussen wijk- en buurtniveau.

Gemengdheid: in welk deel van de stad? (gemendheidsindex)
Om iets te kunnen zeggen over waar gemengdheid optreedt, kijken we in hoeverre bevolkingsgroepen - ingedeeld op basis van een bepaald achtergrondkenmerk - evenredig verdeeld zijn in een bepaald deel van de stad. Hierbij kijken we naar de verdeling van alle bevolkingsgroepen binnen een bepaald deel van de stad. In deze benadering betekent volledige menging bij bijvoorbeeld vijf groepen dat elke groep 20% van de totale populatie omvat. Om die uitkomst meer betekenis te geven, wordt in de door ons ontwikkelde gemengdheidsindex gekeken naar het verschil met de stad als geheel. In onderstaande box staat de formule.

Formule gemengdheidsindex

Waarbij:

G= mate van gemengdheid in deel k
afwk = gemiddelde afwijking van gemiddelde evenredige verdeling in deel k
afw= gemiddelde afwijking van evenredige verdeling in Amsterdam
aki = aantal personen van bevolkingsgroep i woonachtig in deel k
aai = aantal personen van bevolkingsgroep i woonachtig in Amsterdam
= aantal bevolkingsgroepen
= aantal bewoners in deel k

De gemengdheidsindex geeft weer in hoeverre een deel van Amsterdam meer of minder gemengd is dan de stad als geheel, maar maakt niet direct duidelijk welke bevolkingsgroepen in een relatief weinig gemengd gebied ondervertegenwoordigd zijn. Twee delen van Amsterdam kunnen immers 'even gemengd' zijn, maar wel een andere verdeling hebben.

Delen van Amsterdam, verschillende schaalniveaus

In het voorafgaande hebben we steeds gesproken over delen van Amsterdam. Het laatste onderwerp bij het kaderen van het begrip gemengdheid, is de afperking van de delen die wij in het onderzoek gebruiken. Een belangrijke ingang daarbij is het schaalniveau. Daarbij onderscheiden we 7 delen op het niveau van het stadsdeel, 22 gebieden, 99 wijken en 481 buurten (vanwege het herinrichten van buurten voor de analyse, hanteren wij 446 buurten, zie subparagraaf 7.2.2).

Wij hebben bij de keuze voor een bepaalde verdeling van Amsterdam weer aansluiting gezocht bij de beleidsstukken van de gemeente. Daarbij hebben we besloten om de indeling naar marktgebieden zoals genoemd in Bouwen aan de stad II en Samenwerkingsafspraken 2015 (zie paragrafen 5.4.1 en 5.4.2) niet te gebruiken. De laag van 22-gebieden uit de Woonagenda 2025, het Coalitieakkoord 2018 en de Samenwerkingsafspraken 2015 en 2020 hebben we wel in onze analyse betrokken. Dit resulteert in de volgende indelingen die we in de analyses gebruiken: stadsdelen, 22-gebieden, wijken en buurten. 

(Interactief) overzicht van de resultaten

In de volgende paragraven beschrijven we per kenmerk de mate van menging in Amsterdam. We doen dat telkens door eerst naar de omvang en verhoudingen van de bevolkingsgroepen te kijken. Daarna gaan we per paragraaf in op de gemengdheid op verschillende schaalniveaus aan de hand van de segregatie-index. Vervolgens staan we per kenmerk stil bij de vraag in welke delen van Amsterdam welke mate van gemengdheid bestaat met behulp van de gemengdheidsindex. We beëindigen elke 'kenmerkparagraaf' met een conclusie.

Ten behoeve van onze analyses hebben we een interactieve kaart gemaakt waarmee de verdeling van de bevolkingsgroepen binnen verschillende delen van Amsterdam en de gemengdheidsindex van elk deel van Amsterdam zichtbaar kan worden gemaakt voor de jaren 2013 en 2017. Ook de verschillen tussen deze twee jaren kunnen via deze kaart in beeld worden gebracht.

Deze kaart is rijk aan gegevens. In de beschrijving in de rest van dit hoofdstuk hebben we een selectie gemaakt van de meest in het oog springende bevindingen. Iedereen heeft echter de mogelijkheid om met die interactieve kaart details op te zoeken en zelf (eigen) dwarsdoorsnedes te maken.

Klik hier voor de interactieve kaart.

Inkomen

Gemengdheid qua inkomen: de basisgegevens
In tabel 7.2 is de verdeling van de inkomensgroepen weergegeven. In 2017 heeft relatief gezien het grootste deel van de huishoudens in Amsterdam een laag inkomen, namelijk 32%. Daarbij zien we 18% een laag-middeninkomen heeft. Deze percentages zijn in lijn met de wens van de woonvisie uit 2008 (inmiddels ingetrokken) om 55% betaalbare woningen in Amsterdam te hebben.  Verder heeft 16% een middeninkomen. Een vijfde van de huishoudens behoort tot de hoge inkomensgroep (20%). Tussen 2013 en 2017 zijn er enkele opvallende ontwikkelingen te zien. Daarbij valt op dat er in Amsterdam met name meer huishoudens met middeninkomens (+10%) en hoge inkomens (+10%) zijn bijgekomen. In vergelijking met de andere inkomensgroepen is de lage inkomensgroep minder sterk gestegen (+1%). De zorg voor een afname van huishoudens met lage inkomens werd door het college al in de Woonvisie 2018 aangekaart (zie ook subparagraaf 5.3.1 onder ambitie betaalbare stad).

Tabel 7.2 - Verdeling inkomensgroepen in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Laag inkomen115.671 (32%)+1.381 (+1%)
Laag-middeninkomen67.485 (18%)+4.137 (+7%)
Middeninkomen56.800 (16%)+5.223 (+10%)
Midden-hoog inkomen52.029 (14%)+2.463 (+5%)
Hoog inkomen74.294 (20%)+6.694 (+10%)

Een nadere analyse laat zien dat er in stadsdeel Zuidoost relatief veel lage inkomens voorkomen. In stadsdeel Zuid zijn dat vooral hoge inkomens. In Zuidoost zijn er 7,5% meer lage inkomens in vergelijking tot Amsterdam en in Zuid 8,8% meer hoge inkomens. Daarnaast zien we relatief veel variatie op wijkniveau. Dit geldt vooral voor de wijken in de stadsdelen Nieuw-West en Noord. Hiervan is minder sprake in stadsdelen Zuid en Centrum, waar vooral huishoudens zijn met hoge inkomens. De buurt met het hoogste aandeel lage inkomens is Kolenkit-Noord in West met 55,6%. Het hoogste aandeel hoge inkomens is aanwezig in Zuid in de Valeriusbuurt-Oost met 67,4%. Dit inzicht past bij de aandacht van het college voor de ongedeelde stad  waarbij er, zoals in 2009 beschreven, onder andere in termen van inkomen een ruimtelijke kloof bestaat tussen de stadsdelen binnen de ringweg (exclusief Noord) en daarbuiten.  In de Woonvisie 2008 heeft de gemeente aangegeven "geliefde locaties" in het centrum toegankelijk te houden voor lage en middeninkomens.  Wij zien in onze resultaten, weliswaar een ruime periode na 2008, aanwijzingen dat tussen 2013 en 2017 deze kloof juist licht is toegenomen. Daarbij valt ons op dat er vooral minder huishoudens met een laag inkomen zijn gaan wonen in Centrum en minder mensen met een hoog inkomen buiten de ringweg.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. In paragraaf 7.2.5 staat de interactieve kaart met daarbij een toelichting.

Gemengdheid qua inkomen: op welk niveau?
De segregatie-index laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie tussen groepen gaat optreden. We zien in figuur 7.1 de uitkomst van deze segregatie-index voor de verschillende inkomensgroepen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende schaalniveaus. Het resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.1 - Segregatie-index per inkomensgroep

Figuur 7.1 laat zien dat de verdeling van de huishoudens met hoge inkomens binnen Amsterdam niet gelijkmatig verdeeld is. In totaal zal iets meer dan 30% van deze huishoudens moeten verhuizen om op buurtniveau een gelijke verdeling over de stad te realiseren. Dit beeld is overigens ook al geruime tijd geleden geconstateerd door de gemeente in het onderzoek Ruimte voor Amsterdamse kwaliteit van Wonen uit 2008.  De segregatie van huishoudens met een hoog inkomen is al goed zichtbaar op het niveau van de stadsdelen. Daarnaast valt op dat de huishoudens met middeninkomens wel gespreid over de stad wonen. Ook dit werd al door de gemeente opgemerkt in het onderzoek Ruimte voor Amsterdamse kwaliteit. Slechts 7,1% hoeft te verhuizen (naar een andere buurt) om (op buurtniveau) een gelijke verdeling over de stad te krijgen. Verder zien we een sterkte ‘toename’ van de segregatie van lage of hoge inkomensgroepen op wijkniveau (in vergelijking met andere schaalniveaus). Op buurtniveau valt deze toename ten opzichte van de wijken mee. Dit betekent dat de buurten voor wat betreft deze twee inkomensgroepen redelijk lijken op de wijken.

Gemengdheid qua inkomen: in welk deel van de stad?
Voor de verschillende delen van de stad hebben we ook de gemengdheidsindex vastgesteld. Een eerste constatering is dat alle stadsdelen qua inkomensgroepen minder gemengd zijn dan Amsterdam als geheel. Daarbij is Zuidoost met -3,8% in vergelijking tot Amsterdam het minst gemengd. Als we op kleinere schaalniveaus inzoomen, dan zien we dat vooral buurten en wijken in stadsdeel Zuid minder gemengd zijn. De 'Prinses Irenebuurt e.o.' in Zuid is met -9,8% de minst gemengde wijk van Amsterdam en (ook in) Zuid Valeriusbuurt-Oost met -14,2% de minst gemengde buurt. Tot slot is te zien dat in het centrum van Amsterdam weinig uitschieters te vinden zijn, al zijn hier de meeste buurten wel minder gemengd dan Amsterdam al geheel.

Tussen 2013 en 2017 is de gemengdheid binnen de verschillende delen van de stad weinig veranderd. We noemen enkele kleine veranderingen. In de wijk Omval/Overamstel is de gemengdheid toegenomen, mede omdat hier een transformatie heeft plaatsgevonden van het bedrijventerrein Overamstel. Hier stonden daarvoor geen (of nauwelijks) woningen. Door een relatieve afname van hoge inkomens is de samenstelling qua inkomen evenwichtiger geworden. Verder zien we dat er sommige buurten meer gemengd zijn geworden. Dit betreffen de buurten Bijlmermuseum-Zuid (+5.5%) en Science Park Noord (+5.2%). Buurten die (een beetje) minder gemengd zijn geworden zijn Overhoeks (-3,6%) en Oostzanerdijk (-3,7%).

Conclusie
De conclusie is dat de huishoudens met verschillende inkomensgroepen niet gelijk verdeeld zijn over de stad. Dit constateerde de gemeente in 2008 ook al. De ongelijke verdeling is al zichtbaar op stadsdeelniveau. Vooral de lage en hoge inkomensgroepen concentreren zich in bepaalde delen van de stad. Daarbij valt op dat Zuidoost weinig gemengd is. In dit stadsdeel wonen met name huishoudens met lage inkomens. Op wijkniveau valt op dat vooral wijken in stadsdeel Zuid niet gemengd zijn. Dit geldt in mindere mate ook voor wijken in stadsdeel Centrum. Hier treffen we vooral huishoudens aan met hoge inkomens. Middeninkomens komen relatief gezien verspreid over de stad voor. Tussen 2013 en 2017 zijn er relatief gezien meer middeninkomens en hoge inkomens bijgekomen.

Opleidingsniveau

Gemengdheid qua opleidingsniveau: de basisgegevens
In tabel 7.3 staat de verdeling (van de Amsterdamse beroepsbevolking) in absolute aantallen en percentages. Te zien is dat in 2017 bijna de helft van de Amsterdamse bevolking hoogopgeleid is. Ongeveer een kwart van de Amsterdammers is laagopgeleid en een derde heeft een middelbare opleiding genoten. De omvang van de hoogopgeleide groep is tussen 2013 en 2017 met 18% toegenomen. De groep laagopgeleiden is met 3% gegroeid en de groep met middelbaar-opgeleiden met 9%.

Tabel 7.3 - Verdeling opleidingsniveau in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Laagopgeleid112.415 (23%)+3.723 (+3%)
Middelbaar-opgeleid147.613 (30%)+12.328 (+9%)
Hoogopgeleid227.418 (47%)+35.062 (+18%)

Een nadere analyse laat zien dat in de stadsdelen Centrum en Zuid vooral hoogopgeleiden wonen. In mindere mate geldt dit ook voor de stadsdelen West en Oost. In de stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West en in mindere mate Noord wonen vooral laag- en middelbaar-opgeleiden. Deze kloof is in het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma 2009 ook door de gemeente opgemerkt, waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen de stadsdelen binnen de ringweg en daarbuiten.  Verder is opmerkelijk dat er op buurtniveau uitschieters zijn van meer dan 80% hoogopgeleiden. Dit komt niet voor bij de andere opleidingsgroepen.

Tussen 2013 en 2017 hebben er geen noemenswaardige ontwikkelingen plaatsgevonden. Alleen op buurtniveau zijn incidentele ontwikkelingen zichtbaar die volgens de gemeente te maken hebben met stedelijke ontwikkelingen op locaties waar voorheen geen woningen waren, waardoor de samenstelling in de onderzoeksperiode enorm is veranderd. 

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua opleidingsniveau: op welk niveau?
In figuur 7.2 staat de segregatie-index van de opleidingsniveaus waarmee we zien op welke schaalniveau segregatie tussen de groepen gaat optreden. Het resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.2 - Segregatie-index per opleidingsgroep

Figuur 7.2 laat zien dat met name de hoogopgeleiden, en in minder mate de laagopgeleiden, gesegregeerd over de stad wonen. Daarbij zou ruim 31% van de hoogopgeleiden en 28,5% van de laagopgeleiden moeten verhuizen om op buurtniveau een gelijke verdeling over de stad te krijgen. Deze segregatie is vooral zichtbaar op het schaalniveau van stadsdeel. Dit betekent dat er tussen de stadsdelen grote verschillen zijn qua opleidingsniveaus. De toename van de segregatie bij een overgang naar kleinere schaalniveaus is gering. Tot slot valt op te merken dat de middelbaar-opgeleiden relatief gezien redelijk gelijk zijn verdeeld over de stad. Slechts 15% moet verhuizen om een gelijke verdeling (op buurtniveau) over de stad te krijgen.

Gemengdheid qua opleidingsniveau: in welk deel van de stad?
Met behulp van de gemengdheidsindex hebben we in kaart gebracht waar met name sprake is van gemengdheid qua opleidingsniveau. Het valt ons op dat er tussen de stadsdelen relatief gezien grote verschillen bestaan. De stadsdelen Centrum en Zuid zijn minder gemengd dan Amsterdam als geheel en de stadsdelen Nieuw-West en Noord zijn meer gemengd. We zien een soortgelijk beeld op kleinere schaalniveaus.

Tussen 2013 en 2017 is de gemengdheid qua opleidingsniveau op stadsdeelniveau redelijk gelijk gebleven. Op wijkniveau zien we wel dat er allerlei kleine ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Wijken die meer gemengd zijn geworden, vinden we op verschillende plekken in de stad terug, namelijk in Zuidoost, Oud-Zuid, Nieuw-West en Noord.

Conclusie
We concluderen dat Amsterdam qua opleidingsniveau niet erg gemengd is. Ongeveer de helft van de Amsterdammers is hoogopgeleid en de andere helft laag of middelbaar opgeleid. We merken op dat deze groep vooral binnen de ringweg en de groep laag- en middelbaar-opgeleiden vooral buiten de ringweg voorkomt. Een ‘kloof’ die ook al eerder is opgemerkt door de gemeente. Het niveau van de gemengdheid laat zien dat de segregatie qua opleidingsniveau zich met name manifesteert op stadsdeelniveau. Daarbij valt op dat Amsterdam binnen de ringweg niet gemengd is qua opleidingsniveau. Tussen 2013 en 2017 zien we geen opvallende ontwikkelingen.

Herkomst (migratieachtergrond)

Gemengdheid qua herkomst: de basisgegevens
In tabel 7.4 staat de verdeling van de groepenherkomst in absolute aantallen en percentages. Te zien is dat ongeveer de helft van Amsterdamse bevolking een Nederlandse achtergrond heeft. Verder heeft meer dan een derde een niet-westerse migratieachtergrond. Slechts 17% heeft een westerse migratieachtergrond. Een opvallende ontwikkeling is dat er tussen 2013 en 2017 20.633 westerse migranten zijn bijgekomen. Dat is een stijging van 16%. Wij vermoeden dat dit gaat om de stijging van het aantal expats (westerse kennismigranten). In dezelfde periode is het aantal personen met een Nederlandse achtergrond ongeveer gelijk gebleven en is het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond 6% gestegen.

Tabel 7.4 - Verdeling herkomstgroepen in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Nederlandse achtergrond400.876 (48%)+6.298 (+2%)
Westerse migratieachtergrond146.379 (17%)+20.633 (+16%)
Niet-westerse migratieachtergrond294.844 (35%)+15.677 (+6%)

Uit een nadere analyse blijkt dat er duidelijke verschillen zijn tussen de stadsdelen. In de stadsdelen Centrum en Zuid wonen vooral mensen met een Nederlandse achtergrond en in de stadsdelen Zuidoost en Nieuw-West wonen relatief gezien veel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. De gemeente doet eenzelfde constatering in de Woonvisie 2008 en geeft hierin aan dat er in Zuidoost en Nieuw-West, en ook in Noord, genoeg woningen moeten zijn voor de niet-westerse migranten (in de woonvisie verwoord als de "allochtone middenklasse").  De verdeling in de stadsdelen West, Oost en Noord is vergelijkbaar met die van Amsterdam als geheel. De westerse migranten vinden we vooral terug in de stadsdelen Centrum en Zuid. Zoomen we in naar kleinere schaalniveaus, dan is zichtbaar dat er binnen de stadsdelen verschillen bestaan tussen de onderliggende delen ervan (zoals tussen de wijken en buurten). Zo blijkt bijvoorbeeld dat de categorie van niet-westerse migranten in Nieuw-West niet in alle wijken sterk vertegenwoordigd is. Hier komen ook delen voor waar vooral personen met een Nederlandse achtergrond wonen.

Tussen 2013 en 2017 zien we een aantal opvallende veranderingen die van invloed zijn op de mate van gemengdheid. Als we kijken naar de ontwikkeling van het aandeel van niet-westerse migranten, dan zien we dat dit aandeel licht afneemt in de wijken binnen en toeneemt rondom de ringweg en erbuiten (meer aan de rand van de stad). Deze ontwikkeling is vooral zichtbaar aan de west- (Bos en Lommer en Oud-West, Baarsjes) en oostkant (Oud-Oost en Indische buurt) van de stad. Daarbij constateren we dat de gemeente in de Woonvisie 2008 de intentie had om juist in deze delen van de stad (de gordel '20-'40) het aandeel niet-westerse migranten te behouden terwijl de prognose was dat deze zou afnemen. Hoewel de ontwikkelingen een lichte tendens laten zien, duiden ze wel op een toenemende tweedeling tussen de delen binnen (vooral in stadsdeel West) en buiten (vooral in Nieuw-West) de ring. Dit staat op gespannen voet met doelstellingen als een ongedeelde of rechtvaardige stad.  In Zuidoost zien we deze ontwikkeling overigens niet: in de buurten van dit stadsdeel, waar vooral niet-westerse migranten wonen, is het aandeel niet-westerse migranten juist afgenomen, met name in Bijlmermuseum-Zuid. Deze buurt behandelen we ook in onze meer gedetailleerde analyse van de beleving van gemengdheid door Amsterdammers in hoofdstuk 8. Het aandeel westerse migranten in de Zuidas en Sloterdijk is relatief gezien afgenomen. Bij de Noordelijke IJ-oevers is dit juist toegenomen.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua herkomst: op welk niveau?
De segregatie-index laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie tussen groepen gaat optreden. We zien in figuur 7.3. de uitkomst van deze segregatie-index voor de verschillende herkomstgroepen. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.3 - Segregatie-index per migratieachtergrond

Uit de segregatie-index blijkt dat de bevolkingsgroep niet-westerse migranten sterk gesegregeerd woont. Van de Amsterdamse inwoners moet ruim 38% verhuizen om een gelijke verdeling te krijgen over alle buurten van Amsterdam.  Van de Amsterdamse inwoners moet bijna 27% verhuizen om een gelijke verdeling te realiseren van de groep met een Nederlandse achtergrond. Voor westerse migranten is dat bijna 19%. Verder is opvallend dat de segregatie van niet-westerse migranten behoorlijk sterk toeneemt op wijkniveau. Dit betekent dat er in bepaalde wijken (sterke) concentraties aanwezig zijn van de bevolkingsgroep met een niet-westerse migratieachtergrond.

