Subsidies Maatschappelijke en bewonersinitiatieven:
onderzoeksrapport

Toelichting en leeswijzer

Inleiding

Aanleiding onderzoek

In juni 2014 heeft de rekenkamer een rapport uitgebracht over de wijze waarop de gemeente grip houdt op subsidies. Deze verkenning vormde de start van het initiatief om jaarlijks een specifieke subsidie in het onderzoeksprogramma op te nemen. In ons onderzoeksprogramma 2018 is een onderzoek opgenomen naar de subsidies voor maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven. Dit zijn subsidies die door de stadsdelen worden verstrekt. Sinds medio 2016 hebben de stadsdelen de mogelijkheid om voor maatschappelijke initiatieven en bewonersinitiatieven specifieke subsidieregelingen vast te stellen. De subsidieregelingen hebben hun achtergrond in het gebiedsgericht werken, dat uitgaat van een nieuwe rol van de lokale overheid in de gebieden en waarin bewoners en ondernemers steeds vaker zelf initiatief nemen. De subsidieregelingen voor maatschappelijk initiatief hebben tot doel het stimuleren en faciliteren van samenwerkingsverbanden van bewoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties die het heft in eigen handen willen nemen om een maatschappelijk doel na te streven en daarbij zelf de uitvoering ter hand te nemen.  De subsidieregelingen voor bewonersinitiatieven beogen buurt- en bewonersinitiatieven te stimuleren en te faciliteren. Hierbij gaat het om bewonersinitiatieven die van meerwaarde zijn op het bestaande aanbod van fysieke of sociale voorzieningen of die een lacune in het bestaande aanbod opvullen. 

Het precieze onderscheid tussen maatschappelijke initiatieven en bewonersinitiatieven is niet altijd even duidelijk. De doelstellingen overlappen elkaar deels. Verder hanteren de stadsdelen zelf op onderdelen verschillende doelformuleringen.  Bij bewonersinitiatieven gaat het veelal om aanvragen van bewoners voor kleinschalige buurtactiviteiten tot € 5.000. Maatschappelijke initiatieven zijn veelal grotere subsidieaanvragen van formele of informele samenwerkingsverbanden. De subsidieaanvragers willen activiteiten uitvoeren die aanvullend zijn op –of in de plaats komen van –activiteiten die de gemeente zelf ook uitvoert.   Voorbeelden van maatschappelijke en bewonersinitiatieven Zowel maatschappelijke initiatieven als bewonersinitiatieven zijn zeer divers, zie het informatiekader voor enkele voorbeelden.

Voorbeelden van maatschappelijke en bewonersinitiatieven

Activiteiten die plaatsvinden als maatschappelijke en bewonersinitiatieven zijn zeer divers. Zonder de bedoeling te hebben uitputtend te willen zijn, geven we hier een aantal voorbeelden:

Maatschappelijke initiatieven: een debat over de invulling van prioriteiten van het stadsdeel, een weggeefwinkel, het ontwikkelen en onderhouden van een buurttuin, een armoedeproject, ontmoetingsonderwijs (kinderen interviewen ouderen in hun buurt om buurtcontact te bevorderen én te leren over geschiedenis), een samen-leesgroep (om lezen te bevorderen én mensen uit hun isolement te halen) en het wegwijs maken van statushouders in hun nieuwe woonomgeving.

Bewonersinitiatieven: een multiculturele ontmoetingsochtend, een filmmiddag met maatschappelijk thema, een kunstproject, een buurtfestival, sportactiviteiten voor bewoners/kinderen met een minimum inkomen en informatiebijeenkomsten over gezonde voeding, rechten, bewegen of muziek.

Dit onderzoek sluit aan op de door het college ingeslagen weg richting meer participatie door bewoners en ondernemers. De overheid, in dit geval de gemeente, vervult verschillende rollen naar haar burgers. Een aantal van die rollen gaat over het betrekken van burgers bij besluiten en uitvoering. Zo kan de gemeente een compleet sturende rol op zich nemen waarbij ze zonder burgers, maar door wet- en regelgeving, de eigen doelen realiseert. De gemeente kan ook samen met burgers doelen realiseren of burgers compleet vrij laten in het realiseren van doelen. De gemeente Amsterdam streeft een participatieve democratie na, waarin burgers en overheid via een democratisch proces samen vorm geven aan overheid en beleid. Binnen de participatieve democratie worden twee velden onderscheiden. Enerzijds gaat het om meedenken en -beslissen door burgers, wanneer Amsterdammers worden uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan gemeentelijke beleids- en besluitvorming en ook daadwerkelijk iets te zeggen en besluiten hebben. Bijvoorbeeld over zaken die hen aangaan in hun directe leefomgeving. Anderzijds gaat het om meedoen door burgers, waarbij hun initiatief ook taken kan overnemen van de gemeente. De gemeente biedt hierbij ondersteuning aan initiatieven die door burgers en ondernemers worden uitgevoerd. 