Gemengdheid qua herkomst: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex laat zien dat Amsterdam qua herkomst maar weinig gemengd is. Dit geldt voor alle schaalniveaus. Met name Zuidoost en in mindere mate ook Centrum en Zuid zijn relatief gezien ongemengd. We moeten inzoomen op wijkniveau om meer gemengdheid te zien dan de Amsterdamse verdeling. Dat zien we in de wijk Zuidas. Ook op het kleinste schaalniveau zijn er slechts enkele buurten te vinden die meer gemengd zijn dan Amsterdam als geheel. Dit zijn de buurten Zuidas Zuid, Bedrijventerrein Schinkel, Reguliersbuurt en Oostelijke Handelskade.

Tussen 2013 en 2017 is de gemengdheid qua herkomst nauwelijks veranderd. Op wijkniveau blijkt dat Houthavens minder gemengd is geworden en op buurtniveau is te zien dat de Parooldriehoek juist meer gemengd is geworden. In beide gevallen heeft er in onze onderzoeksperiode aanzienlijke gebiedsontwikkeling plaatsgevonden.

Conclusie
We concluderen dat Amsterdammers qua herkomst weinig gespreid over de stad wonen. Het aandeel bewoners met een Nederlandse achtergrond is relatief hoog (ongeveer de helft). Daarbij zien we een groeiend aandeel van westerse en niet-westerse migranten. Amsterdammers met een Nederlandse en westerse migratieachtergrond wonen vooral in Centrum en Zuid en de groep met een niet-westerse migratieachtergrond met name in Nieuw-West en Zuidoost. Daarbij valt op dat tussen 2013 en 2017 vooral in de gebieden Bos en Lommer, Oud-Oost en Indische buurt het aandeel niet-westerse migranten is afgenomen, terwijl in Nieuw-West meer mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn gaan wonen. Gezien deze ontwikkeling willen wij waken voor toename van een ruimtelijke tweedeling, wat op gespannen voet kan komen te staan met de doelstellingen die de gemeente heeft voor een rechtvaardige en ongedeelde stad. We merken verder op dat met name niet-westerse migranten gesegregeerd wonen in de stad. Dit zien we al op stadsdeelniveau, maar ook op het niveau van wijken zijn concentraties van Amsterdammers met een niet-westerse achtergrond te vinden. Op basis van onze gemengdheidsindex is Amsterdam op alle schaalniveaus weinig gemengd. Dat geldt vooral voor Zuidoost en in iets mindere mate ook voor Centrum en Zuid.

Huishoudens

Gemengdheid qua type huishoudens: de basisgegevens
Uit tabel 7.5 valt op dat meer dan de helft van de Amsterdamse bevolking alleenstaand is. Ongeveer 20% is samenwonend zonder kinderen en 16% heeft wel kinderen. 9% van de bevolking is een eenoudergezin. Tussen 2013 en 2017 hebben zich geen bijzondere ontwikkelingen voorgedaan. De verwachting van de gemeente, zoals verwoord in de woonvisie uit 2008 , is dat het aantal alleenstaanden zal toenemen.

Tabel 7.5 - Verdeling type huishoudens in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Alleenstaand251.469 (56%)+14.761 (+6%)
Samenwonend zonder kinderen89.132 (20%)+5.542 (+7%)
Samenwonend met kinderen72.715 (16%)+3.350 (+5%)
Eenoudergezin39.648 (9%)+503 (+1%)

Een nadere analyse laat zien dat bepaalde type huishoudens zich in verschillende stadsdelen van de stad concentreren. Daarbij zien we dat de alleenstaanden vooral wonen in Centrum en in mindere mate in Zuid en West. Gezinnen met kinderen wonen met name in Nieuw-West, Noord en Oost. Gezinnen zonder kinderen komen niet specifiek meer in bepaalde stadsdelen voor. Eenoudergezinnen komen vooral in Zuidoost voor. Als we kijken op kleinere schaalniveaus, dan valt op dat binnen de ringweg in de wijken van Oud-Zuid en in de wijk Middenmeer in Oost relatief weinig alleenstaanden en juist meer gezinnen met kinderen voorkomen. Verder wordt op dit schaalniveau zichtbaar dat de samenwonenden zonder kinderen relatief gezien een groot aandeel hebben in de wijk Noordelijke IJ-oevers West in Noord.

Tussen 2013 en 2017 zien we enkele veranderingen die van invloed zijn op de gemengdheid. Op buurtniveau zien we dat er overal in de stad en met name binnen de ringweg het aandeel samenwonenden met kinderen is toegenomen. Dit is in lijn met de inzet van de gemeente, aangegeven in de Woonvisie 2008, om in de gebieden buiten het centrum ruimte te bieden voor gezinnen met kinderen.  In de gordel '20-'40 zijn veel gezinnen met kinderen komen wonen. Daarnaast valt op dat het aandeel alleenstaanden is afgenomen binnen de ringweg, maar in Zuidoost is toegenomen. Daarnaast zijn er in bepaalde wijken en buurten ontwikkelingen zichtbaar die naar ons idee (vooral) het gevolg zijn van (grootschalige) gebiedsontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is de wijk De Omval/Overamstel waar relatief meer alleenstaanden en minder samenwonenden met (en zonder) kinderen zijn gaan wonen.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua type huishoudens: op welk niveau?
De segregatie-index laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie tussen groepen gaat optreden. We zien in figuur 7.4 de uitkomst van deze segregatie-index voor de verschillende type huishoudens. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.4 - Segregatie-index per type huishouden

Voor het achtergrondkenmerk 'type huishoudens' is de segregatie relatief laag. Slechts 24% van de bevolking moet verhuizen om op buurtniveau een gelijke verdeling van samenwonenden met kinderen over de stad te realiseren. Dit is 20,5% voor de eenoudergezinnen, 17,5% voor de alleenstaanden en 10% voor de samenwonenden met kinderen. We merken op dat in de overgang naar buurtniveau de segregatie behoorlijk toeneemt. Dit betekent dat er relatief veel verscheidenheid is tussen de buurten qua type huishoudens.

Gemengdheid qua type huishoudens: in welk deel van de stad?
Uit nadere analyse blijkt dat niet alle stadsdelen even gemengd zijn. Het valt ons op dat de gemengdheid van huishoudens binnen de ringweg (exclusief Noord) minder is dan daarbuiten. Ditzelfde beeld zien we op de kleinere schaalniveaus. Uitzondering hierop is Oud-Zuid waar op de kleinere schaalniveaus van wijken en buurten wel een redelijke gemengdheid voorkomt. Verder zien we dat in Zuidoost de wijken en buurten aan de noordkant niet gemengd zijn, terwijl dat bij de wijken aan de zuidkant wel het geval is.

Tussen 2013 en 2017 zien we dat met name binnen de ringweg de gemengdheid is toegenomen en in Zuidoost is afgenomen.

Conclusie
We concluderen dat Amsterdam op stadsdeelniveau redelijk gemengd is, terwijl er op wijk- en buurtniveau redelijk veel variatie is qua type huishoudens tussen de verschillende delen van de stad. Op stadsdeelniveau is de spreiding redelijk. Wel valt ons op dat alleenstaanden vooral in stadsdeel Centrum wonen, gezinnen met kinderen vooral buiten de ringweg maar ook in delen van Oud-Zuid en Oost, en eenoudergezinnen met name in Zuidoost. Daarbij is zichtbaar dat kinderen met gezinnen zich meer binnen de ringweg hebben gevestigd. Bij alleenstaanden is dat juist minder het geval. Segregatie neemt relatief sterk toe op buurtniveau. Verschillende type huishoudens komen geconcentreerd in bepaalde buurten voor. Qua gemengdheid valt op dat de delen binnen de ringweg (exclusief Noord) minder gemengd zijn dan erbuiten.

Leeftijd

Gemengdheid qua leeftijd: de basisgegevens
In tabel 7.6 staan de absolute aantallen en de percentuele verdeling per leeftijdscategorie. Te zien is dat een kwart van de bevolking tussen 45-64 jaar oud is, en daarmee het grootste aandeel heeft in de populatie van de stad. Minst omvangrijk is de groep 65+ met een omvang van 12% van de Amsterdamse bevolking. De overige leeftijdsgroepen vallen ertussenin. Tussen 2013 en 2017 zijn de leeftijdsgroepen '18-29 jaar' en '65+' met ongeveer 10% gestegen. De groei van deze twee groepen is in lijn met verwachtingen die de gemeente in de woonvisie van 2008 verwoordt. Er wordt hierin expliciete aandacht besteed aan de noodzakelijke ruimte die voor deze groepen (we gaan qua ‘jongeren’ specifiek in op de studenten in de volgende paragraaf) dient te worden gecreëerd. 

Tabel 7.6 - Verdeling leeftijdsgroepen in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
<18 jaar148.594 (18%)+2.931 (+2%)
18-29 jaar178.738 (21%)+15.754 (+10%)
30-44 jaar205.305 (24%)+3.860 (+2%)
45-64 jaar206.975 (25%)+10.173(+5%)
65+ jaar102.487 (12%)+9.890(+11%)

De leeftijdsgroepen blijken redelijk gemengd over de stad te wonen. Wel valt op dat de leeftijdsgroep '<18 jaar' vooral buiten de ringweg bovengemiddeld vertegenwoordigd is. Op wijkniveau is zichtbaar dat deze groep ook relatief gezien veel voorkomt in de buurten van Oud-Zuid en de buurt Middenmeer. Verder valt ons op dat de groepen van 18-29 jaar (twintigers) en 30-44 jaar (dertigers) vooral binnen de ringweg wonen, met name in West en met uitzondering van Oud-Zuid en de grachtengordel. Ook zien we dat de groep 65+ in bepaalde delen een hoog aandeel heeft en vrij willekeurig gespreid is over de stad. In andere delen zijn ze juist ondervertegenwoordigd. Daarbij valt op dat ze minder aanwezig zijn in de stadsdelen West en Oost.

Tussen 2013 en 2017 is de gemengdheid qua leeftijd binnen de delen van de stad weinig veranderd. Op wijk- en buurtniveau zijn wel wat veranderingen zichtbaar maar deze laten geen specifiek patroon zien. Ze hangen waarschijnlijk samen met het natuurlijke leeftijdsverloop dat in deze delen heeft plaatsgevonden.  Uit onze analyse blijkt dat de gemengdheid van leeftijdsgroepen over het algemeen hetzelfde is gebleven.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua leeftijd: op welk niveau?
In figuur 7.5 is de segregatie-index te zien voor de verschillende leeftijdsgroepen. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.5 – Segregatie-index per leeftijdsgroep

Figuur 7.5 laat zien dat de verschillende leeftijdsgroepen redelijk verdeeld zijn over de verschillende schaalniveaus. De percentages zijn relatief laag. Meest gesegregeerd is de groep 65+, waarbij bijna 21% op buurtniveau moet verhuizen om een gelijke verdeling te krijgen over de stad. Daarbij valt ons op dat bij de groep 65+ op buurtniveau een behoorlijke toename van segregatie te zien is. De andere leeftijdsgroepen zijn minder gesegregeerd.

Gemengdheid qua leeftijd: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex laat zien dat op hogere schaalniveaus de stad redelijk gemengd is, waarbij de stadsdelen West en Centrum relatief gezien iets minder gemengd zijn. Zoomen we in naar kleinere schaalniveaus, dan zien we op wijkniveau dat de meeste minder gemengd zijn dan Amsterdam als geheel. Het niveau waarop ze minder gemengd zijn, is daarentegen niet opvallend hoog. In Nieuw-West bij Osdorp is een cluster buurten te vinden dat (iets) meer gemengd is.

Tussen 2013 en 2017 is de verdeling van de leeftijdsgroepen binnen de verschillende delen van Amsterdam redelijk gelijk gebleven. Alleen in delen waar met name gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden, zien we grote veranderingen. Dit gaat bijvoorbeeld om de wijk Sloterdijk en Noordelijke IJ-oevers Oost.

Conclusie
Qua leeftijd is Amsterdam redelijk gemengd. We zien dat de verschillende leeftijdsgroepen redelijk gelijk verdeeld zijn. Tussen 2013 en 2017 zijn daarbij de leeftijdsgroepen '18-29 jaar' en '65+' verhoudingsgewijs meer gestegen. Dit hangt (waarschijnlijk) deels samen met het natuurlijke leeftijdsverloop van de bevolking, maar heeft (mogelijk) ook te maken dat er in de periode 2013-2017 meer starters en ouderen in de stad zijn komen wonen. Tussen en binnen de verschillende delen van Amsterdam zien we geen opvallende patronen die erop wijzen dat de leeftijdsgroepen niet gemengd zijn. Uitzondering is de groep 65+ die op buurtniveau een flinke mate van segregatie vertoont.

Studenten

Gemengdheid qua studenten: de basisgegevens
In tabel 7.7 staat de verdeling tussen wel- en niet-studerende Amsterdammers. In de verdere analyse zullen we ons met name richten op het studerende deel. Te zien is dat er in 2017 55.263 studenten in Amsterdam gehuisvest waren. Dit is met 7% een redelijk klein deel van de bevolking. Tussen 2013 en 2017 is het aantal studenten met 2% gegroeid. Dit is aanzienlijk minder dan de groei van het aantal niet-studenten, dat met 6% is toegenomen.

Tabel 7.7 - Verdeling wel-/niet-studenten in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Wel-studenten55.263 (7%)+1.141 (+2%)
Niet-studenten786.841 (93%)+41.385 (+6%)

Uit een nadere analyse blijkt dat op stadsdeelniveau studenten iets bovengemiddeld (in vergelijking met de Amsterdamse verdeling) voorkomen in Oost en juist minder dan gemiddeld in Noord. Zoomen we in naar wijk- en buurtniveau dan valt op dat in 2017 de studenten in enkele delen een relatief groot aandeel hebben. Dit gaat om delen waar veel geconcentreerde studentenhuisvesting is zoals op Zeeburg, NDSM en Weespertrekvaart.

Tussen 2013 en 2017 is het aantal studenten vooral afgenomen in het centrum van de stad en toegenomen in de stadsdelen Oost, Nieuw-West en Zuidoost. Ditzelfde wordt geconstateerd in de Voortgangsrapportage 2015 Actieplan Woningbouw van het college. De toename is echter marginaal. Daarbij zien we dat als we inzoomen op kleinere schaalniveaus dit vooral geconcentreerd plaatsvindt in specifieke buurten. In veel buurten is het aandeel studenten niet vergroot.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua studenten: op welk niveau?
De segregatie-index laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie tussen groepen gaat optreden. We zien in figuur 7.6 de uitkomst van deze segregatie-index voor de studenten. De weergave is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.6 - Segregatie-index naar studerenden

Figuur 7.6 laat zien dat op buurtniveau ruim 23% van de studenten moet verhuizen om een gelijke verdeling te krijgen over de stad. Dit aandeel is niet hoog en laat zien dat tussen de delen van Amsterdam de studenten redelijk gemengd wonen. Wel zien we een relatief hoge toename in segregatie op het niveau van de 22-gebieden. Dit betekent dat in bepaalde gebieden relatief veel studenten wonen en in sommige relatief weinig.

Gemengdheid qua studenten: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex laat zien dat de delen van de stad met een hoog jongerenaandeel (zie paragraaf 7.7) meer gemengd zijn. Dit is ook het geval in stadsdeel Oost.

Tussen 2013 en 2017 is de gemengdheid in en rondom delen van het centrum van de stad afgenomen, en toegenomen in buurten waar veel studentenhuisvesting is bijgekomen, zoals NDSM en Weespertrekvaart.

Conclusie
We concluderen dat er binnen Amsterdam grote concentraties van studenten te vinden zijn. In Amsterdam wonen er 55.000 studenten: 7% van de Amsterdamse bevolking. Hun aandeel is tussen 2013 en 2017 minder geworden ten opzichte van de niet-studenten. Binnen en tussen buurten zien we dat vooral in Oost concentraties van studenten te vinden zijn, omdat daar in bepaalde delen veel studentenwoningen en -complexen zijn. Specifiek gaat dit om de Zeeburgereiland, Science Park en Weespertrekvaart. Ook in de buurt NDSM wonen relatief veel studenten. In andere delen van de stad is het aandeel studenten redelijk gelijk gebleven (volgens onze analyses is deze groep niet toegenomen).

Woonduur

Gemengdheid qua woonduur: de basisgegevens
In tabel 7.8 staat de verdeling van de groepen naar woonduur. Hierbij gaat het om woonduur op hetzelfde adres. Hieruit blijkt dat ongeveer een kwart van de Amsterdamse bevolking 0-2 jaar in Amsterdam woont. Dit is gezien de door ons gehanteerde tijdspanne een relatief groot deel van de bevolking. Verder zien we dat 23% van de bevolking 2-6 jaar in Amsterdam woont en dat dit voor de groep van 6-13 jaar 23% is. Van de bevolking woont 28% meer dan 13 jaar in Amsterdam. Als we kijken naar de ontwikkeling tussen 2013 en 2017 moeten we rekening houden met het verschijnsel dat de toename van de bevolking automatisch vooral bij de eerste groep terechtkomt en er daarmee sprake is van een natuurlijk verloop. Desondanks groeit deze groep volgens ons wel. Verder valt op dat de groep 2-6 jaar sterk is afgenomen en dat de groep met een woonduur van meer dan 13 jaar minder sterk groeit dan de andere groepen.

Tabel 7.8 - Verdeling naar categorie woonduur in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
0-2 jaar216.629 (26%)+27.580(+15%)
2-6 jaar189.642 (23%)-25.753(-12%)
6-13 jaar197.191 (23%)+23.547(+14%)
13+ jaar238.642 (28%)+17.152(+8%)

Nadere analyse maakt duidelijk dat de bevolking die 0-2 jaar in Amsterdam woont vooral, met uitzondering van Noord, voorkomt binnen de ringweg. In stadsdeel Noord wonen vooral mensen die al meer dan 13 jaar in dezelfde buurt wonen. De groep die 2-6 jaar in Amsterdam woont, vinden we vooral in stadsdeel West. In Zuidoost wonen relatief gezien vrij veel mensen die tussen 6 en 13 jaar in Amsterdam wonen.

De ontwikkelingen tussen 2013 en 2017 laten verder geen bijzonderheden zien.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua woonduur: op welk niveau?
We zien in figuur 7.7 de uitkomst van de segregatie-index voor de verschillende groepen. Deze laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie optreedt. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.7 - Segregatie-index naar woonduur

Uit figuur 7.7 blijkt dat de verschillende groepen gespreid in de stad voorkomen en weinig gesegregeerd zijn. Te zien is dat ruim 16% moet verhuizen om op buurtniveau een gelijke verdeling te krijgen van de bevolking die langer dan 13 jaar in Amsterdam woont. Wij beschouwen deze score als vrij laag, en de andere groepen zitten daar zelfs nog onder. Hieruit blijkt dat de groepen qua 'woonduur’ relatief gespreid wonen in de verschillende delen van de stad.

Gemengdheid qua woonduur: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex naar woonduur laat in bepaalde delen van de stad een paar uitschieters zien. Het gaat dan bijvoorbeeld om delen waar veel gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden en waar mensen nog maar relatief kort wonen. Daarnaast wonen mensen juist vrij lang in de meer landelijke delen van de stad, zoals Osdorper Bovenpolder en Landelijk Noord. Ook dit heeft invloed op het beeld dat de gemengdheidsindex geeft. Desondanks valt op te merken dat met name stadsdeel Noord redelijk ongemengd is: op wijk- en buurtniveau is te zien dat alle delen minder gemengd zijn dan in heel Amsterdam. De enige uitzondering is de buurt Landlust-Zuid in stadsdeel West.

Tussen 2013 en 2017 zijn er geen duidelijk ontwikkelingen zichtbaar. Binnen de verschillende delen van Amsterdam zien we dat de toe- en afnames van gemengdheid willekeurig gespreid over de stad plaatsvinden.

Conclusie
We concluderen dat de groepen naar woonduur redelijk gelijk verdeeld zijn over de stad. Van de Amsterdamse bevolking woont ongeveer een kwart korter dan 2 jaar in de stad. Aangezien de groep tussen 0 en 2 jaar maar een kort periode beslaat, is dit een relatief groot aandeel. Deze groep woont vooral in de centrale delen van de stad, terwijl de groep die langer dan 13 jaar in Amsterdam woont vooral in Noord voorkomt. Verder valt ons op dat tussen 2013 en 2017 de groep die 2 tot 6 jaar in Amsterdam woont, aanzienlijk is afgenomen. Deze groep is in 2017 vooral terug te vinden in West. Het niveau van de gemengdheid is hoog in Amsterdam qua 'woonduur-groepen'. We zien op basis van onze analyses weinig patronen die erop wijzen dat er weinig of geen gemengdheid is. Er is daarbij weinig segregatie te zien bij de verschillende groepen. De gemengdheidsindex lijkt verstoord te worden door uitschieters. Zo zijn er bijvoorbeeld delen in de stad aan te wijzen waar onlangs veel gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden en de bevolking nog maar kort woont.

Geboren en getogen Amsterdammers

Gemengdheid qua geboren en getogen Amsterdammers: de basisgegevens
In tabel 7.9 staan de absolute aantallen van en de percentuele verhouding van de al dan niet geboren en getogen Amsterdammers. Te zien is dat in 2017 42% van de bevolking geboren en getogen Amsterdammer is en dat 58% dat dus niet is. Tussen 2013 en 2017 is het aantal 'geboren en getogen Amsterdammers' met 3% afgenomen en is de andere groep van 'nieuwe Amsterdammer' met 13% toegenomen. Het aandeel van Amsterdammers (die al hun hele leven in dezelfde buurt wonen) neemt hierdoor af. Hetzelfde wordt ook door de gemeente geconstateerd in de periodieke rapporten over de bevolkingssamenstelling. Voor zover wij hebben kunnen achterhalen, wordt hier echter geen duiding aan gegeven.

Tabel 7.9 - Verdeling geboren en getogen Amsterdammers en nieuwe Amsterdammers in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Geboren en getogen Amsterdammers352.895 (42%)-12.169 (-3%)
Nieuwe Amsterdammers489.209 (58%)54.695 (+13%)

Bij een nadere analyse valt op dat binnen de ringweg (met name onder 't IJ) relatief gezien weinig geboren en getogen Amsterdammers wonen. Op buurtniveau blijkt dat dit niet altijd opgaat voor buurten. Voorbeelden hiervan zijn de buurten in Oud-Zuid en de Haarlemmerbuurt. Dat geldt ook voor buurten in Noord en in mindere mate voor buurten in Nieuw-West. In deze stadsdelen wonen ook veel Amsterdammers al hun hele leven in dezelfde buurt.

Het valt op dat tussen 2013 en 2017 in Noord het aandeel geboren en getogen Amsterdammers is afgenomen. We hebben niet onderzocht of dit komt door sterfte of door toestroom van nieuwe bewoners.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua geboren en getogen Amsterdammers: op welk niveau?
In figuur 7.8 zien we de segregatie-index die laat zien op welk schaalniveau er segregatie tussen delen in de stad gaat optreden. Aangezien we maar twee groepen hebben (wel of niet getogen en geboren Amsterdammer) is de uitkomst voor beide groepen hetzelfde. We bespreken daarom hierna alleen de groep 'geboren en getogen Amsterdammer'. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.8 - Segregatie-index naar geboren en getogen Amsterdammer

Figuur 7.8 laat zien dat de geboren en getogen Amsterdammers gespreid wonen tussen de delen in Amsterdam. Slechts 15,8% van de bevolking moet verhuizen om op buurtniveau een gelijke spreiding van de geboren en getogen Amsterdammers te krijgen over de stad. Vanuit deze invalshoek is de stad qua geboren en getogen Amsterdammers redelijk gemengd.

Gemengdheid qua geboren en getogen Amsterdammers: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex laat zien dat op stadsdeelniveau Nieuw-West en Noord meer gemengd, en Centrum, West, Zuid en Zuidoost minder gemengd zijn. Op wijkniveau zet dit patroon zich voort. Daarbij valt op dat Burgwallen Nieuwe Zijde weinig gemengd is: het aandeel 'nieuwe Amsterdammers' is in dit deel groot. Hetzelfde zien we (vanzelfsprekend) in delen van de stad waar veel gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden, zoals de Zuidas. De gemengdheid is daarentegen weer bovengemiddeld in de 'klassieke' volksbuurten zoals Haarlemmerbuurt en Jordaan. Hetzelfde geldt voor de buurten in Oud-Zuid.

Tussen 2013 en 2017 is op wijk- en buurtniveau duidelijk zichtbaar dat de gemengdheid is toegenomen buiten de ringweg en gelijk is gebleven binnen de ringweg. In Noord is dit vooral het gevolg omdat er minder geboren en getogen Amsterdammers zijn komen wonen terwijl in Nieuw-West en Zuidoost meer geboren en getogen Amsterdammers zijn komen wonen.

Conclusie
We concluderen dat de geboren en getogen Amsterdammers (die hun hele leven in dezelfde buurt hebben gewoond) een relatief grote groep vormen en redelijk gespreid over de stad wonen. Daarbij valt wel op dat deze geboren en getogen Amsterdammers minder te vinden zijn binnen de ringweg, met uitzondering van volksbuurten zoals de Haarlemmerbuurt en Jordaan. In delen van de stad waar veel gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden wonen vanzelfsprekend minder geboren en getogen Amsterdammers. Tot slot valt ons op dat de groep tussen 2013 en 2017 is afgenomen. We hebben echter niet onderzocht of dit door sterfte of door nieuwe import komt.

Eigendomsverhouding

Gemengdheid qua eigendomsverhouding: de basisgegevens
In tabel 7.10 zijn de absolute aantallen in de verschillende eigendomsverhoudingen opgenomen en wordt door middel van percentages de verhouding tussen de groepen weergegeven. Ongeveer 45% van de woonvoorraad bestaat uit corporatiewoningen. 30% bestaat uit eigen woningen en 28 % uit particuliere huurwoningen. Tussen 2013 en 2017 zijn vooral de particuliere huurwoningen (+13%) en in mindere mate de eigen woningen (+8%) in aantallen gestegen. Het aantal corporatiewoningen is met 2% gedaald, dit gaat om ongeveer 4.000 woningen.

Tabel 7.10 - Verdeling eigendomsverhouding in absolute aantallen en percentages, 2013-2017
 20172013-2017
Eigen woningen126.841 (30%)+9.742 (+8%)
Particuliere huurwoningen117.088 (28%)+13.554 (+13%)
Corporatiewoning181.465 (43%)-4.047 (-2%)

Op stadsdeelniveau zijn er, zo laat een nadere analyse zien, grote verschillen bij de particuliere en corporatie woningen zichtbaar. Er komen verhoudingsgewijs twee keer zoveel corporatiewoningen voor in Noord (65%) dan in Zuid (27%). In mindere mate zien we een vergelijkbaar contrast tussen enerzijds Nieuw-West, Oost en Zuidoost waar meer corporatiewoningen aanwezig zijn en anderzijds Centrum en West waar meer particuliere huurwoningen te vinden zijn. Ook valt op dat de verdeling van de 'eigen woningen' redelijk gelijk verdeeld is over de verschillende stadsdelen. Maar op kleinere schaalniveaus zien we dat het aandeel 'eigen woningen' in bepaalde delen extreem domineert. Dit is bijvoorbeeld het geval in (delen van) Oud-Zuid, Nieuwdammerdijk en aan de (zuidwestelijke) buitenkant van Nieuw-West. Wat ook opvalt, is dat er grote verschillen zijn tussen de wijken, waarbij vooral in het centrum van de stad, Oud-Zuid en delen van West eigen woningen en particuliere huurwoningen aanwezig zijn. In de stadsdelen daarbuiten zien we meer corporatiewoningen.

Tussen 2013 en 2017 zien we enkele opvallende ontwikkelingen. Te zien is dat de toename van het aantal particuliere huurwoningen in specifieke buurten heeft plaatsgevonden. Dit gaat onder andere om de buurten NDSM, De Eenhoorn, F- en E-buurt en Hoptille. Verder valt op dat in delen van het Centrum en Oud-Zuid het aantal corporatiewoningen tussen 2013 en 2017 relatief gezien licht is toegenomen.  Hoewel wij niet naar de voorafgaande periode hebben gekeken, is dit in lijn met het doel van de gemeente, zoals verwoord in de Woonvisie 2008, om in de "centraal-stedelijke zone" de verkoop van het aantal corporatiewoningen verder te beperken.

Interactieve kaart

We maken voor allerlei analyses in dit hoofdstuk gebruik van gegevens die iedereen via de interactieve kaart ook zelf kan bekijken. Bekijk hier de interactieve kaart met toelichting.

Gemengdheid qua eigendomsverhouding: op welk niveau?
De segregatie-index laat zien op welk schaalniveau er binnen Amsterdam segregatie tussen de verschillende eigendomsverhoudingen optreedt. We zien in figuur 7.9 de uitkomst hiervan. Het weergegeven resultaat is een cumulatieve opsomming van de segregatie op de verschillende schaalniveaus.

Figuur 7.9 - Segregatie-index naar eigendomsverhouding

Figuur 7.9 laat zien dat de verschillende eigendomsverhoudingen niet gelijkmatig gespreid zijn over de verschillende schaalniveaus. In totaal moet bijna 40% van de particuliere huur en ruim 39% van de corporatiewoningen worden verplaatst om op buurtniveau een gelijke verdeling over de stad te krijgen. Voor de particuliere huur- en corporatiewoningen vindt deze segregatie voor een aanzienlijk deel op stadsdeelniveau plaats. Daarbij valt uit figuur 7.9 op te merken dat ook op kleinere schaalniveaus de segregatie nog sterk toeneemt. Er is dus veel variëteit tussen de verschillende delen van Amsterdam als het gaat om de woningvoorraad. Dit geldt voor alle eigendomsverhoudingen. Tot slot valt op dat de 'eigen woningen' op het niveau van de stadsdelen nauwelijks gesegregeerd zijn. Dit zorgt ervoor dat 'slechts' 25% van de woningen moet verplaatsen om een gelijke verdeling te krijgen over de stad. Daarentegen zien we wel dat de segregatie ook voor de eigen woningen relatief sterkt toeneemt op het niveau van de 22-gebieden en de nog kleinere schaalniveaus.

Gemengdheid qua eigendomsverhouding: in welk deel van de stad?
De gemengdheidsindex naar eigendomsverhouding laat zien dat er op stadsdeelniveau grote verschillen zijn. Vooral stadsdeel Noord is erg ongemengd. In mindere mate geldt dit ook voor Zuidoost. Dit lijkt vooral te komen door het relatief hoge aandeel corporatiewoningen in deze delen van de stad. Centrum is volgens onze gemengdheidsindex juist meer gemengd dan Amsterdam als geheel. Als we inzoomen naar kleinere schaalniveaus, dan blijkt dat de meeste wijken en buurten minder gemengd zijn. Dit betekent dat in die delen de verdeling van de woningvoorraad minder evenredig is dan voor heel Amsterdam. Deze constatering lijkt niet in lijn met de wens van de gemeente om een meer gedifferentieerde woningvoorraad te realiseren. De paar buurten die volgens onze index wel meer gemengd zijn, zijn onder andere Weesperbuurt, Anjeliersbuurt (in de Jordaan), Noordoever Sloterplas en Nieuw Sloten Noordoost in Nieuw-West en Gelderlandplein bij Buitenveldert.

Tussen 2013 en 2017 is een verschuiving waar te nemen waarbij Noord en Zuidoost meer gemengd en Zuid en Centrum minder gemengd zijn geworden. Kijken we op wijkniveau, dan valt bijvoorbeeld op dat de Kolenkit meer gemengd is geworden. Hier heeft de gemeente grote ingrijpen gedaan als het gaat om woningvoorraad (met als doel de leefbaarheid te verbeteren). Met name op buurtniveau zijn dergelijke ontwikkelingen zichtbaar. Twee buurten die daarbij opvallen, zijn NDSM en Bijlmermuseum-Zuid. In de buurt NDSM heeft veel stedelijke ontwikkeling plaatsgevonden met de komst van veel nieuwe woningen. In de buurt Bijlmermuseum-Zuid heeft heel veel renovatie plaatsgevonden. In de laatstgenoemde buurt hebben we gesprekken gevoerd over de gemengdheid (zie volgend hoofdstuk).

Conclusie
We concluderen dat de eigendomsverhouding niet gelijk zijn verdeeld over de stad. Met name in Noord en Nieuw-West zijn er relatief veel corporatiewoningen en in Zuid en Centrum vooral veel particuliere huurwoningen. De verschillen tussen de stadsdelen zijn dus groot als we kijken naar de particuliere en corporatiewoningen. Dit geldt niet voor de 'eigen woningen', deze zijn redelijk gespreid aanwezig over de verschillende stadsdelen. Verder is er vooral op wijkniveau sprake van grote ongemengdheid van de verschillende eigendomsverhoudingen. Dit betekent veel verscheidenheid tussen de wijken, maar niet binnen de wijken. De gemengdheidsindex laat zien dat met name Noord ongemengd is, dit heeft ermee te maken dat hier vooral corporatiewoningen te vinden zijn.

Analyse en conclusie

In deze paragraaf vatten we de bevindingen en inzichten op basis van onze data-analyses naar de ruimtelijke gemengdheid in Amsterdam samen. In deze analyses is ruimtelijke gemengdheid gedefinieerd als de mate waarin in elk deel van Amsterdam elke bevolkingsgroep evenredig voorkomt.

Er zijn veel relevante gegevens beschikbaar, gebruik van interactieve kaart is nuttig
De gemeente heeft (zie hoofdstukken 5 en 6) veel aandacht voor gemengdheid. We hebben echter niet gezien dat de gemeente met oog daarop een bepaalde set aan achtergrondkenmerken systematisch volgt. Daarom betwijfelen we of de gemeente in voldoende mate overzicht heeft over alle relevante aspecten van de ruimtelijke gemengdheid in de stad. Tegelijk constateren we dat er wel genoeg relevante gegevens beschikbaar zijn. We hebben veel van die gegevens verwerkt in de interactieve kaart die de basis vormt voor onze analyses in dit hoofdstuk. Zo’n kaart geeft veel inzicht in de spreiding en concentratie van bevolkingsgroepen met specifieke achtergrondkenmerken in verschillende delen van de stad. Deze ruimtelijke gemengdheid is zonder een dergelijk instrument niet goed in beeld te krijgen.

Er is ongemengdheid in Amsterdam, geen extreme concentraties
Onze analyses maken duidelijk dat niet bij alle bevolkingsgroepen sprake is van een gelijkmatige spreiding over alle delen van de stad. Dit zien we vooral als we letten op de achtergrondkenmerken inkomen, opleidingsniveau, herkomst (migratieachtergrond) of eigendomsverhouding. We zien geen extreme concentraties en een sterke segregatie tussen bepaalde groepen, maar wel een zeker contrast tussen het deel van Amsterdam binnen de ringweg en het deel daarbuiten. Overigens zijn er voor wat betreft de huishoudens met middeninkomens helemaal geen concentraties te vinden. Zij wonen redelijk gespreid over de stad. Voor wat betreft woningtype zien we ook een verschil tussen de delen binnen de ringweg waar relatief veel particuliere huur is, en buiten de ringweg waar veel meer corporatiewoningen staan.

Ongemengdheid vooral zichtbaar op stadsdeelniveau
Als we kijken naar het schaalniveau (stadsdelen, 22-gebieden, wijken of buurten) waarop sprake is van ongemengdheid, dan zien we dat dit vaak al zichtbaar wordt op stadsdeelniveau. In stadsdelen Centrum en Zuid wonen vooral bevolkingsgroepen met een hoog inkomen, hoog opleidingsniveau en een Nederlandse of westerse (migratie) achtergrond. Buiten de ringweg in Nieuw-West en Zuidoost wonen meer Amsterdammers met een laag inkomen, laag opleidingsniveau en een niet-westerse migratieachtergrond. In Noord en Nieuw-West zijn relatief veel corporatiewoningen en in Zuid en Centrum vooral veel particuliere woningen.

Soms nemen de concentraties op wijk- en buurtniveau toe
Als we afdalen naar kleinere schaalniveaus dan nemen de concentraties van bepaalde bevolkingsgroepen toe. Dit zien we vooral als we letten op de kenmerken inkomens, woningtypen en type huishouden. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat in de Woonvisie uit 2008 en in de Woonagenda is aangegeven dat niet iedere buurt een afspiegeling moet zijn van de Amsterdamse samenleving (zie ook paragraaf 5.3.1 en 5.3.5 van ons rapport). In sommige wijken of buurten van de stad wonen voornamelijk huishoudens met hoge of juist lage inkomens. De gemengdheid qua inkomen is op deze schaalniveaus dus laag. Dat geldt ook voor het kenmerk woningtype. In bepaalde wijken en buurten zijn bijvoorbeeld grote concentraties van 'eigen woningen'.

Verschillen tussen 2013 en 2017 niet groot, maar trend vergt aandacht
De verschillen tussen 2013 en 2017 zijn niet (noemenswaardig) groot. Wel constateren we dat het aantal Amsterdammers met een midden- of hoog inkomen, hoog opleidingsniveau en westerse migratieachtergrond (relatief) is toegenomen. Deze ontwikkelingen kunnen, zeker als je ze in samenhang met elkaar beschouwt, te maken hebben met de komst van meer expats. Daarbij zien we een lichte trend waarbij hoge inkomens vooral binnen de ringweg zijn komen wonen, en lagere inkomens erbuiten. Hetzelfde geldt voor de niet-westerse migranten, die in 2017 minder in West en Oost wonen dan in 2013 en Nieuw-West laat juist het omgekeerde beeld zien. Hoewel deze trends niet heel sterk zijn, willen we ze toch benoemen omdat zij op gespannen voet staan met het gemeentelijke streven naar een ongedeelde stad.

Tevredenheid met de gemengdheid

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we de beleving van gemengdheid onder Amsterdammers. Op welke wijze we dat doen, lichten we toe in paragraaf 8.2. In paragraaf 8.3 staan we stil bij welke wensen Amsterdammers hebben op het gebied van gemengdheid. In paragraaf 8.3 staat het gevoel van de Amsterdammer centraal. We maken in deze paragraaf inzichtelijk op welke wijze Amsterdammers gemengdheid in hun stad waarnemen en ervaren. In paragraaf 8.4 gaan we in op de ontwikkelingen die Amsterdammers zien en welke zorgen ze hebben op het gebied van gemengdheid. We sluiten het hoofdstuk af met een analyse en conclusie in paragraaf 8.5.

In dit hoofdstuk beantwoorden we onderzoeksvraag 4:

Hoe ervaren burgers de ontwikkelingen rond gemengdheid in de stad?

Aanpak

Om deze vraag te beantwoorden hebben we gekeken naar de mening van Amsterdammers over de gemengdheid van de stad en over het door de gemeente gevoerde beleid. Deze inzichten hebben we op drie manieren verzameld en geanalyseerd:

  • De enquête onder het burgerpanel  biedt inzicht in de mening over de gemengdheid van de eigen buurt en de stad, en over het beleid van de gemeente;
  • Het casusonderzoek in vier Amsterdamse buurten waarin groepsgesprekken zijn gevoerd met 56 bewoners biedt inzicht in hoe bewoners gemengdheid ervaren, het belang dat ze hechten aan gemengdheid en de ontwikkelingen die men opmerkt en wenselijk vindt. Het gaat om Bijlmermuseum-Zuid, Wildeman, Diamantbuurt en IJplein/Vogelbuurt-Zuid. Een beschrijving van onze selectiecriteria en de aanpak van het casusonderzoek is terug te vinden in bijlage 3. In bijlage 3 is ook een gedetailleerde beschrijving van de casussen opgenomen.
  • De gesprekken met vijf gebiedsmakelaars uit de gebiedsteams met verantwoordelijkheid over de vier buurten van het casusonderzoek bieden inzicht in wat zij opmerken aan ontwikkelingen rond gemengdheid in de buurt, de manier waarop zorgelijke ontwikkelingen door hen geadresseerd worden in de gemeentelijke organisatie en de knelpunten die zij daarbij signaleren.

De informatie die wij hebben verzameld door middel van de enquête aan het burgerpanel en de focusgroepsgesprekken met bewoners uit de casusbuurten geven inzicht in de manier waarop Amsterdammers gemengdheid beleven en ervaren. Daarnaast geeft het weer welke ontwikkelingen met betrekking tot de bewonerssamenstelling in de buurt door hen worden opgemerkt. Deze inzichten vormen weliswaar een aanvulling op de bevindingen uit de andere hoofdstukken maar zijn niet te generaliseren naar de gehele Amsterdamse bevolking.

In dit hoofdstuk is de betekenis van het concept gemengdheid open gelaten. Wij hebben Amsterdammers gevraagd welke betekenis zij geven aan gemengdheid. De invulling van het concept gemengdheid is in dit hoofdstuk daarom breder dan de benadering van het concept in de beleidsreconstructie en de data-analyse. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de manier waarop Amsterdammers de verschillende kenmerken van gemengdheid in onderlinge samenhang zien.

Wat willen Amsterdammers qua gemengdheid?

Voorkeur voor een gemengde bewonerssamenstelling in de buurt

Bewoners uit de vier casusbuurten hebben de voorkeur om in een gemengde buurt te wonen. In een ideale buurt komen zij bewoners tegen die verschillen in onder andere leeftijd, sociaaleconomische positie, migratieachtergrond en huishoudsamenstelling. Ze vinden het belangrijk dat er niet één groep overheersend is. De buurt moet een mix zijn van verschillende type mensen.