Doel en onderzoeksvragen

Het college wil dat Amsterdam een gemeente is waar bewoners zich uitgenodigd en uitgedaagd voelen om zelf problemen aan te pakken en te werken aan maatschappelijke doelen.  De gemeente wil initiatieven van "onderop" faciliteren en zo nodig ook financieel ondersteunen via subsidies. Hiertoe heeft het college een opdracht bij de stadsdelen neergelegd. Maar ook als bewoners of andere organisaties activiteiten uitvoeren, zullen deze stadsdelen erop willen toezien dat dat de subsidiemiddelen doeltreffend worden besteed. De stadsdelen zullen daarom randvoorwaarden stellen aan de subsidieverstrekking. Die randvoorwaarden moeten borgen dat de subsidies voldoende bijdragen aan de doelstellingen van het stadsdeel of de gemeente en ook voldoen aan de gemeentelijke kaders. Subsidieaanvragers van een maatschappelijk of een bewonersinitiatief kunnen echter de gestelde randvoorwaarden of regels waaraan zij moeten voldoen als een belemmering ervaren en om die reden moeite hebben met het doen van een subsidieaanvraag of er helemaal van afzien. Om de subsidieverstrekking een succes te laten zijn, zullen de gemeente en de stadsdelen deze daarom niet alleen doeltreffend moeten inzetten maar ook op zo'n manier dat de kosten de baten niet overstijgen (doelmatig). Enerzijds betekent dit dat de moeite die subsidieaanvragers doen om een maatschappelijk of bewonersinitiatief te initiëren moet opwegen tegen de opbrengsten, hoe lastig die opbrengsten ook te meten zijn. De gemeente kan initiatiefnemers daarin faciliteren. Anderzijds betekent doelmatigheid dat de kosten die de gemeente en stadsdelen zelf maken om de subsidieverstrekking uit te voeren moeten opwegen tegen de baten. Ten slotte kunnen initiatieven pas geslaagd genoemd worden wanneer de middelen die daarvoor ter beschikking gesteld zijn, zijn verstrekt binnen de daarvoor geldende regels.

Om op dit alles zicht te krijgen, zullen we in dit onderzoek de volgende centrale vraag beantwoorden:

In hoeverre worden subsidies voor maatschappelijke initiatieven doelmatig, doeltreffend en rechtmatig besteed?

Om de centrale vraag te beantwoorden, zijn een aantal onderzoeksvragen opgesteld:

  1. Hoe hebben de stadsdelen de opdracht om uitvoering te geven aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven ingevuld?
  2. Zetten de stadsdelen subsidie voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven zo in dat de beoogde doelen worden bereikt?
  3. In hoeverre worden de beschikbare middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven doelmatig besteed?
    1. Hoe worden initiatiefnemers ondersteund en staan de maatschappelijke uitvoeringskosten  in redelijke verhouding tot de omvang van het initiatief?
    2. Hoe verhouden de ambtelijke uitvoeringskosten zich tot de verstrekte subsidies en staat het aangevraagde bedrag in redelijke verhouding tot de uit te voeren activiteiten?
  4. In hoeverre worden de beschikbare middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven rechtmatig besteed?

Afbakening onderzoek

Dit onderzoek richt zich op de zeven stadsdelen van Amsterdam. De stadsdelen hebben vanuit het college de verantwoordelijkheid gekregen voor het realiseren van maatschappelijk en bewonersinitiatief en de opdracht om de werkwijze rondom het faciliteren en ondersteunen van deze initiatieven uit te werken. Waar nodig hebben we de relatie van de stadsdelen met het college en de directies van de centrale stad in ons onderzoek betrokken.

Binnen de participatieve democratie die door het college wordt nagestreefd, wordt onderscheid gemaakt tussen participatie in de vorm van meedenken enerzijds en participatie in de vorm van meedoen anderzijds. In dit onderzoek richten we ons op het meedoen door burgers en ondernemers. In het licht van maatschappelijk en bewonersinitiatief gaat dit om het opzetten en uitvoeren van initiatieven.

Er zijn verschillende manieren waarop de stadsdelen maatschappelijke en bewonersinitiatieven kunnen faciliteren en de ruimte geven. Dat kan gebeuren door: 

  • toegankelijke en begrijpelijke informatie;
  • steun, verbinden met anderen, inzet van het netwerk;
  • meedenken;
  • kennis of hulp van professionals;
  • fysieke ruimte;
  • subsidie;
  • inkopen/aanbesteden;
  • de bereidheid om, waar mogelijk, belemmeringen en knelpunten aan te pakken.

We hebben dit onderzoek beperkt tot het faciliteren van maatschappelijke en bewonersinitiatieven door middel van subsidies. Niet alle stadsdelen hebben een specifieke subsidieregeling maar hebben in de door ons onderzochte periode wel initiatieven ondersteund die het karakter hadden van maatschappelijke en bewonersinitiatieven, bijvoorbeeld door middel van vergoedingen vanuit buurtbudgetten. Hoewel we die uitgaven niet specifiek hebben onderzocht, maken we er wel melding van wanneer dit zich bij een stadsdeel voordoet. Daarnaast komt het voor dat het stadsdeel zelf geen subsidies en/of ondersteuning biedt, maar dit heeft belegd bij ondersteunende organisaties zoals welzijnsinstellingen. Ook hiervan maken we melding. Er is één organisatie, bewonersorganisatie Eigenwijks, waarop we in verschillende hoofdstukken nader inzoomen vanwege de grote rol die deze organisatie speelt in de gekozen werkwijze in stadsdeel Nieuw-West.

Tabel 1.1 geeft weer welke van de bovenstaande financieringsbronnen de verschillende stadsdelen in 2017 aan initiatiefnemers boden om hen te faciliteren in maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Uit de tabel is de diversiteit tussen de stadsdelen af te lezen; niet alle stadsdelen hadden in 2017 een subsidieregeling en de stadsdelen gingen verschillend om met het al dan niet verstrekken van budgetten aan ondersteunende organisaties, waar initiatiefnemers vervolgens weer aanspraak op konden maken.

Tabel 1.1 - Financieringsbronnen per stadsdeel
StadsdeelSubsidieregeling maatschappelijk initiatiefSubsidieregeling bewonersinitiatievenBudget via ondersteunende organisatie(s)
Centrum-- - 
Noord
Oost-
West
Nieuw-West--
Zuid- -
Zuidoost-


Tot slot hebben we ook de periode die we hebben onderzocht afgebakend. De opdracht aan de stadsdelen is in de collegeperiode 2014-2018 geformuleerd, daarom richten we ons onderzoek op die collegeperiode. Binnen deze periode was het jaar 2017 het eerste volledige kalenderjaar waarin uitvoering werd gegeven aan de subsidieregelingen. Daarom hebben we 2017 gekozen als referentiejaar wanneer het ging om het inzichtelijk maken van beschikbare budgetten en ervaringen met de uitvoering van de subsidieregelingen. Wanneer een stadsdeel in 2018 is gestart met een subsidieregeling voor maatschappelijke of bewonersinitiatieven, dan hebben we dit wel in ons onderzoek betrokken.

Aanpak

Voor het onderzoek hebben we meerdere onderzoeksmethoden gebruikt:

Kwalitatieve analyse van documenten en websites
We hebben een diversiteit aan documenten bestudeerd en beoordeeld, waaronder beleidsdocumenten, opdrachten en besluiten, documenten over werkprocessen en inhoudelijke documenten, zoals gebiedsplannen, subsidieregelingen, uitgevoerde analyses en evaluaties. Verder zijn we nagegaan of de informatie over de subsidiemogelijkheden voldoende is ontsloten op de websites van de stadsdelen, de centrale stad en andere betrokken organisaties of instellingen.

Kwantitatieve analyse van het subsidieregister
We hebben met behulp van het openbare subsidieregister Amsterdam (1 januari 2016 tot 1 september 2018) geanalyseerd hoeveel subsidies onder de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven zijn verleend en wat de bijbehorende bedragen zijn, stadsbreed en per stadsdeel.