Onderstaande figuur toont de mening van het burgerpanel over ongemengde buurten in Amsterdam als geheel, niet per se hun eigen woonbuurt. Meer dan de helft van hen (57%) zegt dat er in Amsterdam veel ongemengde buurten zijn, en eveneens 57% vindt het belangrijk dat ongemengde buurten gemengder worden. Iets minder dan de helft (46%) vindt Amsterdam nu voldoende gemengd, 30% is neutraal over de mate van menging in de stad en 19% vindt het onvoldoende.

Figuur 8.1 – Mening van het burgerpanel van de Rekenkamer Metropool Amsterdam over de gemengdheid van Amsterdam
Gewenste veranderingen in variatie

In de enquête aan het burgerpanel is gevraagd op welke kenmerken de respondenten een verandering in hun buurt willen zien. Ongeveer de helft van de respondenten wil geen verandering in de variatie. Ongeveer een kwart wil dat de variatie op enkele kenmerken toeneemt: vooral migratieachtergrond (27%) en levensfase (26%), en in iets mindere mate in inkomensniveau (22%) en huishoudsamenstelling (22%). Dit sluit aan bij het beeld dat ze hebben over de veranderingen in hun buurt. Ze vinden de eigen buurt in vergelijking met andere kenmerken vooral minder gemengd geworden op inkomensniveau, migratieachtergrond en levensfase. Daarnaast valt op dat een behoorlijk deel van de respondenten (20%) juist minder variatie in de buurt wenst qua normen en waarden, in vergelijking met andere kenmerken.

Figuur 8.2 - Mening van het burgerpanel van de Rekenkamer Metropool Amsterdam over gewenste ontwikkelingen in de buurt
Diversiteit in woningaanbod, maar geen verdringing

Burgerpanelleden zijn gevraagd naar hun mening over de actuele regels rond de woningbouwprogrammering en de verdeling van de woningvoorraad in de stad. Een kleine meerderheid (57%) vindt dat de gemeente mag afwijken van de 40-40-20-regel als een andere verdeling beter past bij de buurt. 28% is hierop tegen. Daarnaast is een grote meerderheid van de respondenten kritisch over het gekozen streefcijfer van 10% middeldure huurwoningen op het niveau van 22-gebieden: 62% vindt dat het aandeel hoger dan 10% moet zijn.

Veel respondenten vinden de verdeling van de woningvoorraad ten behoeve van menging in buurten en wijken een complex vraagstuk. Ze zeggen een gemengde stad belangrijk te vinden, en vooral gettovorming (buurten met te hoge concentraties van arme en gekleurde, of rijke en witte bewoners) tegen te willen gaan. Amsterdammers zien de aanwezigheid van een divers woningaanbod in de buurt als belangrijke voorwaarde om een gemengde buurt te bewerkstelligen én sociale contacten of sociale cohesie te verbeteren.

Ook de bewoners uit de vier casusbuurten noemen de aanwezigheid van een divers woningaanbod in de buurt een belangrijke voorwaarde voor een gemengde bewonerssamenstelling. Bewoners in buurten met een hoog percentage sociale huurwoningen geven aan dat ze het een goede ontwikkeling zouden vinden als er meer woningen in andere segmenten in de buurt worden gerealiseerd. Echter willen ze niet dat de komst van andere type woningen ervoor zorgt dat de huidige bewoners worden verdrongen naar elders.

"Gemengder zou beter zijn, maar betekent in de praktijk vaak alleen maar meer koophuizen met mensen die hun kinderen in een andere buurt op school doen. De eerste buurt waar doelbewust méér sociale woningbouw wordt gepleegd om het gemengder te krijgen, moet nog gevonden worden. En veel mensen vinden het ook gezellig om in hun eigen buurt de vertrouwde gezichten te zien en niet steeds nieuwe mensen."

Hoe wordt gemengdheid door Amsterdammers waargenomen en ervaren?

Afbakening van de buurt

De gemeentelijk vastgestelde buurtgrenzen komen in veel gevallen niet overeen met hoe bewoners van de vier casusbuurten hun buurt ervaren. Dat heeft onder andere te maken met het gebruik van voorzieningen, recreatiemogelijkheden en sociale contacten in de omgeving, bijvoorbeeld in nabijgelegen buurten. Daarnaast geven de bewoners aan dat het afhankelijk is van persoonskenmerken zoals leeftijd, fysieke gesteldheid, gezinssamenstelling en arbeidsstatus. Zo geven een aantal oudere bewoners aan dat ze een kleiner gebied als hun buurt zijn gaan zien als gevolg van het afnemen van hun fysieke mobiliteit.

Gebiedsmakelaars willen gemengdheid op het schaalniveau van de buurt of wijk

Het gemengdheidsbeleid van de gemeente zou gericht moeten zijn op het schaalniveau van de buurt of van de wijk. Beleid op een hoger schaalniveau is volgens de gebiedsmakelaars niet wenselijk, omdat dit niet voorkomt dat er concentraties van bijvoorbeeld kwetsbare personen ontstaan op buurt- of wijkniveau.

Tevredenheid met de buurt

In de enquête aan het burgerpanel zijn drie wat meer algemene vragen gesteld over de waardering voor de buurt. Verreweg de meesten (70%) voelen zich thuis in hun buurt, zij geven hun buurt daarvoor een rapportcijfer van 8 of hoger. 24% geeft de buurt met een 6 of 7 een voldoende, en 6% van de respondenten geeft hun buurt een onvoldoende. De verschillen tussen stadsdelen zijn aanzienlijk: de respondenten uit stadsdelen Centrum en Noord zijn het meest positief (gemiddeld afgerond een 9). Die uit stadsdeel Nieuw-West beoordelen het thuisgevoel met een 7 (relatief veel respondenten wonen in Geuzenveld-Slotermeer). De overige stadsdelen zitten daar met (afgerond) een 8 tussenin. Vergelijkbare beoordelingen zien we terug in de tevredenheid met de buurt. Afgerond is het oordeel in stadsdelen Centrum en Noord een 9, in stadsdeel Nieuw-West een 7 en de overige stadsdelen een 8. De meerderheid van de respondenten is daarnaast positief over de omgangsvormen: 70% vindt dat de buurtbewoners prettig met elkaar omgaan, 5% vindt de omgang onprettig. De respondenten hebben meestal een sociaal netwerk dat verder reikt dan de buurt. Dat geldt voor 65% van de respondenten. 12% van de respondenten zegt dat het sociale netwerk grotendeels uit mensen in hun buurt bestaat.

Beleving van gemengdheid in de buurt

Uit de focusgroepsgesprekken blijkt dat bewoners bij een 'gemengde buurt' vaak in eerste instantie denken aan een buurt met veel verschillende migratieachtergronden. Daarnaast worden eigenschappen zoals levensfase, sociaaleconomische positie en in mindere mate woonduur genoemd als eigenschappen die invloed hebben op de beleving van gemengdheid in hun buurt. De respondenten uit het burgerpanel ervaren de grootste overeenkomsten met hun buurtbewoners qua migratieachtergrond (37%), normen en waarden (33%) en woonduur (34%). De grootste verschillen onder de buurtbewoners ervaren ze in inkomensniveau (65%), levensfase (77%) en huishoudsamenstelling (69%).

Respondenten hebben in de enquête kunnen aanvullen of ze nog andere kenmerken belangrijk vinden. Hier zijn bijvoorbeeld de betrokkenheid en de binding met de buurt regelmatig genoemd, in relatie tot specifieke groepen bewoners (nieuwkomers, onderhuurders, etc.). Hetzelfde geldt voor verschillen tussen bewoners qua cultuur, politieke overtuiging en godsdienst. In overwegend neutrale bewoordingen hebben respondenten verschillen genoemd tussen huur- en koopwoningen, werkenden en niet-werkenden, mensen die wel of geen Nederlands spreken, en de seksuele geaardheid van de bewoners. Men is uitgesproken kritisch over de verschillen tussen expats en andere buurtbewoners:

"Dat is wel gemengd, maar totaal niet gewenst."

Er worden door de bewoners in de focusgroepsgesprekken ook andere kenmerken van gemengdheid genoemd zoals de aanwezigheid van bewoners met verschillende geloofsovertuigingen en het relatieve aantal kwetsbare personen. Deze aanvullingen van kenmerken van het concept gemengdheid door bewoners uit de focusgroepsgesprekken en respondenten van het burgerpanel wijken gedeeltelijk af van de benaderingen van het concept gemengdheid in de beleidsreconstructie. Daarnaast wordt duidelijk dat het concept gemengdheid ook tussen bewoners verschillend wordt ervaren.

In buurten met veel verschillende migratieachtergronden, maar weinig verschillen op het gebied van andere eigenschappen van gemengdheid zoals woonduur, valt op dat de bewoners uit de focusgroepsgesprekken in eerste instantie ervaren dat ze in een gemengde buurt wonen. De aanwezigheid van verschillende migratieachtergronden in de buurt wordt door veel bewoners positief gewaardeerd. Echter wordt er ook door een aantal bewoners uit de focusgroepsgesprekken gesproken over spanningen die kunnen ontstaan als gevolg van culturele verschillen tussen bewoners (nieuwkomers met andere normen en waarden).

Dit wordt ook onderschreven door de uitkomsten van de enquête waaruit blijkt dat twee soorten buurten het meest tot ontevredenheid leiden: buurten waarin naar verhouding erg veel niet-westerse migranten wonen en waar de autochtone Amsterdammer zich niet meer in buurtbewoners herkent, en de zich snel ontwikkelende 'rijkeluisbuurten' met yuppen en/of expats die weinig contact zoeken met 'oorspronkelijke' buurtbewoners. Of er nu weinig mensen met dezelfde persoonskenmerken zijn of niet, is volgens sommigen minder belangrijk dan overeenkomstige normen en waarden, respect voor elkaar en het spreken van de Nederlandse taal.

Een buurt met een gemengde bewonerssamenstelling draagt volgens de bewoners uit de vier casusbuurten onder andere bij aan de levendigheid van de woonomgeving. Ook trekt een gemengde buurt een meer divers voorzieningenaanbod aan wat veel bewoners wenselijk vinden. Het wonen tussen mensen die van elkaar verschillen draagt daarnaast bij aan het ontstaan van meer tolerantie en wederzijds respect. Verschillende bewoners zeggen meer persoonlijke vrijheid te ervaren door in de omgeving van verschillende typen mensen te wonen. Een aantal bewoners geeft aan bewust naar een buurt verhuisd te zijn met een gemengde bewonerssamenstelling vanwege deze reden. Ze vinden het wel belangrijk dat er een bepaalde mate van contact tussen de bewoners bestaat. Een gebrek aan contact tussen verschillende groepen kan leiden tot onbegrip en onderlinge spanning.

Gemengdheid op basis van migratieachtergrond is diffuus

Eén gebiedsmakelaar stelt dat gemengdheid op basis van migratieachtergrond een complex onderwerp is omdat je het vanuit verschillende perspectieven kunt bekijken. Enerzijds zou je kunnen stellen dat de bewonerssamenstelling van een buurt qua migratieachtergrond niet erg gemengd is omdat er veel mensen wonen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond. Anderzijds zijn veel van de bewoners met een migratieachtergrond wel in Nederland geboren. Het hangt dus van je perspectief af hoe de gemengdheid van de bevolkingssamenstelling wordt gezien en door de omgeving wordt ervaren.

Welke ontwikkelingen zien de Amsterdammers en welke zorgen uiten ze?

Ontwikkelingen bewonerssamenstelling

De volgende ontwikkelingen met betrekking tot de bewonerssamenstelling in de casusbuurten zijn het meest naar voren gekomen tijdens de focusgroepsgesprekken:

  • Toename van kwetsbare personen;
  • Toename van bewoners met migratieachtergrond in Wildeman en een afname van diezelfde groep bewoners in de andere casusbuurten Bijlmermuseum Zuid, Diamantbuurt en IJplein/Vogelbuurt Zuid;
  • Toename van bewoners met een sociaaleconomisch sterkere positie;
  • Afname van middeninkomensgroepen in alle casusbuurten;
  • Relatieve toename van ouderen (in Wildeman), de afname van het aantal gezinnen (met name in de Diamantbuurt) en de toename van het aantal studenten (met name in de Diamantbuurt);
  • Toename van het aantal expats (met name in de Diamantbuurt en IJplein/Vogelbuurt Zuid);
  • Toename van verhuizingen van jongeren die in de casusbuurten zijn opgegroeid.

Ongeveer een kwart van de respondenten uit het burgerpanel zegt dat het goed is dat de buurt is veranderd (25%). Iets meer respondenten vinden dat niet (29%). 16% van de respondenten zegt dat de buurt niet is veranderd. Naar verhouding zeggen in stadsdeel Oost de meeste respondenten dat de verandering goed is voor de buurt (37%), een uitsplitsing naar de buurt in het stadsdeel is niet te maken. Relatief veel respondenten die het met deze stelling oneens zijn, wonen in stadsdeel West (35%), Nieuw-West (35%) en Zuid (35%). De toename van het aantal kwetsbare personen en expats, en de afname van de middeninkomensgroepen heeft volgens de bewoners uit de focusgroepsgesprekken een negatieve invloed op de leefbaarheid in de buurt en daarmee indirect ook op hun beleving van gemengdheid in de buurt.

Tijdens de focusgroepsgesprekken is naar voren gekomen dat in het verleden plaatsgevonden ontwikkelingen in de buurt ook invloed kunnen hebben op de wijze waarop huidige ontwikkelingen in de bewonerssamenstelling door de bewoners worden ervaren. In Bijlmermuseum Zuid is de bewonerssamenstelling qua migratieachtergrond de afgelopen decennia regelmatig veranderd. Volgens de bewoners zorgt dit ervoor dat huidige veranderingen in de bewonerssamenstelling minder impact hebben op de bewoners in Bijlmermuseum Zuid vergeleken met buurten waar weinig ontwikkeling heeft plaatsgevonden.

Zorgen over toename van kwetsbare personen en monocultuur in de buurt

De bewoners uit de vier casusbuurten uiten zorgen over ontwikkelingen rond twee groepen Amsterdammers in hun buurten: kwetsbare groepen en bewoners met een migratieachtergrond.

  • Tijdens de focusgroepsgesprekken wordt de aanwezigheid van een grote concentratie van kwetsbare groepen in de buurt als probleem gesignaleerd door de bewoners. Verschillende bewoners geven aan overlast te ervaren als gevolg hiervan. Alleen in Bijlmermuseum Zuid wordt de concentratie van kwetsbare bewoners niet als probleem gesignaleerd door de bewoners. De toename van kwetsbare personen heeft volgens de bewoners in de andere casusbuurten een negatieve invloed op de leefbaarheid in de buurt. De bewoners willen dat er in het spreidings- en toewijzingsbeleid van kwetsbare groepen meer rekening wordt gehouden met de draagkracht van verschillende buurten. De resultaten van de enquête aan het burgerpanel bevestigen dit beeld: 90% van de respondenten vindt het belangrijk dat de gemeente de concentratie van kwetsbare personen in achterstandswijken voorkomt.
De gebiedsmakelaars vinden de concentratie van kwetsbare mensen een probleem

Dit probleem komt door de opeenstapeling van kwetsbare personen in buurten waar al wat uitdagingen zijn. Ze geven tegelijkertijd aan dat het lastig is om invloed uit te oefenen op het spreiding- en toewijzingsbeleid van kwetsbare personen. Eén gebiedsmakelaar agendeert het punt door het als prioriteit op te nemen in de gebiedsagenda en de gebiedsplannen. Twee gebiedsmakelaars informeren het dagelijks bestuur van het stadsdeel regelmatig over de problematiek met betrekking tot de concentratie van kwetsbare personen in de buurt. Eén gebiedsmakelaar geeft regelmatig een signaal af aan collega’s van de centrale stad vanuit de lijn maatschappelijke voorzieningen. Deze gebiedsmakelaar zegt dat het belangrijk is het gebied te ontlasten als het gaat om de komst van meer kwetsbare personen. De gebiedsmakelaar heeft echter niet het gevoel dat er iets gebeurt met deze adviezen. Het is voor dezelfde gebiedsmakelaar onduidelijk wie verantwoordelijk is voor de toewijzing van kwetsbare groepen aan woningen in de buurt.

  • De toename van het aandeel bewoners met een migratieachtergrond in de ene buurt en de afname van diezelfde groep in andere buurten wekt ook zorgen op. De bewoners geven aan het wenselijk te vinden dat de gemengdheid in migratieachtergrond behouden blijft in de buurt. Ze willen niet dat de buurt bestaat uit een 'monocultuur' van voornamelijk bewoners mét of zónder migratieachtergrond. Deze zorgen worden zowel geuit door bewoners met migratieachtergrond als zonder.
De gebiedsmakelaars constateren een disbalans in de bewonerssamenstelling

Naast de zorgen over de concentratie aan kwetsbare groepen, worden in sommige buurten de groeiende concentratie van bewoners met een migratieachtergrond en het steeds grotere aantal ouderen door de gebiedsmakelaar genoemd als negatieve ontwikkeling voor de balans in de bewonerssamenstelling.

Daarnaast geven de gebiedsmakelaars aan dat voor alle buurten geldt dat er relatief veel mensen met een lage sociaaleconomische positie wonen.

Zorgen over sociale cohesie

De meeste zorgen zijn er niet over de samenstelling van de buurt an sich, maar over wat dit voor consequenties kan hebben op de sociale cohesie. Als gevolg van het vertrek van huishoudens met lage en met name ook middeninkomens stellen de bewoners uit de vier casusbuurten dat de sociaaleconomische tweedeling in hun buurt aan het toenemen is. Ze zeggen dat nieuwe buurtgenoten met een relatief hoger inkomen vaak minder binding hebben met de buurt. Dat komt volgens hen omdat ze minder tijd besteden in de buurt en hun sociale betrokkenheid minder groot is. Hetzelfde geldt voor mensen die er maar even blijven wonen.

Dit leidt volgens hen tot een groeiende sociaaleconomische tweedeling in de buurt. Die zorgt in de beleving van bewoners voor het ontstaan van spanningen tussen nieuw- en oud-bewoners of zelfs asociaal gedrag, bijvoorbeeld door 'import' zoals yuppen die hun huis als beleggingsobject zien, en tijdelijke bewoners als gevolg van onderverhuur en vakantieverhuur. Dit heeft een negatieve invloed op de sociale cohesie in de buurt.

Verder zeggen bewoners dat de verdringing van bepaalde groepen bewoners in de buurt (zoals opgroeiende jongeren, gezinnen en ouderen, en mensen met middeninkomens) als gevolg van het niet kunnen doorstromen naar geschikte en betaalbare woningen, de sociaaleconomische tweedeling vergroot en een negatieve invloed heeft op de sociale cohesie.

Een groot deel van de bewoners geeft tijdens de focusgroepsgesprekken aan dat er steeds minder ontmoetingsplekken zoals buurthuizen in de buurt zijn. Hierdoor wordt het voor bewoners steeds moeilijker om met elkaar in contact te komen. Volgens de bewoners zijn deze ontmoetingsplekken erg belangrijk voor het stimuleren van contact tussen verschillende type bewoners in de buurt.

“Wat heb je aan gemengdheid als mensen helemaal geen interactie met elkaar aangaan?"
Amsterdammers wijzen op drie problemen in de uitvoering van het gemeentelijk beleid

Bewoners uit de vier casusbuurten geven aan dat in de uitvoering van het woon- en stedelijke vernieuwingsbeleid een aantal problemen zitten die invloed hebben op de gemengdheid in de buurt. Er is volgens hen een gebrek aan passend aanbod in de eigen buurt, er is sprake van verminderde toegankelijkheid van buurten door stedelijke ontwikkeling, en er heerst de zorg dat gebiedsontwikkeling ook impact heeft op omliggende buurten:

  • Er is sprake van verdringing van 'oorspronkelijke' bewoners. Het lijkt steeds lastiger te worden om een wooncarrière binnen de buurt te maken, terwijl bewoners dit wel willen. Ouderen kunnen geen geschikte woning in de buurt vinden en verhuizen naar elders óf blijven vastzitten in een woning in de buurt die niet geschikt is en houden daarmee een woning bezet die geschikt zou kunnen zijn voor een starter of gezin. Jongeren kunnen nadat ze het ouderlijk huis verlaten moeilijk doorstromen naar een woning in de buurt vanwege de stijgende woonprijzen. Ook voor gezinnen is het lastig om een geschikte en betaalbare woning in de buurt te vinden. Het gevolg is dat deze groepen vaker verhuizen naar elders.
  • Buurten worden minder toegankelijk voor bewoners met een lager of met een middeninkomen. De verkoop van sociale huurwoningen heeft de afgelopen jaren gezorgd voor een sterke toename van het aandeel hoge inkomensgroepen in de buurt. Dit beeld wordt ook bevestigd door de resultaten van de enquête. Respondenten uit het burgerpanel signaleren dat door de nieuwbouw van woningen grote inkomensverschillen ontstaan, en dat door de hoge huren de woonduur wordt beperkt.
  • Verder heerst de angst bij de bewoners dat stadsontwikkeling, zoals de transformatie van het Hamerkwartier in de buurt van IJplein/Vogelbuurt Zuid, een negatief effect heeft op de gemengdheid van de omliggende buurten.
De gebiedsmakelaars vinden differentiatie én een betaalbare voorraad beide nodig

De gebiedsmakelaars stellen dat er de afgelopen jaren veel sociale huurwoningen zijn verkocht. In IJplein/Vogelbuurt Zuid zijn de woningcorporaties daar inmiddels mee gestopt volgens de gebiedsmakelaars. Enerzijds stellen de gebiedsmakelaars dat ze de komst van woningen in een hoger prijssegment in de buurt wenselijk vinden voor de gemengdheid van de bewonerssamenstelling in de buurt. Anderzijds vinden ze het ook belangrijk dat er genoeg betaalbare woningen in de buurt blijven zodat het mogelijk is voor huidige bewoners om een wooncarrière te maken.