Enquêtes
Onder de leden van de bestuurscommissies hebben we in de fase van het verkennend onderzoek een enquête gehouden.  Daarnaast hebben we via een online-enquête initiatiefnemers die in 2017 een subsidieaanvraag hebben gedaan voor een bijdrage aan hun maatschappelijke of bewonersinitiatief benaderd om inzicht te krijgen in hun ervaringen (zie bijlage 1).

Interviews
We hebben gesproken met (beleids)ambtenaren uit alle stadsdelen en met diverse medewerkers van ondersteunende organisaties. Allen zijn op enige wijze betrokken bij maatschappelijke en bewonersinitiatieven en de uitvoering van de subsidieregelingen (zie bijlage 5).

Groepsgesprek
We hebben gesproken met gebiedsmakelaars en/of -ondersteuners uit alle stadsdelen over de ondersteuning die zij bieden aan initiatiefnemers en over waar zij in hun werkzaamheden tegenaan lopen (zie bijlage 2).

Dossieronderzoek
We hebben subsidiedossiers uit 2017 geanalyseerd, waarbij we onder meer hebben gekeken naar de subsidieaanvragen, de verantwoordingen en de afgegeven beschikkingen in relatie tot de daarvoor geldende regels (zie bijlage 3 en 4).

Leeswijzer

De opzet van het onderzoeksrapport volgt de deelvragen. In hoofdstuk 2 bespreken we de opdracht die de stadsdelen van het college gekregen hebben. Ook geven we per stadsdeel weer hoe er invulling is gegeven aan deze opdracht. In hoofdstuk 3 gaan we in op de doelen die worden nagestreefd met het beleid rondom maatschappelijke en bewonersinitiatieven en bekijken we het doelbereik op macro-, meso- en microniveau. In hoofdstuk 4 bespreken we doelmatigheid van het beleid vanuit verschillende perspectieven; de maatschappelijke doelmatigheid vanuit het perspectief van initiatiefnemers, en interne doelmatigheid en doelmatigheid op initiatiefniveau vanuit het perspectief van de gemeente en stadsdelen. In hoofdstuk 5, ten slotte, beantwoorden we de vraag in hoeverre de beschikbare financiële middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven zijn toegekend en besteed overeenkomstig het geldend recht.

Gedetailleerde onderzoeksbevindingen

De opdracht van de stadsdelen: invulling geven aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven

Inleiding

In het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven en bewonersinitiatieven is een grote rol weggelegd voor de zeven stadsdelen van de gemeente Amsterdam. Initiatieven worden georganiseerd in de wijken en buurten van een stadsdeel, door mensen die daar wonen of organisaties die daar gevestigd zijn. Ook zijn de stadsdelen de instanties die besluiten over het al dan niet toekennen van ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van subsidies aan initiatiefnemers. De stadsdelen hebben van het college de opdracht gekregen om handen en voeten te geven aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Tegelijkertijd hebben de stadsdelen vrijheid in het invullen van die opdracht om ervoor te zorgen dat de specifieke kenmerken en noden van het stadsdeel een plek kunnen krijgen.

In dit hoofdstuk wordt een antwoord gezocht op onderstaande onderzoeksvraag:

Hoe hebben de stadsdelen de opdracht om uitvoering te geven aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven ingevuld?

We beschrijven dit hoofdstuk vanuit het perspectief van de stadsdelen en de opdracht die zij hebben gekregen van het college. Hierdoor worden bepaalde (beleids)ontwikkelingen die te maken hebben met maatschappelijke en bewonersinitiatieven, maar die zich afspelen op het niveau van de centrale stad, niet of slechts beknopt behandeld. Zoals bij de afbakening in het vorige hoofdstuk al is aangegeven, richten onze beschrijvingen zich primair op de periode 2014-2018. Daarnaast kijken we terug in de tijd, bijvoorbeeld om duiding te kunnen geven aan de ingezette koers van een bepaald stadsdeel of van de centrale stad, en kijken we naar recente ontwikkelingen in de huidige collegeperiode.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden zullen we in dit hoofdstuk bespreken wat de opdracht van de stadsdelen is ten aanzien van maatschappelijke en bewonersinitiatieven en ook de achtergrond van de opdracht (paragraaf 2.2). Daarna bespreken we per stadsdeel hoe het invulling heeft gegeven aan de opdracht (paragraaf 2.3). Omdat de stadsdelen in het uitvoeren van hun opdracht ook te maken hebben met andere gemeentelijke organisaties en stadsbrede ontwikkelingen bespreken we deze in paragraaf 2.4. We besluiten dit hoofdstuk met conclusies (paragraaf 2.5).