"Ontwikkeling betekent vaak dat vrij snel dingen onbetaalbaar worden voor een heleboel mensen die daar al heel lang wonen."
Betrokkenheid bij ontwikkelingen en toegankelijke informatievoorziening kan beter

Bewoners geven aan graag betrokken te worden door de gemeente en projectontwikkelaars bij de plannen over de ontwikkelingen in hun buurt of de omgeving daarvan. Echter voelen de bewoners zich vaak niet serieus genomen tijdens inspraakmomenten. Ze hebben het gevoel dat er nauwelijks wat met hun opmerkingen wordt gedaan. Laaggeletterden, statushouders, lichtverstandelijk beperkten (LVB), laagopgeleiden, anderstaligen zoals expats (westers en Oost-Europees), jongeren en studenten hebben volgens de bewoners soms moeite met het begrijpen van de informatie. Daardoor kunnen ze de ontwikkelingen niet goed volgen.

De gebiedsmakelaars uiten kritiek op de informatievoorziening voor burgers

Twee gebiedsmakelaars stellen dat de communicatie vanuit de gemeente voor sommige bewoners onvoldoende toegankelijk is. Het invullen van (digitale) formulieren en enquêtes zoals de Wonen in Amsterdam vragenlijst (WIA) is lastig voor een deel van de bewoners zoals ouderen, statushouders, migranten, mensen met een licht verstandelijke beperking, en laaggeletterden. Ze stellen dat de gemeente andere communicatiemiddelen en aanvullende ondersteuning moet bieden als ze deze groepen beter willen bereiken. Ook bewoners hebben dit gezegd. Ze vinden de informatievoorziening en de enquêtes en vragenlijsten vanuit de gemeente niet toegankelijk voor alle bewoners. 

Gebiedsgericht Werken is een gezamenlijke opgave van directies en stadsdelen. Het organisatiemodel werd ingevoerd ca. 2014. De invoering ging gepaard met een reorganisatie en wijziging van het bestuurlijk stelsel en bevoegdheden. De gebiedsmakelaars geven aan in dit nieuwe organisatiemodel moeite te ervaren in het doorspelen van de informatie over de buurt die zij verzamelen door gesprekken te voeren met bewoners. Op stadsdeelniveau wordt de informatie volgens de gebiedsmakelaars goed gedeeld en verspreid, op centraal niveau ervaren ze meer moeite om de informatie op de juiste plek te krijgen. Het is voor de gebiedsmakelaars vaak onduidelijk of hun input op centraal niveau wordt opgepakt. De gebiedsmakelaars geven aan dat ze een onvolledig beeld hebben van wat de gemeente precies nastreeft als het gaat om de gemengdheid op buurtniveau. Dit belemmert de gebiedsmakelaars in hun functie als informant naar de bewoners.

Eén gebiedsmakelaar is van mening dat er vanuit de gemeente impliciete acties worden uitgevoerd die aansturen op het veranderen van de bewonerssamenstelling. Dit wordt echter niet transparant aan bewoners gecommuniceerd waardoor de beweegredenen voor bepaalde acties soms onduidelijk blijven voor de bewoners. 

Analyse en conclusie

In deze paragraaf vatten we onze bevindingen en inzichten op basis van ons enquête- en casusonderzoek en interviews met gebiedsmakelaars samen. We staan daarbij stil bij de wensen en zorgen die er zijn op het gebied van gemengdheid en sluiten af met de punten waarop het gemeentelijke gemengdheidsbeleid zich volgens bewoners en gebiedsmakelaars zou moeten richten.

De wensen van Amsterdammers
De Amsterdammers uit het panel en de vier casusbuurten hebben een voorkeur voor wonen in gemengde buurten en in een gemengde stad. De invulling van het concept gemengdheid is open gelaten tijdens de benadering van de panelleden en de bewoners uit de casusbuurten. De analyse laat zien dat gemengdheid een begrip is dat veel interpretaties kent. Het valt op dat door bewoners meer verschillende kenmerken worden toegekend aan het concept gemengdheid dan naar voren zijn gekomen in de beleidsanalyse. Zo worden verschillen in bijvoorbeeld cultuur, arbeidsstatus, Nederlandse taalvaardigheid, politieke overtuiging, seksuele geaardheid en godsdienst door bewoners genoemd als kenmerken die invloed hebben op hun ervaring van gemengdheid van de buurt. Ook de betrokkenheid en de binding met de buurt is regelmatig genoemd in relatie tot specifieke groepen bewoners (nieuwkomers, onderhuurders, huurders, kopers, expats en kwetsbare personen). Of een buurt door bewoners ervaren wordt als gemengde buurt lijkt in de eerste plaats af te hangen van de variatie in migratieachtergrond, maar ook de levensfase, sociaaleconomische positie en in mindere mate woonduur zijn eigenschappen die de beleving van gemengdheid in de buurt beïnvloeden.

Bewoners willen graag een gemengde woonomgeving vanwege de ervaring dat deze bijdraagt aan een aantal zaken die het woonplezier vergroot: een levendige woonomgeving, een meer divers voorzieningenaanbod en meer persoonlijke vrijheid vanwege meer tolerantie en wederzijds respect. Tegelijkertijd lijkt er sprake van een kwetsbaar evenwicht. Indien er door toenemende variatie minder contact is tussen verschillende bewonersgroepen kan dit juist leiden tot onbegrip en onderlinge spanning. Maar of er nu veel of weinig mensen met dezelfde persoonskenmerken zijn of niet, is volgens sommigen minder belangrijk dan overeenkomstige normen en waarden, respect voor elkaar, het spreken van de Nederlandse taal en betrokkenheid bij de buurt. Over normen en waarden is relatief het vaakst gezegd dat deze eigenschap nog verder mag toenemen. Over migratieachtergrond is aangegeven dat er tegenwoordig weinig variatie is binnen buurten en dat de variatie de laatste jaren verder afneemt. Dat betekent dat er volgens de bewoners steeds meer mensen met dezelfde migratieachtergrond in de buurt wonen. Bewoners geven aan meer variatie qua migratieachtergrond in de buurt wenselijk te vinden. Zowel bewoners zonder als met migratieachtergrond willen hiermee voorkomen dat er een 'monocultuur' ontstaat in de buurt. Culturele verschillen (nieuwkomers met andere normen en waarden) kunnen echter wel tot spanningen leiden.

Toenemende zorgen over afnemende sociale cohesie
De meeste zorgen zijn er niet over de samenstelling van de buurt an sich. Het gaat meer over wat toenemende sociaaleconomische tweedeling, het gebrek aan binding van nieuwkomers met de buurt en het gebrek aan onderling contact voor consequenties kan hebben voor de leefbaarheid en sociale cohesie. Amsterdammers ervaren een verschuiving in de inkomensverdeling in hun buurten (het verdwijnen van middeninkomens en de toename van huishoudens met hoge inkomens) en de sociaaleconomische tweedeling die hierdoor groter wordt, veroorzaakt in toenemende mate spanning tussen de bewoners waardoor de sociale cohesie nog verder afneemt.

Daarnaast worden de volgende ontwikkelingen gesignaleerd die invloed hebben op de leefbaarheid en sociale cohesie:

  • De concentratie kwetsbare personen neemt toe. Er moet een spreidingsbeleid komen dat rekening houdt met de draagkracht van buurten.
  • Het ontstaan van monoculturele buurten.
  • De afname van het aantal ontmoetingsplekken in de buurt maakt het volgens de bewoners lastiger om met elkaar in contact te komen. Deze ontmoetingsplekken vindt men erg belangrijk.

Hoe zou de gemeente moeten sturen op gemengdheid?
Amsterdammers zien de aanwezigheid van een divers woningaanbod in de buurt als belangrijke voorwaarde om een gemengde buurt te bewerkstelligen én om gettovorming te voorkomen. Differentiatie van het woningaanbod vinden ze een begrijpelijke keuze van de gemeente, maar daarbij worden ook problemen gezien:

  • De wooncarrière wordt belemmerd door een gebrek aan passend aanbod en dat leidt tot verdringing van de 'oorspronkelijke' bewoners.
  • Buurten worden minder toegankelijk voor huishoudens met lagere en middeninkomens. Dit leidt tot een toename van sociaaleconomische tweedeling en een afname in de sociale cohesie volgens de Amsterdammers.
  • Er zijn zorgen over de impact van gebiedsontwikkeling op omliggende buurten.

Maar het bewust sturen op gemengdheid van wijken en buurten via een grotere diversiteit in het woningaanbod is dan niet de enige insteek om sociale contacten of sociale cohesie te verbeteren, volgens bewoners. Respondenten vinden het beter als de gemeente zou werken aan een betere basis voor onderling contact: gelijke kansen voor iedereen en goede voorzieningen. De gemeente kan wel willen sturen op gemengdheid via het woningaanbod, maar ze vinden het gegeven de huidige marktomstandigheden niet realistisch en daarnaast heeft het 'gedwongen' mengen van verschillende lagen uit de bevolking geen effect op onderling contact.

Het gemengdheidsbeleid van de gemeente zou volgens gebiedsmakelaars gericht moeten zijn op het schaalniveau van de buurt of van de wijk. Beleid op een hoger schaalniveau is volgens de gebiedsmakelaars niet wenselijk omdat dit niet voorkomt dat er concentraties van bijvoorbeeld kwetsbare personen ontstaan op buurt- of wijkniveau. Tot slot vinden Amsterdammers dat de informatievoorziening over ontwikkelingen rond woningen in hun buurt niet toegankelijk genoeg is voor alle bewoners, en ze hebben weinig vertrouwen in wat er met hun inbreng gebeurt.

Verantwoording

Onderzoeksteam

Rekenkamer Amsterdam
Directeurdr. Jan de Ridder
Onderzoekersdrs. Carlos Neves Cordeiro RA RC (projectleider)
 drs. Annemarieke van der Veer, MA
 drs. Marien van Grondelle
 drs. IJsbrand Wildeman
 drs. Tessa Gulpers

Enquête rekenkamerpanel

  • Eind 2018 koos het burgerpanel van de rekenkamer (circa duizend Amsterdammers) diversiteit als onderwerp van het publieksonderzoek voor 2019. Diversiteit is gekozen uit een lijst van vier onderwerpen (zie bijlage 1). Ook tijdens het onderzoek hebben we het burgerpanel bevraagd. Het panel heeft eind oktober 2019 een enquête kunnen invullen. De respons op de enquête bedroeg 706 Amsterdammers.
  • De enquête onder het burgerpanel biedt inzicht in de ervaringen, wensen en mening van Amsterdammers over de gemengdheid van de eigen buurt en de stad. Daarmee hebben we in kaart kunnen brengen in hoeverre en op welke kenmerken en welk schaalniveau 'de Amsterdammers' menging belangrijk vinden, of zij veranderingen in hun buurt of wijk hebben ervaren en hoe ze deze veranderingen beoordelen. Daarnaast hebben we in de enquête gevraagd naar het belang dat panelleden hechten aan Amsterdams beleid rondom menging en wat daarbij de ambitie zou moeten zijn.

Ons burgerpanel draagt in veel van onze onderzoeken bij aan inzichten in de mening van Amsterdammers over beleidsthema's. Ons panel is echter niet representatief voor de gehele Amsterdamse bevolking, en dat is bij het thema van dit onderzoek wél relevant. Bij vragen over de gemengdheid van Amsterdam kunnen de verschillende achtergronden van Amsterdammers doorwerken in hun mening en ervaringen over 'de ander'. De ervaringen van de Amsterdammers uit het burgerpanel zijn daarmee indicatief voor een deel van de Amsterdamse bevolking: de autochtone inwoners, met een hoge gemiddelde leeftijd van 61 jaar.

Focusgroepsgesprekken casusbuurten

In november en december 2019 zijn acht focusgroepsgesprekken gevoerd met bewoners uit de casusbuurten: Bijlmermuseum Zuid, Diamantbuurt, IJplein/Vogelbuurt Zuid en Wildeman. Per buurt hebben twee focusgroepsgesprekken plaatsgevonden van anderhalf uur (met ieder een andere samenstelling van deelnemers). De groepsgesprekken zijn gevoerd door Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) en hebben plaatsgevonden in buurtcentra in de betreffende buurten. De gesprekken zijn door OIS opgenomen en uitgewerkt tot gespreksverslag. In totaal zijn 56 (oud)bewoners van de casusbuurten gesproken. De deelnemers zijn geworven via het OIS-panel, het RMA-panel en via sleutelfiguren in de buurt. Onder de deelnemers is variatie in leeftijd, geslacht, woonduur, herkomst (migratieachtergrond), inkomen en huishoudsamenstelling. De deelnemers hebben na afloop van het groepsgesprek een VVV-bon ter waarde van 35 euro ontvangen.

De focusgroepsgesprekken bieden inzicht in de ervaringen, wensen en mening van Amsterdammers over gemengdheid van de eigen buurt en de stad. Er is naar voren gekomen wat door de bewoners wordt verstaan onder 'gemengdheid' en welke kenmerken van gemengdheid door hen belangrijk worden gevonden. In de focusgroepsgesprekken is besproken in hoeverre bewoners gemengdheid in hun buurt en in de stad belangrijk vinden, of zij veranderingen in hun woonomgeving hebben ervaren en wat zij daarvan vinden. Daarnaast is hen gevraagd wat ze vinden dat de rol van de gemeente moet zijn als het gaat om gemengdheid in de stad. Een gedetailleerde beschrijving van het casusonderzoek is terug te vinden in bijlage 3.

Bijlagen

Bijlage 1: Vraag naar publieksonderwerp 2019 aan rekenkamer burgerpanel

OnderwerpRapportcijfer rekenkamerpanel
Diversiteit in de stad
De gemeente Amsterdam wil een gemengde stad zijn, waar mensen ongeacht hun inkomen, gezinssamenstelling, leeftijd en achtergrond kunnen samenleven. Door druk op de woningmarkt en stedelijke (her)ontwikkelingen is het denkbaar dat de samenstelling van bewoners in wijken is gaan verschuiven. Dit kan ingrijpende gevolgen hebben in de sociale levens van bewoners en de onderlinge sociale binding tussen bewoners. In een onderzoek naar diversiteit in de stad zullen we inzichtelijk maken op welke wijze de woonomgeving van Amsterdamse wijken en de daarmee gepaarde gaande samenstelling van bewoners zijn veranderd. Vervolgens zullen wij nagaan hoe bewoners de diversiteit ervaren en waarderen ondanks of dankzij deze veranderingen. Vinden de bewoners dat de veranderingen gevolgen hebben gehad op de sociale binding in de buurt en is deze verslechterd, gelijk gebleven of juist verbeterd? Ook zal gekeken worden hoe nieuwe bewoners kijken naar de diversiteit in de wijk.
7,6
Afvalscheiding
De gemeente Amsterdam wil het scheiden van afval door haar bewoners makkelijker maken. Daartoe gaat zij extra containers plaatsen, ervoor zorgen dat de containers schoon blijven en dat verstoringen snel worden verholpen. Ook wil de gemeente zorgen voor goede communicatie en voorlichting over afvalscheiding. De bewoners zijn daarentegen verantwoordelijk voor het op de juiste wijze aanbieden van hun afval. Doen zij dit niet, dan kan de gemeente hierop handhaven. De vraag is echter in hoeverre het afvalbeleid van de gemeente nu daadwerkelijk aansluit op de wensen en behoeften van haar bewoners. Vinden zij werkelijk dat het hun eenvoudig wordt gemaakt om afval te scheiden en dat daar voldoende faciliteiten voor aanwezig zijn? Worden ze bovendien wel goed geïnformeerd over de mogelijkheden omtrent afvalscheiding?
7,2
Toegankelijkheid van de stad voor mensen met een beperking
In Amsterdam moet iedereen zich zelfstandig en veilig kunnen verplaatsen. Voor mensen met een beperking is dit echter niet altijd even vanzelfsprekend en kan het verplaatsen buitenshuis een enorme opgave zijn. Denk hier bijvoorbeeld aan het zelfstandig met openbaar vervoer kunnen reizen of de obstakels die iemand met een beperking kan ervaren die te maken hebben met de inrichting van de openbare ruimte. De vraag die wij bij een onderzoek naar toegankelijkheid van de stad voor mensen met een beperking centraal willen stellen, is of de gemeente voldoende maatregelen treft om deze toegankelijkheid te realiseren en of er altijd voldoende nagedacht wordt over de toegankelijkheid bij het ontwikkelen van (nieuwe) mobiliteitsvormen. Daarnaast willen wij kijken hoe mensen met een beperking de toegankelijkheid ervaren en vinden dat bepaalde verbeteringen het openbaar vervoer en de openbare ruimte toegankelijker maken.
6,8
Voortijdig schoolverlaten
De Rijksoverheid, scholen en gemeenten proberen te voorkomen dat leerlingen voortijdig en zonder startkwalificatie hun school verlaten. Scholen en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het tegengaan van voortijdige schooluitval. Op 1 januari 2019 treedt een nieuwe wet in werking waarmee deze samenwerking een wettelijke plicht wordt. Samen moeten ze gaan bepalen welke maatregelen ze inzetten. Om dit tot stand te laten komen, zullen er plannen en afspraken moeten worden gemaakt. In het onderzoek zullen we ons vooral richten op de vraag in hoeverre de gemeente voorbereid is op de nieuwe wettelijke plicht en zullen we nagaan of de raad hierover voldoende is geïnformeerd. We zullen daarbij tevens proberen na te gaan hoe het voortijdig schoolverlaten zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en of er lessen te trekken zijn uit ervaringen in het verleden.
6,8

Bijlage 2: Belangrijkste externe partijen bij woonbeleid

De gemeente dient samen te werken met externe partijen die een belangrijke rol spelen in het woningenvraagstuk. Hoewel er nog meer partijen te onderkennen zijn, beperken wij ons hierna tot het Rijk, woningcorporaties, institutionele beleggers en projectontwikkelaars.  


Wonen en woningmarktbeleid vallen op Rijksniveau onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van BZK. BZK is verantwoordelijk voor belangrijke nationale wetten op het gebied van de woningmarkt. Niet alleen reeds bestaande wetten zoals de herziene Woningwet uit 2015, de Huisvestingswet, Wet op de Huurtoeslag en de Wet doorstroming huurmarkt. Maar ook de in 2021 in te voeren Omgevingswet valt onder het ministerie van BZK. BZK ondersteunt gemeenten en lokale partijen op verschillende manieren bij het uitvoeren van het lokale woonbeleid. Enerzijds door informatie te verschaffen over wetgeving en onderwerpen in het woondomein. Bijvoorbeeld hoe het woningwaarderingsstelsel (WWS) werkt en hoe prestatieafspraken tussen de gemeente, woningcorporaties en huurdersvereniging tot stand dienen te komen. Anderzijds door samenwerkingsverbanden aan te gaan of te faciliteren. Zo heeft BZK in 2017 landelijke en lokale samenwerkingstafels georganiseerd met als doel de realisatie van middenhuurwoningen te versnellen wat onder meer heeft geresulteerd in de woondeal tussen BZK en de metropoolregio Amsterdam die in juli 2019 is gesloten. Een ander belangrijk initiatief van BZK is de uitwerking en invoering van het wetsvoorstel Huur en inkomensgrenzen. Hierin staan vier maatregelen om de kansen op een betaalbare woning voor starters, kwetsbare groepen en lage en middeninkomens te vergroten. Deze maatregelen zijn op Prinsjesdag 2019 aangekondigd als onderdeel van een breder pakket maatregelen om de woningmarkt vlot te trekken. Het wetsvoorstel ligt voor advies bij de Raad van State.

Woningcorporaties
Een groot deel van de woningen in Amsterdam zijn eigendom van woningcorporaties die bijna allemaal aangesloten zijn bij de Amsterdamse federatie van woningcorporaties (AFWC). Per 1 januari 2019 hebben de negen deelnemende woningcorporaties in totaal 184.483 woningen in bezit.  Woningcorporaties verhuren woningen aan mensen met een smalle beurs en zijn private organisaties zonder winstoogmerk. Het zijn dus geen overheidsinstellingen en ze ontvangen geen subsidie, maar dienen zelf zorg te dragen voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. De overheid bepaalt echter wel, hoofdzakelijk via de Woningwet, wat corporaties wel en niet mogen doen. De kerntaak van woningcorporaties is het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen. Het gaat om woningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens (€ 720,42 in 2019). Deze woningen worden DAEB-bezit genoemd: Dienst van Algemeen Economisch Belang. Onder een aantal voorwaarden kunnen corporaties ook iets duurdere huurwoningen verhuren, dat zijn dan niet-DAEB woningen.