De opdracht aan de stadsdelen

De opdracht

De zeven stadsdeelbesturen zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de basisvoorzieningen in hun stadsdeel.  De afspraken over welke basisdienstverlening er in elk stadsdeel aanwezig moet zijn en de opgave om per gebied de basisvoorzieningen goed op orde te hebben, ligt vast in het Stedelijk Kader Afspraken basisvoorzieningen in de stadsdelen 2017-2018  (vastgesteld door het college op 15 maart 2016 en door de gemeenteraad op 1 juni 2016). 

De afspraken over het 'realiseren van ruimte voor maatschappelijk initiatief' zijn een onderdeel van het Stedelijk Kader Afspraken basisvoorzieningen in de stadsdelen 2017-2018 (hierna te noemen: Stedelijk Kader basisvoorzieningen). In het informatiekader Basisvoorzieningen wordt daarop kort ingegaan.

Het Stedelijk Kader basisvoorzieningen legt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van maatschappelijk initiatieven neer bij de bestuurscommissies van de stadsdelen. Het Stedelijk Kader basisvoorzieningen ziet maatschappelijke initiatieven als initiatieven die in steeds grotere mate kunnen bijdragen aan de oplossing van problemen in de samenleving en daarmee ook aan de kwaliteit van de basisvoorzieningen. De doelgroepen zijn alle partijen die bijdragen aan de realisatie van basisvoorzieningen, van bewonersinitiatieven, vrijwilligersorganisaties, stichtingen, wijkondernemingen, sociale firma’s en alle coalities daarvan. Ook informele netwerken die ondersteund worden door professionals vallen hieronder. Hoe de bestuurscommissies dit vormgeven is, net als het realiseren van andere basisvoorzieningen, aan de bestuurscommissies zelf.  Wel dienen de bestuurscommissies de in het Stedelijk Kader basisvoorzieningen vastgelegde afspraken na te komen. Deze afspraken (zie paragraaf 2.2.3, Informatiekader Afspraken) zijn ook het leidende kader voor de taken van de bestuurscommissies opgenomen in de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief - bestuurlijke ambitie .  In de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief (vastgesteld door het college op 4 november 2015 en door de gemeenteraad op 14 september 2016 ) geeft het college de opdracht aan de stadsdelen om de door het college beoogde werkwijze rondom maatschappelijke initiatieven uit te werken met eigen instrumenten en procedures.  Basisvoorzieningen De werkwijze die het college nastreeft is er één waarin bewoners en ondernemers zelf met voorstellen en oplossingen komen en waarin de gemeente faciliteert.

Basisvoorzieningen 

Basisvoorzieningen dragen bij aan de versterking en stimulering van de dragende samenleving en bieden ondersteuning bij het versterken van de zelf- en samenredzaamheid van Amsterdammers. Een sterke dragende samenleving met veel actieve mensen en organisaties levert een belangrijke bijdrage leveren aan de doelen van het Meerjarenbeleidsplan Sociaal Domein 2015-2018 van de gemeente Amsterdam. De missies en doelen zijn:

  • Alle Amsterdammers kunnen volwaardig meedoen en krijgen waar nodig ondersteuning;
  • Alle Amsterdammers ondersteunen elkaar en zetten zich actief in voor hun omgeving;
  • Alle Amsterdammers hebben gelijke kansen op een goede gezondheid;
  • De jeugd kan zich maximaal ontwikkelen en groeit gezond en kansrijk op.

De basisvoorzieningen dekken de volgende gebieden:

  • Versterken pedagogische dragende samenleving en (talent)ontwikkeling jeugdigen;
  • Versterken vrijwillige inzet en informele netwerken;
  • Activering en participatie;
  • Mantelzorgondersteuning;
  • Basis maatschappelijke dienstverlening;
  • Realisatie basisvoorzieningen en ruimte voor maatschappelijk initiatief.
Achtergrond van de opdracht