Institutionele beleggers
Institutionele beleggers investeren kapitaal van met name pensioenfondsen en verzekeraars in vastgoed zoals woningen, kantoren, winkels, bedrijfsruimten en parkeergarages. Ongeveer de helft van de Nederlandse institutionele beleggers in vastgoed belegt in woningen. Zij kopen woningen aan met een langetermijnbeleggingsdoelstelling, vaak vijftien of twintig jaar, of nog langer. Belangrijke doelstelling is het zorgvuldig en duurzaam beleggen met een acceptabel rendement en met weinig risico. Institutionele beleggers werken met langetermijndoelstellingen en verhuren hun woningen met het overgrote deel met huren tussen de € 600 en € 1.000 en voorzien daarmee in een belangrijk deel van het middenhuursegment.  In Amsterdam bestaat een grote vraag naar middenhuurwoningen.

Particuliere verhuurders
Particuliere verhuurders zijn particuliere personen of instellingen die enkele, tientallen of soms duizenden woningen bezitten en verhuren. In 2018 waren er in Amsterdam 122.700 particuliere verhuurwoningen (28,4% van alle woningen). Particuliere beleggers verhuren zelfstandige en onzelfstandige woonruimten, tegen huren die zowel in het gereguleerde segment (onder € 720,42) vallen als in de vrije marktsector. De particuliere huursector heeft een belangrijke functie op de woningmarkt. Ze bieden vaak een oplossing voor mensen die te veel verdienen voor een gereguleerde huurwoning, geen woning kunnen kopen of flexibel willen zijn omdat hun toekomstperspectief onzeker is. Hoewel er overeenkomsten zijn tussen institutionele beleggers en particuliere verhuurders verschillen ze wel op een aantal punten. Particuliere beleggers opereren in tegenstelling tot institutionele beleggers vaak zelfstandig en beleggen veelal met eigen geld. Een ander verschil is dat particuliere beleggers vaak lokaal werken. Ze kennen de lokale markt vrij goed en schatten de kansen in van verschillende projecten in buurten en wijken. Daarnaast werken particuliere beleggers vaak op een veel kleinere schaal dan institutionele beleggers.

Projectontwikkelaars
Projectontwikkelaars zijn vaak initiatiefnemer voor een vastgoedproject en zijn verantwoordelijk en risicodrager voor het gehele proces van ideevorming en planontwikkeling tot en met realisatie en oplevering. Zij verwerven vroeg of laat in dat proces een positie door bijvoorbeeld de aankoop van grond of vastgoed. Ze realiseren daar nieuwbouw- of herontwikkelingsprojecten en verkopen het project ergens in dat proces aan derden. Dat kunnen, als het om woningen gaat, mensen zijn die zelf een huis kopen of (institutionele) beleggers die de woningen verhuren. Projectontwikkelaars (her)ontwikkelen een vastgoedproject. Het ontwikkelingsproject kan een gebouw zijn, maar het kan ook gaan om gebiedsontwikkeling; dan gaat een heel gebied (wijk, buurt, oud bedrijventerrein, nieuwbouwwijk) tegelijk op de schop. Een ontwikkelaar heeft te maken met een groot aantal wetten en regels, waaronder het ruimtelijk ordeningsrecht (vanaf 2021 de Omgevingswet) en het bouwrecht. Het Bouwbesluit is belangrijke wet- en regelgeving voor de bouwsector. In het Bouwbesluit staan bouwtechnische voorschriften die van toepassing zijn op alle bouwwerken, waaronder woningen, die in Nederland worden gebouwd. De voorschriften hebben betrekking op de veiligheid van een bouwwerk, op de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk, de bruikbaarheid, milieuaspecten en energiezuinigheid van het gebouw.

Bijlage 3: Casusonderzoek

Bij het selecteren van de casusbuurten hebben wij rekening gehouden met de ruimtelijke spreiding over de stad. Wij hebben buurten in verschillende stadsdelen en zowel binnen de ring als buiten de ring van Amsterdam geselecteerd. Daarnaast hebben we de keuze voor de selectie van de casusbuurten gebaseerd op informatie uit het stedelijke dashboard van OIS.

De buurt ‘Bijlmermuseum-Zuid’ hebben we gekozen vanwege de gemiddeld hoge concentratie van lage huishoudinkomens en bewoners met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarbij viel op dat de concentratie de afgelopen jaren licht is afgenomen. Verder wonen er relatief veel jongeren in de buurt vergeleken met het Amsterdams gemiddelde.

De buurt ‘Wildeman’ is gekozen omdat het aandeel corporatiewoningen vanwege de uitstel van stedelijke vernieuwingsplannen na de crisis in 2008, al jaren een stuk hoger is dan het Amsterdams gemiddelde. Daarnaast is ook in deze buurt een hoge concentratie lage huishoudinkomens en een hoge concentratie bewoners met een niet-westerse migratieachtergrond. Het aandeel lage huishoudinkomens is de afgelopen jaren licht aan het dalen. Opvallend is dat in deze buurt het aandeel niet-westerse migranten nog steeds aan het toenemen is. Verschillende adviseurs van de stadsdelen op het gebied van Wonen hebben ons geadviseerd Wildeman te selecteren als casusonderzoek.

De buurten ‘IJplein/Vogelbuurt Zuid’ hebben we gekozen omdat hier de afgelopen jaren een toename van het aandeel koopwoningen te zien is. Daarnaast is de WOZ-waarde hier sterk gestegen. Naast deze ontwikkelingen zien we nog steeds hoge percentages laagopgeleiden, lage huishoudinkomens en bewoners met een niet-westerse migratieachtergrond in de buurt.

Tot slot hebben wij de ‘Diamantbuurt’ geselecteerd omdat in deze buurt de bewonerssamenstelling qua migratieachtergrond redelijk overeenkomt met het stedelijk gemiddelde. Opvallend is hier dat het aantal eenpersoonshuishoudens hoger ligt dan het stedelijk gemiddelde. Daarnaast is de WOZ-waarde de afgelopen jaren gestegen tot boven het Amsterdams gemiddelde. Het aandeel lage huishoudinkomens is echter net als in de andere geselecteerde buurten hoger dan het stedelijk gemiddelde, maar is de afgelopen jaren aan het dalen.

Bijlmermuseum Zuid, Wildeman en IJplein/Vogelbuurt Zuid zijn buurten waarin geïnvesteerd wordt via de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten.

Bijlmermuseum Zuid

Introductie

Ligging

Bijlmermuseum Zuid is een buurt in het gebied Bijlmer-Oost dat samen met de gebieden Gaasperdam, Driemond en Bijlmer-Centrum, en Amstel III deel uitmaakt van stadsdeel Zuidoost (zie kaart B3.1). De buurt bestaat in 2019 uit 3.151 inwoners, 1.360 woningen en 1.622 huishoudens.  Bijlmermuseum Zuid vormt samen met nog een aantal andere buurten in Bijlmer-Oost de K-buurt.

Kaart B3.1 - Bijlmermuseum Zuid
Historie

Bijlmer-Oost is onderdeel van de Bijlmermeer dat tussen 1965 en 1974 gebouwd is voor middenklasse gezinnen als onderdeel van de stadsuitbreiding. De opzet van de Bijlmermeer bestond uit hoogbouwflats omringd door groen.  Deze bebouwing sloot echter niet aan bij de woonwensen van middenklasse gezinnen. Begin jaren '70 ontstond de eerste leegstand in de Bijlmer.  Vanaf eind jaren '90 heeft Amsterdam Zuidoost in reactie op een opeenstapeling van problemen, een grote vernieuwingsoperatie ondergaan. Meer dan de helft van de oorspronkelijke hoogbouw is gesloopt en vervangen door laag- en middelhoogbouw.  Acht van de originele hoogbouwflats in Bijlmer-Oost zijn bewaard gebleven. 

Bijlmermuseum Zuid bestaat uit drie van deze hoogbouwflats: Kleiburg, Kikkenstein en Kruitberg. Sinds 1999 zijn de flatgebouwen grootschalig gerenoveerd.  Een van de flats in Bijlmermuseum Zuid is aangeboden als koopflat met kluswoningen.

Schets van de buurt

Bijlmermuseum Zuid is een buurt aan de stadsrand dat volgens een buurttypologie van gemeente Amsterdam in 2015  getypeerd kan worden als 'aandachtsbuurt'. In dit buurttype wonen relatief veel mensen van niet-westerse migratieachtergrond en weinig nieuwe stedelingen. De sociaaleconomische positie van de bewoners is zwak en de schoolprestaties zijn onder het gemiddelde van Amsterdam.  De bouwstijl van Bijlmermuseum Zuid is gebaseerd op het idee van scheiding van functies wonen, werken, recreëren en verkeer.  De buurt bestaat uit een compositie van honingraatvormige flatgebouwen, relatief weinig voorzieningen en veel groen. 

Ontwikkelbuurt?

In 2017 is de K-buurt geselecteerd als een van de 32 ontwikkelbuurten waarin de gemeente Amsterdam extra investeert via de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. Bijlmermuseum Zuid is onderdeel van de ontwikkelbuurt K-buurt.  

Ervaringen van buurtbewoners

Groepsgesprekken

De informatie over de ervaring van buurtbewoners is gebaseerd op twee groepsgesprekken met bewoners die hebben plaatsgevonden in Bijlmermuseum Zuid op 28 november 2019 en 12 december 2019. De groepsgesprekken zijn gevoerd door Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS). In totaal zijn er vijftien mensen gesproken die in of nabij Bijlmermuseum Zuid wonen. Onder de bewoners die deel hebben genomen aan een groepsgesprek is variatie in woonduur, leeftijd, geslacht, type huishouden, sociaaleconomische situatie en migratieachtergrond. De informatie over de ervaring van buurtbewoners is aangevuld met de informatie die is opgedaan in een afzonderlijk gesprek met een gebiedsmakelaar van het gebiedsteam Bijlmer-Oost op 2 december 2019.

De eigen buurt
Figuur B3.2 - Bijlmermuseum Zuid
Afbakening van de buurt

De meeste bewoners ervaren hun buurt als een groter gebied dan de gemeentelijk vastgestelde grenzen van Bijlmermuseum Zuid zoals aangegeven in figuur B3.2. Een aantal bewoners stelt dat ze stadsdeel Zuidoost in zijn geheel als hun buurt ervaren. Hoe de bewoners hun buurt ervaren heeft volgens hen onder andere te maken met het gebruik van voorzieningen in omliggende buurten, maar ook de recreatie in parken zoals het Gaasperpark, en de sociale contacten met bewoners uit de omliggende buurten.  Daarnaast geven verschillende bewoners aan dat hun persoonskenmerken zoals leeftijd, fysieke gesteldheid, gezinssamenstelling en werkstatus invloed hebben op hoe zij de afbakening van hun buurt ervaren. Zo geven een aantal oudere bewoners aan dat ze een kleiner gebied als hun buurt zijn gaan zien als gevolg van het afnemen van hun fysieke mobiliteit. Bewoners die fysiek in orde zijn en bijvoorbeeld iedere dag hun hond uitlaten geven juist aan dat ze een groter gebied ervaren als hun buurt.

Sociale interactie in de buurt

Een deel van de bewoners ervaart Bijlmermuseum Zuid als een dorp. Ze ervaren redelijk veel sociaal contact in hun buurt en stellen ook dat bewoners naar elkaar omkijken. Het buurtplatform 'Hart voor de K-Buurt' is voor veel bewoners een manier om in contact te komen met buurtgenoten. Er worden verschillende activiteiten in de buurt georganiseerd waar mensen met verschillende migratieachtergronden op af komen. Echter stelt ook een deel van de bewoners dat er voornamelijk contact plaatsvindt tussen bewoners met dezelfde migratieachtergrond.  Het valt vrijwel alle bewoners op dat er steeds minder buurthuizen of andere ontmoetingsplekken in de omgeving van Bijlmermuseum Zuid zijn. De mogelijkheid om elkaar te ontmoeten neemt hierdoor af, stellen de bewoners. Dat ervaren zij als negatieve ontwikkeling.  In de zomer worden er door de bewoners echter wel veel sociale activiteiten in de openbare ruimte georganiseerd in Bijlmermuseum Zuid.

Gemengdheid

De bewoners ervaren Bijlmermuseum Zuid als een zeer gemengde buurt. Met name de grote diversiteit in migratieachtergrond draagt bij aan deze ervaring van gemengdheid. Deze gemengdheid van de buurt wordt in het algemeen positief ervaren. Toch geven verschillende bewoners aan dat cultuurverschillen tussen bewoners in de buurt soms voor problemen zorgen. Daarnaast geven bewoners aan dat er ook gemengdheid in de buurt is qua levensfase en type huishouden van de bewoners. De bewoners merken echter op dat er in Bijlmermuseum Zuid veel mensen wonen die laagopgeleid zijn en een laag of geen inkomen hebben.  De buurt is sociaaleconomisch gezien dus niet erg gemengd volgens de bewoners. Een aantal bewoners stelt dat bewoners met financiële problemen in de buurt door elkaar ondersteund worden en dat het sociale netwerk in de omgeving hierin een belangrijke rol speelt.

De gebiedsmakelaar Bijlmer-Oost geeft aan dat het volgens bewoners problematisch is dat er nu veel kwetsbare groepen worden gehuisvest in vrijgekomen woningen. Het valt op dat dit onderwerp in de gesprekken met bewoners niet naar boven is gekomen. Volgens de gebiedsmakelaar is er echter sprake van een stapeling van kwetsbare groepen in delen van Bijlmer-Oost. 

Verandering bewonerssamenstelling

Bewoners stellen dat de buurt sociaaleconomisch aan het veranderen is, onder andere als gevolg van de verkoop van sociale huurwoningen in de buurt. De bewoners merken op dat er de laatste jaren steeds meer bewoners in de buurt komen wonen met een relatief hoger besteedbaar inkomen.

"Dat zijn vaak mensen die heel hard werken en iets minder binding hebben met de buurt."

Een aantal bewoners geeft aan dat het voornamelijk autochtone Nederlanders zijn die tegenwoordig in de buurt komen wonen.  Verschillende bewoners merken op dat de nieuwe bewoners wat mondiger naar de gemeente toe zijn dan de meeste oud-bewoners. Dat wordt als een positieve ontwikkeling ervaren. 

“Het wordt hier meer zoals Holendrecht, meer tweeverdieners in koopwoningen.”  “Nu komen er toch wel mensen met wat geld, beetje ‘yupachtige’ mensen.” 

De bewoners stellen dat het voor de huidige, met name jonge, bewoners van Bijlmermuseum Zuid steeds lastiger wordt om in de buurt te blijven wonen vanwege de stijgende huizenprijzen. De bewoners vertellen dat jongeren die in de Bijlmer opgroeien vaak geen kans hebben op een woning en daarom moeten verhuizen naar elders. 

De gebiedsmakelaar stelt eveneens dat in delen in Bijlmer-Oost, de huidige bewoners moeite hebben door te stromen op de woningmarkt. "Vooral voor jongeren is het lastig om een woning te vinden."  De gebiedsmakelaar geeft aan dat bewoners in principe geen moeite hebben met nieuwe bewoners die van buiten het gebied komen. Ze stelt dat het goed is voor de leefbaarheid in de buurt. Problematisch vinden bewoners het wel als ze worden ‘weggedrukt’ en de dupe zijn van de schaarste op de woningmarkt en toenemende huizenprijzen. 

De gewenste rol van de gemeente

Gemengdheid

Een aantal bewoners spreekt uit dat de gemeente de gemengdheid in de buurt moet bewaken. Volgens de bewoners heeft het een meerwaarde om andere type mensen tegen te kunnen komen in je eigen woonomgeving. 

“Ik denk dat de gemeente zich bezig moet gaan houden met zorgen dat de stad voor iedereen blijft. Niet alleen voor tweeverdieners.” 

Een aantal bewoners vindt dat de gemeente het gemakkelijker moet maken voor woningcorporaties om sociale huurwoningen te bouwen.  Daarnaast stelt een aantal bewoners dat de gemeente meer moeite moet doen om het middensegment in de buurt te behouden zodat een sociaaleconomische tweedeling voorkomen wordt.  Een aantal bewoners heeft het gevoel dat ze niet genoeg betrokken wordt bij bepaalde plannen van de gemeente in de buurt.  Het wantrouwen richting de gemeente is bij een aantal bewoners groot.

“Ze [de ambtenaren] hebben geen feeling met de buurt, ze kennen de buurt niet." 

Ze hebben het gevoel dat inspraakavonden voornamelijk georganiseerd worden om bewoners het gevoel te geven dat ze inspraak hebben, maar dat er in het echt nauwelijks iets met hun bijdrage wordt gedaan. Daarnaast geven de bewoners met migratieachtergrond aan zichzelf niet genoeg te kunnen herkennen in het bestuur van de gemeente. Bewoners mét en zonder migratieachtergrond geven aan het belangrijk te vinden dat de gemeenteraad uit een meer gemengde groep mensen bestaat.

"Als de gemeente een gemengde stad belangrijk vindt, dan moet ze bij zichzelf beginnen."
Ontmoeting faciliteren

Verschillende bewoners stellen dat de gemeente ontmoetingsplekken in de buurt juist moet stimuleren in plaats van sluiten. Dit is volgens hen belangrijk zodat contact kan ontstaan tussen alle verschillende bevolkingsgroepen.  Andere bewoners geven aan dat er genoeg ontmoetingsplekken in Bijlmermuseum Zuid en omgeving zijn. Veel flats hebben volgens hen een eigen activiteitenruimte, een collectieve ruimte waar bewoners bij elkaar komen. 

Contact met bewoners

Bewoners geven aan dat de gemeente op dit moment niet alle bewoners in Bijlmermuseum Zuid bereikt via vragenlijsten en enquêtes. Daarnaast vinden ze de informatievoorziening vanuit de gemeente vanwege ingewikkeld taalgebruik niet toegankelijk voor alle groepen bewoners in Bijlmermuseum Zuid zoals ouderen, migranten en laagopgeleiden. De bewoners geven aan dat de opkomst bij door de gemeente georganiseerde inspraakavonden in Bijlmermuseum Zuid in het algemeen erg laag is. Ze geven echter aan het erg belangrijk te vinden om betrokken te worden bij plannen van de gemeente. 

Deelconclusie

Bijlmermuseum Zuid is onderdeel van de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. De bewoners die wij gesproken hebben geven vrijwel allen aan dat ze hun buurt als een groter gebied ervaren dan de gemeentelijk vastgestelde grenzen van Bijlmermuseum Zuid. Volgens de bewoners is er relatief veel contact tussen mensen in Bijlmermuseum Zuid. Echter vindt het contact wel met name plaats tussen mensen met dezelfde migratie- of culturele achtergrond. Bewoners stellen dat het aantal buurthuizen en ontmoetingsplekken in de buurt is gedaald waardoor mensen elkaar minder makkelijk tegenkomen. Bijlmermuseum Zuid is volgens de bewoners een zeer gemengde buurt. Met name de grote variëteit aan migratieachtergronden draagt bij aan deze ervaring van gemengdheid. Qua inkomen en opleidingsniveau vinden de bewoners de buurt minder gemengd. Een groot deel van de bewoners heeft een laag inkomen en een laag opleidingsniveau. Volgens de gebiedsmakelaar is er daarnaast een stapeling van kwetsbare doelgroepen in de buurt. Tijdens de gesprekken met bewoners is dit probleem echter niet ter sprake gekomen. De bewoners merken wel op dat de buurt de laatste jaren sociaaleconomisch aan het veranderen is. Door de verkoop van sociale huurwoningen komen er steeds meer mensen in de buurt wonen met een hoger besteedbaar inkomen. In het algemeen wordt deze ontwikkeling positief ervaren door de bewoners. Een negatieve ontwikkeling die de bewoners aankaarten is dat jongeren die opgroeien in de Bijlmer vaak geen kans hebben op een woning en daarom moeten verhuizen. Zij worden steeds meer de dupe van de schaarste op de woningmarkt en de stijgende huizenprijzen. De bewoners stellen dat de gemeente de gemengdheid in Bijlmermuseum Zuid moet bewaken. Ze geven aan dat ze willen dat de gemeente meer moeite doet om het middensegment in de buurt te behouden zodat een sociaaleconomische tweedeling voorkomen wordt. Daarnaast spreken de bewoners zich uit voor meer ontmoetingsplekken in de buurt zodat het contact tussen verschillende bevolkingsgroepen makkelijker kan plaatsvinden. Tot slot pleiten de bewoners voor een betere informatievoorziening vanuit de gemeente naar de bewoners. Ze vinden het nu niet toegankelijk voor alle groepen bewoners in Bijlmermuseum Zuid, zoals ouderen, migranten en laagopgeleiden.

IJplein/Vogelbuurt Zuid

Introductie

Ligging

IJplein e.o. (zie kaart B3.3) en Vogelbuurt Zuid (zie kaart B3.4) zijn buurten in het gebied Oud-Noord. Samen met de gebieden Noord-Oost en Noord-West vormt Oud-Noord het stadsdeel Noord. IJplein e.o. bestaat in 2019 uit 2.505 inwoners, 1.427 woningen en 1.493 huishoudens. Vogelbuurt Zuid is iets groter en bestaat uit 4.314 inwoners, 1.990 woningen, 2.184 huishoudens. 

Kaart B3.3 – IJplein
Kaart B3.4 - Vogelbuurt Zuid
Historie

Amsterdam-Noord werd in de periode 1910-1940 uitgewerkt als sociaaldemocratisch woongebied dat gericht was op de huisvesting van arbeiders in de scheepsindustrie. De woningbouw in Amsterdam-Noord startte in 1909 aan de zuidkant van de Vogelbuurt.   Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verschillende woonblokken in Vogelbuurt Zuid gebombardeerd. Na de oorlog zijn deze woonblokken herbouwd. De overige woningen zijn nog in originele staat en hebben de status van Rijksbeschermd stadsgezicht. De woningen in de buurt IJplein zijn gebouwd in de jaren '80 van de vorige eeuw. Tussen 1879 en 1980 was hier de scheepsreparatiewerf ADM (Amsterdamsche Droogdok Maatschappij) gevestigd. 

Schets van de buurt

IJplein en Vogelbuurt Zuid zijn buurten vlakbij het centrum die volgens de buurttypologie van de Gemeente Amsterdam in 2015 getypeerd kunnen worden als 'aandachtsbuurten'. In dit buurttype wonen relatief veel mensen van niet-westerse migratieachtergrond en weinig nieuwe stedelingen. De sociaaleconomische positie van de bewoners is zwak en de schoolprestaties zijn onder het gemiddelde.  De Vogelbuurt is het eerste tuindorp, gebouwd als voorbeeld voor de sociale volkshuisvesting.  De buurt bestaat uit rijen relatief kleinschalige arbeiderswoningen met een dorpse stedenbouwkundige structuur en relatief veel groen. In de jaren '80 maakten de scheepswerven in de buurt IJplein plaats voor woningbouw, met strokenbouw in het oostelijk deel en twaalf kleinere vierkante woonblokken, ook wel 'urban villa's' genoemd in het westelijk deel.  

Ontwikkelbuurt?

De IJplein/Vogelbuurt behoort tegenwoordig tot een van de armste buurten van zowel Amsterdam als Nederland.  IJplein/Vogelbuurt is opgenomen als een van de 32 ontwikkelbuurten via de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten (zie paragraaf 5.6).  Het nabijgelegen Hamerkwartier is door de gemeente Amsterdam aangewezen als versnellingslocatie voor woningbouw. Dat betekent dat dit gebied de komende jaren versneld ontwikkeling gaat doormaken van bedrijventerrein naar gemengd woon-werkgebied met toevoeging van 2.400 tot 3.500 woningen. Om ervoor te zorgen dat de omliggende buurten IJplein-Vogelbuurt meeprofiteren van deze ontwikkeling, wordt gewerkt aan het programma Ongedeelde Wijk.  Bewoners en ondernemers zijn op meerdere niveaus betrokken bij het opstellen van een visie ten aanzien van een ongedeeld IJplein/Vogelbuurt - Hamerkwartier (zie kader paragraaf 5.6.3). 

Ervaring van buurtbewoners

Groepsgesprekken

De informatie over de ervaring van buurtbewoners is gebaseerd op twee groepsgesprekken met bewoners die hebben plaatsgevonden in Vogelbuurt Zuid op 27 en 28 november 2019. De groepsgesprekken zijn uitgevoerd door OIS. In totaal hebben vijftien mensen die in IJplein of Vogelbuurt Zuid of de nabije omgeving wonen, deelgenomen aan een groepsgesprek. Onder de deelnemers was variatie in woonduur, leeftijd, geslacht, type huishouden, sociaaleconomische situatie en migratieachtergrond. De informatie over de ervaring van buurtbewoners is aangevuld met de informatie die is opgedaan in een afzonderlijk gesprek met twee gebiedsmakelaars van het gebiedsteam Oud-Noord op 9 december 2019.

De eigen buurt
Figuur B3.5 - Vogelbuurt Zuid
Figuur B3.6 – IJplein
Afbakening buurt

De bewoners van IJplein/Vogelbuurt hebben verschillende ideeën over wat ze als hun buurt ervaren. Sommige oudere bewoners stellen dat wat zij als hun buurt ervaren, kleinschaliger is geworden omdat ze door hun fysieke klachten minder mobiel zijn geworden. De meeste bewoners ervaren hun buurt als een groter gebied dan de gemeentelijk vastgestelde grenzen van IJplein of Vogelbuurt Zuid. Dat heeft te maken met het gebruik van voorzieningen in omliggende buurten, de recreatie in parken zoals het Vliegenbos, en ook de sociale contacten met bewoners uit de omliggende buurten. Verschillende bewoners geven nadrukkelijk aan dat het nabijgelegen Hamerkwartier niet bij hun buurt hoort. Het Hamerkwartier is (nog) voornamelijk bedrijventerrein, maar telt wel voorzieningen, bijvoorbeeld een bioscoop, restaurants en een Jumbo Foodmarkt. Een aantal bewoners sceptisch over de ontwikkelingen die gaan plaatsvinden in het gebied. Ze zijn bang dat de herontwikkeling van het Hamerkwartier geen positief effect zal hebben op de omliggende buurten.

Sociale interactie

Er is in wisselende mate contact tussen de buurtbewoners. Een aantal bewoners geeft aan erg veel contact met andere buurtbewoners te hebben. Zo bestaat er bijvoorbeeld een BuurtApp voor vrouwen uit de IJplein/Vogelbuurt, waar intensief gebruik van wordt gemaakt. Andere bewoners geven aan dat er wel contact is in de buurt, maar dat veel mensen bij hun ‘eigen groep' blijven. Zij geven aan dat er niet veel contact is tussen verschillende etnische en culturele groepen in IJplein/Vogelbuurt Zuid. 

“Wat heb je aan gemengdheid als mensen helemaal geen interactie met elkaar aangaan.” 
Gemengdheid

De bewoners geven aan het belangrijk te vinden om in een gemengde buurt te wonen. Bewoners stellen onder andere dat ze het saai vinden om in een buurt te wonen die niet gemengd is. Daarnaast ervaren ze meer tolerantie en wederzijdse acceptatie en daardoor meer persoonlijke vrijheid in een buurt met veel verschillende bewoners.

"Wij zijn hier bewust gaan wonen omdat we veel verschillende mensen ontmoeten en dat verrijkt je." 

De buurbewoners vinden hun buurt in het algemeen erg gemengd qua migratieachtergrond en leeftijd. Bewoners merken wel op dat er niet genoeg geschikte woningen zijn voor de ouderen in de buurt of de omliggende buurten. De ouderen zien geen mogelijkheden om naar een meer geschikte woning te verhuizen waardoor hun woning niet beschikbaar komt voor bijvoorbeeld nieuwe gezinnen. Het gevolg is volgens een aantal bewoners dat de buurt vergrijst. De bewoners geven aan het belangrijk te vinden dat alle leeftijden terug te vinden zijn in een buurt.   

“Oudere bewoners zijn de verbinders van de buurt, die kennen mensen die er al wonen en proberen nieuwe mensen te leren kennen.” 

De bewoners zijn in het algemeen tevreden over de gemengdheid in de buurt.  Toch geven veel bewoners aan dat zij de bewonerssamenstelling van hun buurt op een aantal aspecten niet gemengd vinden. Er wonen volgens hen relatief veel sociaaleconomisch zwakkeren in de buurt. De bewoners stellen dat een groot aantal mensen uit de buurt schuldhulpverlening ontvangt. Het valt de bewoners daarnaast ook op dat er veel kwetsbare groepen in de buurt wonen. Veel bewoners geven aan met enige regelmaat overlast te ervaren van kwetsbare bewoners. De bewoners zijn het met elkaar eens dat er te veel kwetsbare bewoners in dezelfde buurt zijn gehuisvest en dat dit een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid van de buurt.

“Ik gun ze een huis, die mensen moet ook wonen, maar je moet ze niet allemaal naast elkaar zetten. Dat is voor hun ook slecht.” 
Verandering bewonerssamenstelling

Het valt de bewoners op dat er in de afgelopen jaren veel sociale huurwoningen zijn verkocht. De prijzen van de koopwoningen in IJplein en Vogelbuurt Zuid zijn daarnaast erg gestegen volgens de bewoners. Daardoor is er een ander type bewoner in de buurt komen wonen met een relatief hoger inkomen.  Een aantal bewoners spreekt van het ontstaan van een sociaaleconomische tweedeling in de buurt als gevolg hiervan. Daarnaast woonden er al veel kwetsbare groepen in de buurt, maar bewoners geven aan dat dit aantal de afgelopen jaren merkbaar is toegenomen. Dat heeft volgens de bewoners een negatieve invloed op de leefbaarheid in de buurt.

De gebiedsmakelaars bevestigen dat er een periode veel sociale huurwoningen zijn verkocht in IJplein/Vogelbuurt Zuid. De woningcorporaties zijn daar echter nu mee gestopt volgens de gebiedsmakelaars. Wel worden er nog veel woningen verkamerd. De gebiedsmakelaars van het gebiedsteam Oud-Noord vragen zich af of deze ontwikkeling positief is voor een wijk waar al relatief veel uitdagingen zijn.  Daarnaast merken ze net als de bewoners op dat de sociaaleconomische tweedeling onder de bewoners de afgelopen jaren groter is geworden. Het middensegment ontbreekt in de buurt. De sociaaleconomische tweedeling levert steeds meer spanningen op tussen de bewoners volgens de gebiedsmakelaars. De gebiedsmakelaars zijn van mening dat het positief is voor de buurt als er meer bewoners aangetrokken worden in het middensegment. 

De gewenste rol van de gemeente

Gemengdheid

In het algemeen stellen de bewoners dat de gemeente maatregelen moet nemen om de gemengdheid op buurtniveau te bewaken.  Veel bewoners ervaren de bewonerssamenstelling tegenwoordig als een redelijk goede mix waarbij niet één bevolkingsgroep overheerst. "Mensen voelen zich in de eerste plaats Noorderling, dan Amsterdammer en dan pas waar je vandaan komt."  De bewoners willen graag balans behouden in de bewonerssamenstelling in de buurt.  De angst heerst dat de herontwikkeling van het Hamerkwartier, ondanks de projectgroep Ongedeelde Wijk, zal leiden tot een nóg grotere tweedeling in de wijk. 

“Straks zijn er alleen nog maar toeristen en expats.” 

Een deel van de bewoners geeft aan het zeer belangrijk te vinden om te worden betrokken bij de plannen van de gemeente in hun buurt en de omliggende buurten. Toch laten ze ook weten dat ze niet het gevoel hebben dat er naar hun input geluisterd wordt door de gemeente.  Er heerst bij de bewoners de angst dat stadsvernieuwing ervoor zal zorgen dat de buurt minder gemengd wordt. Bewoners stellen dat bij de renovatie van een woonblok in de omgeving slechts 60% van de oorspronkelijke bewoners is teruggekeerd nadat de renovatie was afgerond. "Dat lijkt wel het doel te zijn, sociale huurder voor een deel wegkrijgen." 

Contact met bewoners

Verschillende bewoners stellen dat de gemeente op een meer toegankelijke manier met bewoners moet communiceren. De bewoners geven aan dat de informatievoorziening over de buurt maar ook de digitale vragenlijsten en enquêtes niet goed toegankelijk zijn voor mensen die bijvoorbeeld laaggeletterd zijn of moeite hebben met de Nederlandse taal. Hierdoor wordt volgens hen een deel van de bewoners niet goed bereikt door de gemeente. De gebiedsmakelaars uit het gebiedsteam Oud-Noord stellen dat een groot deel van de bewoners in IJplein/Vogelbuurt Zuid laaggeletterd zijn en/of een licht verstandelijke beperking hebben. Het is volgens hen belangrijk om hier rekening mee te houden in de communicatie naar de bewoners. Door de toenemende digitalisering wordt de communicatie vanuit de gemeente volgens de gebiedsmakelaars steeds lastiger te volgen voor sommige bewoners. 

Deelconclusie

IJplein en Vogelbuurt Zuid zijn aangewezen als onderdeel van de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. Veel bewoners geven aan dat ze hun buurt ervaren als een groter gebied dan de gemeentelijk vastgestelde grenzen. Er is in wisselende mate contact tussen de buurtbewoners. Sommige bewoners geven aan erg veel contact te hebben met andere buurbewoners. Andere bewoners geven aan dat er wel contact is in de buurt, maar dat veel contact plaatsvindt tussen bewoners met dezelfde migratieachtergrond. De bewoners ervaren IJplein en Vogelbuurt Zuid als buurten met een gemengde bewonerssamenstelling. Alle bewoners geven aan het belangrijk te vinden om in een gemengde buurt te wonen, mits er interactie is tussen de bewoners. Een gemengde bewonerssamenstelling geeft volgens de bewoners meer tolerantie en wederzijdse acceptatie. De bewoners vinden IJplein en Vogelbuurt Zuid erg gemengd qua migratieachtergrond en leeftijd. Er wonen echter wel veel sociaaleconomisch zwakkeren en kwetsbare doelgroepen in de buurt. Bewoners geven aan dat dit een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid in de buurt. De afgelopen jaren zijn er volgens de bewoners meer mensen met een hoger inkomen in de buurt komen wonen. De groeiende sociaaleconomische tweedeling wordt door veel bewoners aangeduid als een probleem wat ook voor spanning zorgt tussen de bewoners. Het ontbreken van het middensegment wordt door de gebiedsmakelaars als probleem gesignaleerd. Bewoners vinden dat de gemeente zich moet inzetten om de gemengdheid in de IJplein en Vogelbuurt Zuid te bewaken. De bewoners uitten zich sceptisch over de herontwikkeling van het nabijgelegen Hamerkwartier. De angst heerst dat de gebiedsontwikkeling ervoor zal zorgen dat de balans in de bewonerssamenstelling zal verdwijnen. Er worden veel inspraakmomenten georganiseerd vanuit de gemeente, maar een aantal bewoners geeft aan zich niet gehoord te voelen door de gemeente. Daarnaast stellen de bewoners dat de gemeente op een toegankelijkere manier met bewoners moet communiceren. In de buurten wonen veel mensen die laaggeletterd zijn en/of moeite hebben met de Nederlandse taal. Het is volgens de bewoners belangrijk om hiermee rekening te houden in de communicatie naar de bewoners.

Diamantbuurt

Introductie

Ligging

De Diamantbuurt (zie kaart B3.7) is een buurt in het gebied De Pijp, Rivierenbuurt. Dit gebied vormt samen met Oud-Zuid en Buitenveldert, Zuidas het stadsdeel Zuid. De buurt bestaat in 2019 uit 3.144 inwoners, 1.679 woningen en 1.804 huishoudens. 

Kaart B3.7 – Diamantbuurt
Historie

De Diamantbuurt werd grotendeels gebouwd in de jaren twintig van de 20e eeuw als woongebied voor de Amsterdamse arbeidersklasse. In de jaren '80 heeft er een renovatie plaatsgevonden waardoor de woningen in een relatief goede bouwkundige staat zijn.  Sinds 2004 is de buurt regelmatig in het nieuws geweest met berichten over jongerenoverlast en jeugdcriminaliteit.  Er is door het stadsdeel, politie en hulpverleners samengewerkt om deze problemen te beteugelen.  Via jongerenwerk, andere initiatieven vanuit de stadsdeelorganisatie en aandacht vanuit de woningcorporaties is de situatie in de buurt inmiddels gestabiliseerd volgens de gebiedsmakelaar van de Pijp/Rivierenbuurt.  Uit de registratie van de politie bleek in 2017 echter een lichte toename van incidenten (13% meer), die voornamelijk wordt veroorzaakt door hangjongeren. Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente in 2018 het cameratoezicht in de buurt heeft uitgebreid. 

Schets van de buurt

De Diamantbuurt is een buurt vlakbij het centrum die volgens een buurttypologie van de gemeente Amsterdam in 2015 getypeerd kan worden als 'opkomende stadsbuurt'. Dit buurttype kent nog veel armoede (meer dan 23% van de huishoudens is een minimahuishouden). Er zijn veel sociale huurwoningen van woningcorporaties in de Diamantbuurt. Hierdoor blijven er relatief veel huishoudens met een lage sociaaleconomische positie instromen. De buurt maakt echter een sterke ontwikkeling door. Ondanks de relatief lage sociaaleconomische positie, neemt de leefbaarheid sterk toe. De bewonerssamenstelling is divers. De Diamantbuurt is een vooroorlogse arbeiderswijk met relatief kleine etagewoningen in klassiek gesloten bouwblokken.  Een deel van de Diamantstraat en naburige straten bestaat uit kleine arbeidershuisjes die in de jaren negentig van de 19e eeuw zijn gebouwd als modelwoningen voor arbeiders in een landelijk poldergebied van de toenmalige gemeente Nieuwer-Amstel. 

Ontwikkelbuurt?

De Diamantbuurt wordt net als de IJssel- en Rijnbuurt omringd door aantrekkelijke buurten in stadsdeel Zuid en blijft daar sociaaleconomisch gezien bij achter.  Door het hoge percentage sociale huurwoningen in de buurt, en de afspraken met betrekking tot de toewijzing van woningen aan prioritaire groepen, wonen er relatief veel kwetsbare groepen in de Diamantbuurt.   De buurt is niet opgenomen in de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. De gebiedsmakelaar van de Diamantbuurt stelt dat stadsdeel Zuid bekendstaat als een rijk stadsdeel. Als je op buurtniveau naar het stadsdeel kijkt, wordt volgens de gebiedsmakelaar echter duidelijk dat er een aantal buurten zijn, waaronder de Diamantbuurt, waarin dezelfde problematiek speelt als in de ontwikkelbuurten. 

Ervaring van buurtbewoners

Groepsgesprekken

De informatie over de ervaring van buurtbewoners is gebaseerd op twee groepsgesprekken met bewoners die hebben plaatsgevonden in de Diamantbuurt op 16 en 18 december 2019. De groepsgesprekken zijn uitgevoerd door OIS. In totaal hebben tien bewoners uit de Diamantbuurt deelgenomen aan een groepsgesprek. Onder de deelnemers is variatie in woonduur, leeftijd, geslacht, type huishouden en sociaaleconomische situatie. Er was echter slechts één bewoner met een migratieachtergrond. De informatie over de ervaring van buurtbewoners is aangevuld met de informatie die is opgedaan in een afzonderlijk gesprek met een gebiedsmakelaar uit het gebiedsteam Pijp/Rivierenbuurt op 25 november 2019.

De eigen buurt
Figuur B3.8 – Diamantbuurt
Afbakening buurt

De bewoners van de Diamantbuurt hebben verschillende ideeën bij wat ze als hun buurt ervaren. Het valt echter op dat wat de bewoners ervaren als hun buurt relatief vaak overeenkomt met de gemeentelijk vastgestelde grenzen van de Diamantbuurt. Volgens de gebiedsmakelaar staan maar weinig straten in verbinding met de omliggende hoofdwegen waardoor het aanvoelt als een soort dorp.  Een aantal bewoners geeft aan de buurt als een groter gebied te zien. Dat heeft te maken met het gebruik van voorzieningen in omliggende buurten, de recreatie in parken zoals het Sarphatipark, en ook de sociale contacten met bewoners uit de omliggende buurten.

Sociale interactie

Een aantal bewoners geeft aan dat de Diamantbuurt een negatief imago had toen zij er in het verleden naartoe verhuisden. De buurt had een imago van een buurt met overlast en (jeugd)criminaliteit.

“Vroeger wilden mensen hier niet wonen. Vroeger was dit de achterbuurt van Zuid.” 

Een aantal bewoners geeft aan dat er voorheen problemen zijn geweest met voornamelijk Marokkaans Amsterdamse jongeren in de buurt.  De meeste bewoners stellen echter dat hun ervaringen in de buurt tegenwoordig anders zijn. Volgens hen is het contact met andere buurtbewoners redelijk goed en vrijwel alle bewoners voelen zich veilig in de buurt. In een aantal straten is relatief veel sociaal contact tussen de bewoners. Toch is de beleving ook dat veel bevolkingsgroepen alleen omgaan met mensen met dezelfde migratieachtergrond.  Een aantal bewoners geeft aan dat de sociale cohesie tussen de verschillende bevolkingsgroepen de afgelopen jaren verbeterd is.