De oorsprong van de opdracht vanuit het college ligt in twee accenten die het afgelopen decennium de rode draden hebben gevormd in het Amsterdamse beleid: de dragende samenleving en gebiedsgericht werken (zie informatiekader Tien jaar dragende samenleving en gebiedsgericht werken). De basisvoorzieningen vormen een belangrijke schakel tussen deze twee rode draden. In het Meerjarenbeleidsplan Sociaal Domein 2015-2018 wordt de dragende samenleving gedefinieerd als dat wat mensen zelf doen of zouden kunnen doen, voor zichzelf, voor elkaar en gezamenlijk.  De gemeente wil de eigen kracht en zelfredzaamheid van Amsterdammers versterken door het aanbieden van een aantal basisvoorzieningen. De gemeente gaat ervan uit dat het versterken van de basisvoorzieningen in de wijk leidt tot meer draagkracht in de samenleving en daarmee hebben de basisvoorzieningen een brede functie op het gebied van welzijn, samenlevingsopbouw en het bevorderen van sociale cohesie. Gebiedsgericht werken is de term voor de werkwijze van Amsterdam, waarbij sturing vanuit de opgaven in de gebieden leidend is. Deze manier van werken gaat uit van een nieuwe rol van de lokale overheid in de gebieden. Bewoners en ondernemers nemen steeds vaker zelf initiatieven en zoeken hier ‘ruimte’ voor. De ambitie is om zorg en Tien jaar dragende samenleving en gebiedsgericht werken ondersteuning dichtbij te organiseren, in wijken en buurten. Dit geldt onder meer voor de basisvoorzieningen. 

Tien jaar dragende samenleving en gebiedsgericht werken

Het accent van de gemeente ligt al bijna tien jaar op de dragende samenleving door middel van participatie ‘van onderop’ en ruimte bieden aan bewoners en bedrijven om op eigen kracht initiatieven te ontplooien. Deze initiatieven hebben hun uitwerking in de gebieden en liggen daarmee in lijn met het gebiedsgericht werken, omdat zij de fysieke en sociale leefkwaliteit van wijken in stand houden of verbeteren.

In de collegeperiode 2010-2014 is gezocht naar methoden en werkwijzen om de leefkwaliteit van de Amsterdamse wijken op een zo hoog mogelijk niveau te houden. Met de Wijkaanpak, periode 2007-2012, en de Hervorming Stedelijke Vernieuwing (focusaanpak, 2013-2014) heeft Amsterdam ingezet op het verbeteren van de leefkwaliteit en de sociaaleconomische positie van bewoners. De Amsterdamse wijkaanpak is opgevolgd door de proeftuin Vertrouwen in de Stad (periode 2012-2014). In dit programma lag het accent op het bieden van ruimte aan bewoners en bedrijven om op eigen kracht initiatieven te ontplooien en wijkondernemingen op te zetten.  Met het stadsbreed invoeren van het gebiedsgericht werken vanaf 2014 is de verantwoordelijkheid voor inspraak en buurtparticipatie neergelegd bij de bestuurscommissies. 

In de collegeperiode 2014-2018 spreekt het college in het coalitieakkoord de ambitie uit een slagvaardige overheid te willen realiseren. Om dit te bereiken wil het college meer gebruikmaken van particulier initiatief. In deze periode wordt de bestuursopdracht Wijkvernieuwing van kracht (vastgesteld op 18 november 2014). Hierin geeft het college de stadsdelen en de stad de gezamenlijke opdracht om een kader te ontwikkelen voor de vernieuwing en ontwikkeling van de wijken, met als doel de leefkwaliteit in de wijken zo hoog mogelijk te houden. Hierin krijgen inbreng en stimuleren van bewoners een belangrijke plaats.  In deze collegeperiode zijn ook de twee notities  vastgesteld die de stadsdelen de opdracht geven ondersteuning rondom maatschappelijke initiatieven uit te werken (zie paragraaf 2.2.1).

In het coalitieakkoord 2018-2022 ligt veel nadruk op participatie van bewoners en het versterken van wijken en buurten.  Het college streeft een participatieve democratie na en heeft hiertoe het onderwerp 'democratisering' expliciet bij één van de wethouders belegd. Binnen de participatieve democratie wordt onderscheid gemaakt tussen participatie in de vorm van meedenken en meebeslissen enerzijds en participatie in de vorm van het opzetten en uitvoeren van initiatieven anderzijds. Het stadsbestuur wil een gemeentelijke organisatie die open staat voor maatschappelijk en buurtgericht initiatief en die hierin ook actieve ondersteuning biedt. De stadsdelen krijgen een expliciete rol in het vormgeven en versterken van de twee vormen van participatieve democratie.