Gemengdheid

De bewoners geven aan het erg belangrijk te vinden om in een gemengde buurt te wonen. Een buurt waar veel verschillende typen mensen wonen ervaren zij als levendiger en aantrekkelijker dan een buurt met een meer homogene bewonerssamenstelling. Het gaat de bewoners daarbij voornamelijk om de migratieachtergrond, de gezinssamenstelling en de leeftijd van mensen. In het algemeen ervaren de bewoners hun buurt als gemengd.  Dat komt met name door verschillende migratieachtergronden. "Er wonen natuurlijk allerlei nationaliteiten, maar het is niet zo dat één groep het straatbeeld domineert."  De bewoners geven aan dat ze het belangrijk vinden om in een buurt te wonen waar ze ook mensen kunnen tegenkomen die niet op hen lijken.  Het valt de bewoners echter wel op dat er veel ouderen en relatief weinig gezinnen in de Diamantbuurt wonen. Er zijn volgens de bewoners relatief veel kleine woningen in de Diamantbuurt. Veel woningen zijn te klein voor een gezin. Het gevolg is dat stellen die kinderen krijgen de buurt verlaten.  De bewoners geven aan dat sommige oudere bewoners, die bijvoorbeeld op drie- of vierhoog wonen, graag een andere woning zouden willen hebben. Omdat ze deze niet kunnen vinden, blijven ze wonen in een woning die niet geschikt is. 

“Het zou fijn zijn dat als je ouder wordt, je in je eigen buurt kan blijven wonen. Het is niet mogelijk om in deze buurt een ander huis te krijgen.” 

Er wonen volgens de bewoners relatief veel kwetsbare bewoners in de buurt. Een aantal bewoners geeft aan dat zij overlast ervaren als gevolg van de concentratie kwetsbare bewoners in de buurt. De gebiedsmakelaar stelt eveneens dat er sprake is van een opeenstapeling van kwetsbare groepen in de Diamantbuurt.  Daarnaast is er volgens de gebiedsmakelaar veel armoede in de buurt. Een relatief groot percentage inwoners leeft onder de armoedegrens. 

Verandering bewonerssamenstelling

Er zijn volgens de bewoners de afgelopen jaren veel sociale huurwoningen verkocht in de Diamantbuurt.  Daardoor komen er steeds meer mensen met hoge inkomens in de buurt wonen. Ook merkt een aantal bewoners op dat er veel woningen aan expats worden verkocht.  Veel bewoners vinden het een negatieve ontwikkeling dat veel sociale huurwoningen verkocht worden en dat de prijzen van woningen zijn gestegen.  Het wordt volgens hen steeds lastiger voor jongeren die geboren zijn in de buurt, om er te blijven wonen vanwege de stijgende woningprijzen. 

"We zijn een sociale buurt. Het verkopen van sociale huurwoningen verbetert de buurt niet."  

De bewoners zijn bang dat door de verkoop van sociale huurwoningen de sociale cohesie en de culturele diversiteit in de buurt zullen verdwijnen.  Er komen volgens de bewoners ook steeds meer studenten in de buurt wonen. Rijke ouders kopen een huis en verhuren dit aan studenten.  Een aantal bewoners is van mening dat de buurt daardoor aan het ‘veryuppen’ is.  De arm-rijktegenstellingen nemen volgens hen toe. 

"Je ziet meer dure auto's en tweeverdieners. Ikzelf ga naar de voedselbank en heb geen cent te makken."

Veel mensen die huizen kopen in de buurt zijn vooral uit op de winst en willen het huis snel weer doorverkopen, stelt een aantal bewoners. Dat is niet goed voor de leefbaarheid en sociale cohesie in de buurt. De gebiedsmakelaar van de Pijp/Rivierenbuurt stelt ook dat er in de afgelopen jaren veel sociale huurwoningen verkocht zijn in de Diamantbuurt. De onvrede over deze ontwikkeling bij de buurtbewoners is ook bekend bij de gebiedsmakelaar. Hij merkt op dat de groeiende tweedeling tussen arm en rijk spanningen laat ontstaan in de buurt. 

De gewenste rol van de gemeente

Gemengdheid

Veel bewoners willen dat de gemeente de verkoop van sociale huurwoningen stopt. Ze geven aan te ervaren dat de gemengdheid van de buurt hierdoor afneemt.  Verder stelt een deel van de bewoners dat het wenselijk te vinden als de gemeente het marktmechanisme van woningverkoop inperkt. De bewoners hopen hiermee te voorkomen dat de prijzen van woningen te veel stijgen, waardoor het voor veel mensen onbetaalbaar wordt om in de buurt te wonen. 

Ontmoeting faciliteren

Een groot deel van de bewoners geeft aan dat het wenselijk is als de gemeente de verantwoordelijkheid neemt om bewonersinitiatieven te ondersteunen die verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact laten komen.  Ze vinden dat de complexe regelgeving van de centrale stad te vaak hun initiatieven blokkeert. 

Contact met bewoners

Een aantal bewoners geeft aan het gevoel te hebben dat sommige groepen bewoners niet goed bereikt en gezien worden door stadsdeel Zuid. Het wordt door hen belangrijk gevonden dat er bij het stadsdeel mensen werken die gemakkelijk contact kunnen krijgen tot verschillende religieuze en culturele groepen.

Deelconclusie

De Diamantbuurt is géén onderdeel van de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. De buurt heeft echter wel een periode een negatief imago gekend. Tegenwoordig blijft de buurt nog steeds sociaaleconomisch achter bij de omliggende buurten in stadsdeel Zuid, maar is het imago van een buurt met overlast en (jeugd)criminaliteit inmiddels afgezwakt. De bewoners geven aan dat er onderling contact is met andere buurtbewoners in de Diamantbuurt. Er is een aantal straten waar meer contact tussen bewoners is dan in andere straten. Hoe de buurtbewoners hun buurt ervaren komt grotendeels overeen met de gemeentelijk vastgestelde grenzen van de Diamantbuurt. De bewoners geven aan het belangrijk te vinden om in een gemengde buurt te wonen. Ze ervaren een buurt waar veel verschillende typen mensen wonen als levendiger en aantrekkelijker dan een buurt met een meer homogene bewonerssamenstelling. De bewoners ervaren de Diamantbuurt als een gemengde buurt. Dat komt met name door de verschillende migratieachtergronden. Het valt de bewoners echter wel op dat er relatief veel ouderen en weinig gezinnen in de buurt wonen. Ook valt het de bewoners op dat er relatief veel kwetsbare groepen in de buurt wonen en veel bewoners met een lage sociaaleconomische positie. De afgelopen jaren is de concentratie kwetsbare doelgroepen in de buurt volgens de bewoners toegenomen. Door de verkoop van sociale huurwoningen zijn er ook meer hoge inkomensgroepen in de buurt komen wonen. De bewoners geven aan dat de arm-rijktegenstellingen in de buurt aan het toenemen zijn. De groeiende tweedeling tussen arm en rijk zorgt voor spanningen tussen de bewoners die ook door de gebiedsmakelaar worden opgemerkt. Bewoners willen graag dat er geen sociale huurwoningen meer verkocht worden in de Diamantbuurt. Ze willen dat de buurt toegankelijk blijft voor verschillende inkomensgroepen. Bewoners geven aan het wenselijk te vinden als de gemeente bewonersinitiatieven meer ondersteunt die verschillende bevolkingsroepen met elkaar in contact laten komen. Zij zien de gemeentelijke regelgeving omtrent bewonersinitiatieven nog te vaak als een belemmering. Daarnaast geven de bewoners aan dat de gemeente niet in staat is om alle bewoners te bereiken in de Diamantbuurt. Volgens hen is het belangrijk dat er bij het stadsdeel mensen werken die gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot verschillende religieuze en culturele groepen.

Wildeman

Introductie

Ligging

Wildeman (zie kaart B3.9) is een buurt in het gebied Osdorp. Osdorp vormt samen met de gebieden Geuzenveld, Slotermeer, Sloterdijk, Slotervaart en De Aker, Sloten, Nieuw-Sloten het stadsdeel Nieuw-West. De buurt bestaat in 2019 uit 4.960 inwoners, 2.428 woningen en 2.587 huishoudens. 

Kaart B3.9 – Wildeman
Historie

De Wildemanbuurt is in de jaren '60 gebouwd als onderdeel van de Westelijke Tuinsteden.  Onder het motto 'licht, lucht en ruimte' kwam er ook veel plaats voor groen in de Wildemanbuurt. De opzet van de buurt werd gezien als voorbeeld voor veel andere buurten en wijken in Nederland.  Op dit moment is de buurt echter toe aan een opknapbeurt. De Wildemanbuurt kwam in 2007 op de lijst van minister Vogelaar met wijken waarin extra geïnvesteerd moest worden.  Op fysiek gebied waren er in 2010 grootse sloop- en nieuwbouwplannen (stedelijk vernieuwingsplan Parkstad). Deze plannen zijn als gevolg van de economische crisis echter nooit uitgevoerd.  Als gevolg van dit besluit staat de Wildemanbuurt nog geheel als verouderde buurt overeind. 

Schets van de buurt

Wildeman is een buurt aan de stadsrand die volgens een buurttypologie van de gemeente Amsterdam in 2015 getypeerd kan worden als 'vergrijsde buurt'. In dit buurttype wonen naast veel ouderen ook veel gezinnen. De buurt heeft een ongunstige positie op sociaaleconomisch gebied, op het gebied van leefbaarheid en openbare ruimte. De Wildeman is een vroeg naoorlogse stadswijk met een open verkavelingsstructuur.  De buurt bestaat uit hoogbouw afgewisseld met rijen portiekflats.

Ontwikkelbuurt?

In 2017 is de Wildemanbuurt geselecteerd als onderdeel van de 32 buurten waarin de gemeente Amsterdam via de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten investeert. In datzelfde jaar is gestart om de leefbaarheid en veiligheid in de buurt te verbeteren door middel van een integrale aanpak (Integrale aanpak Wildemanbuurt 2018-2025).  De Wildemanbuurt betreft een buurt met een relatief grote groep kwetsbare bewoners, de armoede is groot en de criminaliteitscijfers zijn hoog (met name onder jongeren).  Met de integrale aanpak Wildemanbuurt slaan woningbouwcorporaties Eigen Haard, Stadgenoot, en het stadsdeel de handen ineen om de Wildeman- en Blomwijckerbuurt op sociaal, economisch en fysiek gebied te verbeteren. Om de verhouding evenwichtiger te maken, wil de gemeente het aandeel draagkrachtige bewoners in de buurt vergroten door middel van aanpassingen in de woningvoorraad. Volgens de gebiedsmakelaar wordt er binnenkort een woonblok met enkel sociale huurwoningen gesloopt. Daar komt 40-40-20 voor terug.  Volgens het gebiedsplan Osdorp 2019 gaat de gemeente bij bestaande huur voornamelijk inzetten op natuurlijk verloop van verhuizingen, en draagkrachtigen verleiden om in de Wildeman te komen wonen. 

Ervaring van buurtbewoners

Groepsgesprekken

De informatie over de ervaring van buurtbewoners is gebaseerd op twee groepsgesprekken met bewoners die hebben plaatsgevonden in Wildeman op 3 en 11 december 2019. De groepsgesprekken zijn uitgevoerd door OIS. In totaal zijn er achttien buurtbewoners uit Wildeman gesproken. Onder de bewoners die deel hebben genomen aan een groepsgesprek is variatie in woonduur, leeftijd, geslacht, type huishouden, sociaaleconomische situatie en migratieachtergrond. De informatie over de ervaring van buurtbewoners is aangevuld met de informatie die is opgedaan in een afzonderlijk gesprek met een gebiedsmakelaar van het gebiedsteam Osdorp op 3 december 2019.

De eigen buurt
Figuur B3.10 – Wildeman
Afbakening buurt

De bewoners van Wildeman hebben verschillende ideeën bij wat ze als hun buurt ervaren. Het valt echter op dat wat de bewoners ervaren als hun buurt, relatief vaak overeenkomt met de gemeentelijk vastgestelde grenzen van Wildeman. Een aantal bewoners geeft aan de buurt als een groter gebied te zien. Dat heeft te maken met het gebruik van voorzieningen in omliggende buurten zoals het winkelgebied op het Osdorpplein, de recreatie in parken in de omgeving zoals de Sloterplas, en de sociale contacten met bewoners uit de omliggende buurten.

Sociale interactie

Een aantal bewoners in Wildeman geeft aan dat bevolkingsgroepen met verschillende migratieachtergronden erg op de eigen groep gericht zijn.  De bewoners geven allen aan dat er de afgelopen jaren steeds minder buurtactiviteiten zijn. Veel buurtcentra zijn gesloten waardoor er minder mogelijkheden zijn voor bewoners om elkaar te ontmoeten.  Ook stelt een aantal bewoners overlast te ervaren van jongeren in de buurt, met name rondom de Osdorper Ban.  Een aantal andere bewoners geeft aan dat er juist een grote sociale cohesie in de buurt is. Ze geven aan dat er veel gemeenschappen in Wildeman wonen die goed met elkaar samenleven en op elkaar letten. 

Gemengdheid

Het valt de meeste bewoners op dat er vooral veel Turkse en Marokkaanse Amsterdammers in Wildeman wonen. Bewoners met en zonder migratieachtergrond geven aan dat ze liever meer gemengdheid zien in de bewonerssamenstelling qua migratieachtergrond.  Wat betreft inkomen vinden ze de buurt in het algemeen ook niet gemengd. Er wonen relatief veel mensen met een lager inkomen en de werkloosheid is ook groot.  Volgens de bewoners wonen er relatief veel kinderen en ouderen in de Wildeman en relatief weinig stellen en starters.  Dus ook qua levensfase, leeftijd en huishouden ervaart een deel van de bewoners de buurt niet heel gemengd. Het is voor veel bewoners belangrijk dat de buurt een mix is van verschillende mensen. Bewoners willen niet dat er in de buurt een ‘monocultuur’ ontstaat.  Ze willen ook mensen in hun buurt tegen kunnen komen en ontmoeten die niet op hen lijken.  Veel bewoners geven aan dat ze het saai vinden als een buurt niet gemengd is. De bewoners hebben het dan met name over de gemengdheid in migratieachtergrond en leeftijd. Gemengdheid zorgt volgens de bewoners voor levendigheid in de buurt.

Verandering bewonerssamenstelling

De bewoners stellen dat de bewonerssamenstelling de afgelopen jaren aan het veranderen is in Wildeman. De meest opvallende verandering volgens de bewoners is dat er steeds meer mensen met migratieachtergrond in de buurt komen wonen.  De gebiedsmakelaar bevestigt de ervaring van de bewoners en stelt dat dit voornamelijk het gevolg is van de gentrificatie die plaatsvindt in buurten en wijken die grenzen aan Nieuw-West. Een deel van de bewoners met migratieachtergrond die daar nu wonen, verhuizen naar Wildeman.  Daarnaast wordt opgemerkt dat steeds meer autochtone bewoners de buurt uittrekken.

“Als er een huis vrijkomt, dan komt er 9 van de 10 keer een huishouden met migratieachtergrond in.” 

Deze ontwikkeling wordt door bewoners mét en zonder migratieachtergrond negatief ervaren. De bewoners hebben allen een voorkeur voor meer gemengdheid in de bewonerssamenstelling op dit gebied. Dat beeld wordt ook door de gebiedsmakelaar bevestigd. De concentratie van bewoners met een migratieachtergrond in de buurt beïnvloedt volgens de buurbewoners en de gebiedsmakelaar de leefbaarheid, het imago en het culturele aanbod in de wijk.  De gebiedsmakelaar geeft ook aan het belangrijk te vinden dat er meer gemengdheid in de Wildeman komt. 

Daarnaast is het voor jongeren die opgroeien in de buurt lastig om een geschikte woning te vinden. Het gevolg is dat veel jongeren naar elders verhuizen. Ook ouderen kunnen niet gemakkelijk een geschikte woonplek vinden en zijn soms gedwongen om te verhuizen. De bewoners delen de mening dat het belangrijk is om mensen die al langer in de buurt wonen, ook die met een andere herkomst (migratieachtergrond), de mogelijkheid te geven in de buurt te blijven wonen. "Dat is de ruggengraat voor een wijk." 

De gewenste rol van de gemeente

Gemengdheid

Vrijwel alle bewoners geven aan dat ze diversiteit in de woningvoorraad bepalend vinden voor de gemengdheid van de bewonerssamenstelling in de buurt. De woningvoorraad is op dit moment nauwelijks gemengd.  De bewoners stellen dat de gemeente via het aanbrengen van meer menging in de woningvoorraad ook meer gemengdheid in de bewonerssamenstelling kan realiseren. 

“Menging is de basis van een goede samenleving. Geen aparte groepjes.” 

De bewoners stellen dat er nu erg weinig koopwoningen in de Wildeman zijn. Een aantal bewoners verwacht dat er meer mensen met hogere inkomens in Wildeman komen wonen als er huizen gesloopt worden en er nieuwbouw voor terugkomt. Er is onlangs een zelfbouwproject opgeleverd in Wildeman. Dit project heeft volgens de bewoners ook andere typen bewoners aangetrokken. "Op sommige plekken zie je ook yuppen terechtkomen, en dat mag ook wel."  De komst van meer duurdere woningen vinden veel bewoners een goede ontwikkeling. Echter willen ze ook niet alleen maar dure woningen, het moet een mix worden. 

De gebiedsmakelaar vindt het een positieve ontwikkeling dat nieuwe inwoners met een relatief hoger inkomen in de buurt komen wonen. Echter plaatst ze ook een kanttekening: ze merkt op dat veel van deze nieuwe bewoners hun kinderen niet naar school sturen in de Wildeman. Daardoor heeft de komst van nieuwe bewoners minder effect op het in balans brengen van de buurt dan door haar als wenselijk wordt gezien.  

Daarnaast geven veel bewoners aan het belangrijk te vinden om betrokken te worden bij plannen van de gemeente die gaan over de ontwikkeling van de Wildeman. Er heerst bij de bewoners echter wantrouwen in hoeverre de gemeente daadwerkelijk naar de bewoners luistert.  

"Ontwikkeling betekent vaak dat vrij snel dingen onbetaalbaar worden voor een heleboel mensen die daar al heel lang wonen."

De gebiedsmakelaar stelt dat de afstel van de sloop- en nieuwbouwplannen in het verleden in Wildeman eraan heeft bijgedragen dat veel bewoners hun vertrouwen in de gemeente zijn kwijtgeraakt. 

Ontmoeting faciliteren

Bewoners geven aan dat veel ontmoetingsplekken in de buurt gesloten zijn de afgelopen jaren. Hierdoor is er minder mogelijkheid voor bewoners om elkaar te ontmoeten. Ook voor jongeren zijn er minder ontmoetingsplekken volgens de bewoners. De bewoners zien een rol voor de gemeente in het faciliteren van meer ontmoetingsplekken in de buurt.  

Deelconclusie

Wildeman is onderdeel van de bestuursopdracht Ontwikkelbuurten. De bewoners ervaren hun buurt vaak als een groter gebied dan de gemeentelijk vastgestelde grenzen. De bewoners stellen dat er tussen bevolkingsgroepen met verschillende migratieachtergronden niet veel contact is. Daarnaast valt het de bewoners op dat er minder buurtactiviteiten worden georganiseerd de afgelopen jaren en dat er veel buurtcentra zijn gesloten waardoor het moeilijker is geworden voor bewoners om elkaar te ontmoeten. De bewoners zien een rol voor de gemeente in het faciliteren van meer ontmoetingsplekken in de buurt. Volgens de bewoners wonen er vooral veel Turkse en Marokkaanse Amsterdammers in Wildeman. Bewoners met en zonder migratieachtergrond geven aan dat ze liever meer gemengdheid zien in de bewonerssamenstelling qua migratieachtergrond. Ook valt het de bewoners op dat er relatief veel mensen wonen met een laag of geen inkomen. Daarnaast wonen er relatief veel kinderen en ouderen en weinig stellen en starters. De bewoners vinden het belangrijk om in een gemengde buurt te wonen. Ze willen niet dat er in de buurt een 'monocultuur' ontstaat. De afgelopen jaren komen er steeds meer mensen met migratieachtergrond in de buurt wonen. Voor jongeren die opgroeien in Wildeman is het lastig om een woning te vinden, ze zijn soms gedwongen om te verhuizen. De bewoners geven aan dat ze de diversiteit in de woningvoorraad bepalend vinden voor de gemengdheid van de bewonerssamenstelling. De woningvoorraad bestaat op dit moment voornamelijk uit sociale huurwoningen. De bewoners stellen dat de gemeente via het aanbrengen van meer menging in de woningvoorraad ook meer gemengdheid in de bewonerssamenstelling kan realiseren. Echter willen ze niet dat deze ontwikkeling ervoor zorgt dat de huidige bewoners niet meer in de buurt kunnen blijven wonen. Door de afstel van grootste sloop- en nieuwbouwplannen in de Wildeman in het verleden hebben veel bewoners hun vertrouwen in de gemeente verloren. Ze vinden het belangrijk om bij de plannen van de gemeente te worden betrokken. Echter heerst er wantrouwen bij de bewoners in hoeverre de gemeente daadwerkelijk naar bewoners luistert.