Kaders vanuit het college

Stedelijk Kader Afspraken basisvoorzieningen
Het Stedelijk Kader afspraken basisvoorzieningen in de stadsdelen 2017-2018   stelt dat basisvoorzieningen voorzieningen zijn die in alle wijken noodzakelijk geacht worden voor het goed functioneren van de dragende samenleving en die toegankelijk zijn voor alle bewoners. Basisvoorzieningen bieden ondersteuning bij het versterken van de zelf- en samenredzaamheid van Amsterdammers. Daarmee helpen basisvoorzieningen Amsterdammers, ondernemers, professionals en organisaties om steeds meer zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het oplossen van hun problemen en vorm te geven aan de dragende samenleving.

De verantwoordelijkheid voor de inrichting van de basisvoorzieningen ligt bij de bestuurscommissies van de stadsdelen. Het Stedelijk kader basisvoorzieningen geeft de bestuurscommissies vrijheid en ruimte voor maatwerk in het vormgeven van de basisvoorzieningen, waaronder het creëren van ruimte voor maatschappelijk initiatief en inspelen op bewonersinitiatief.  Zo stelt het Stedelijk kader basisvoorzieningen dat de bestuurscommissies de werkwijze rondom maatschappelijk initiatief zelf uitwerken met eigen middelen en procedures, voortbouwend op wat hun waarde in de praktijk heeft bewezen en wat past bij de lokale situatie en vraag. Tegelijkertijd zijn er vier succesfactoren geïdentificeerd ten aanzien van gebiedsgericht werken en maatschappelijke initiatieven die de bestuurscommissies mee dienen te nemen. Zo dienen bestuurscommissies:

  • te weten wat er speelt in de wijk;
  • co-creatie te stimuleren;
  • te stimuleren dat professionals die in de wijken werken een onderzoekende en lerende houding hebben;
  • verantwoording en financiering nieuwe stijl in te richten.Afspraken Stedelijk Kader basisvoorzieningen

Deze succesfactoren zijn vertaald in afspraken tussen college en de bestuurscommissies (zie Informatiekader).

Afspraken Stedelijk Kader basisvoorzieningen

Hoofdstuk 7 van het Stedelijk Kader basisvoorzieningen geeft succesfactoren weer voor gebiedsgericht werken en experimenteren met maatschappelijke initiatieven. Bij de meest relevante succesfactoren zijn concrete afspraken gemaakt "voor een optimale realisatie van basisvoorzieningen door maatschappelijke initiatieven van bewoners en ondernemers."(p.35) Deze afspraken zijn ook het leidende kader voor de taken van de bestuurscommissies binnen, onder meer, de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief.

Succesfactor: Van buiten naar binnen werken; weten wat er speelt in een wijk
Afspraken
Bestuurscommissies investeren in nieuwe manieren waarop bewoners en ondernemers de inhoud van gebiedsplannen en gebiedsagenda’s mee kunnen bepalen. De bestuurscommissies werken dit uit met eigen instrumenten en procedures, voortbouwend op wat hun waarde in de praktijk heeft bewezen. 

De bestuurscommissies informeren Amsterdammers over de manier waarop ze invloed kunnen uitoefenen op de aanpak in hun gebied (gebiedsagenda) en hoe ze hierin een rol kunnen spelen.

Succesfactor: Van bolwerk naar netwerk: co-creatie stimuleren
Afspraken
De bestuurscommissies faciliteren het in co-creatie realiseren van initiatieven die bijdragen aan de dragende samenleving.

Als de samenwerking tussen partijen niet vanzelf gaat, stuurt de bestuurscommissie hier alleen op als samenwerking gewenst is om beleidsdoelstellingen te realiseren. Dit kan onder andere door voorwaarden op te nemen in opdrachtformuleringen of subsidieverleningen of door sessies te organiseren met organisaties die een aanbod hebben op hetzelfde thema, gericht op het ontwikkelen van een gezamenlijke aanpak.

Succesfactor: Professionals nieuwe stijl: lerende en onderzoekende houding
Afspraak
Het college en de bestuurscommissies stimuleren dat professionals die in de wijken werkzaam zijn, kennis hebben van aanwezige (informele) netwerken, sociale ondernemers en bewonersinitiatieven, en bereid en in staat zijn tot samenwerking op basis van gelijkwaardig partnerschap. In opdrachtverlening en subsidieverstrekking wordt hier actief op gestuurd.

Succesfactor: Verantwoording en financiën nieuwe stijl
Afspraken
De bestuurscommissies maken het door een flexibel gebiedsbudget mogelijk om maatschappelijke initiatieven die een bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van basisvoorzieningen, beleidsdoelstellingen en/of opgaven, in een gebied te faciliteren.

De bestuurscommissies experimenteren met nieuwe vormen van budget-toekenning (maatschappelijk aanbesteden, gebiedsbeschikkingen, cofinanciering), evaluatie en horizontale verantwoording, die aansluiten bij het partnerschap in de wijk en recht doen aan het maatschappelijk rendement van buurtinitiatieven.

College en bestuurscommissies regelen dat er fysieke ruimtes in de wijken beschikbaar zijn voor initiatieven van bewoners en wijkondernemers die een bijdrage leveren aan de dragende samenleving, en zoeken bij de invulling naar logische en functionele verbindingen in ruimtegebruik.

Aanvullend op de afspraken ten aanzien van maatschappelijk initiatief, geeft het Stedelijk Kader basisvoorzieningen ook enkele algemene uitgangspunten die gelden voor alle basisvoorzieningen. Zo staat in hoofdstuk 1.9 beschreven dat de monitoring van de voortgang van de realisatie van de afspraken plaatsvindt op gebiedsniveau. "Hiertoe wordt de gebiedsmonitor ‘staat van de basisvoorzieningen’ die in juni 2015 voor het eerst is gedaan, doorontwikkeld tot regulier monitoringsinstrument." (p. 10).

Hoewel in het Stedelijk Kader basisvoorzieningen maatschappelijke initiatief beschreven is in relatie tot de basisvoorzieningen in het sociaal domein, kunnen de te ondersteunen maatschappelijke initiatieven ook betrekking hebben op initiatieven in het fysieke domein zoals groenonderhoud.

Notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief
In de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief  spreekt het college de ambitie uit dat het wil dat bewoners zich uitgenodigd en uitgedaagd voelen om zelf problemen aan te pakken en te werken aan maatschappelijke doelen op allerlei terreinen. Het college spreekt van maatschappelijk initiatief wanneer bewoners, eventueel in samenwerking met ondernemers en/of maatschappelijke organisaties, het heft in handen nemen om een maatschappelijk doel na te streven en daarbij zelf de uitvoering ter hand te nemen. Initiatieven kunnen aanvullend zijn op wat de gemeente doet, maar kunnen ook gemeentetaken overnemen.

De notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief stelt dat maatschappelijke initiatieven een verantwoordelijkheid zijn van het gehele college gezien de veelheid aan terreinen waarop initiatieven zich bewegen. Het college beoogt daarom een algemene werkwijze waarin bewoners en ondernemers zelf met voorstellen en oplossingen komen, waarin de gemeente een open en samenwerkende houding aanneemt en waarin de gemeente faciliteert mits een maatschappelijk initiatief voldoet aan de in de notitie gestelde voorwaarden , zoals het bijdragen aan één of meer gemeentelijke doelen (zie Informatiekader Aansluiting bij gemeentelijke doelen). De stadsdelen krijgen de opdracht deze werkwijze uit te werken met eigen processen, instrumenten  en procedures.  Het college stelt daarover het volgende:

  • Het college schrijft niet voor op welke manier de gebieden en de stadsdelen de werkwijze precies invullen. Dit is maatwerk vanuit de stadsdelen.
  • De stadsdelen maken zelf duidelijk op welke manier zij de werkwijze uitwerken en laten dit weten aan hun bewoners.
  • De stadsdelen zijn altijd de eerste ingang voor bewoners, ook als die andere onderdelen van de gemeentelijke organisatie nodig hebben.
  • De processen en procedures zijn zo ingericht dat ze duidelijk zijn voor de initiatiefnemers.

Ook bepleit het college dat er niet langer een apart programma of  Aansluiting bij gemeentelijke doelen budget moet zijn, maar dat financiering van initiatief onderdeel moet zijn van de reguliere begrotingsprogramma’s.

Aansluiting bij gemeentelijke doelen

Het college beseft dat het bij de afweging of de gemeente wil faciliteren soms moeilijk is om te bepalen wat de maatschappelijke meerwaarde van een initiatief is. Die is (op voorhand) vaak lastig met feiten en cijfers aan te tonen. In dat geval maakt de gemeente samen met partners een kwalitatieve inschatting. Het college beseft ook dat maatschappelijke initiatieven hun eigen doelen kiezen. Daarbij hebben zij niet per se voor ogen welke doelen de gemeente zich stelt en sluiten daar niet bewust op aan. Zij voegen zich niet naar de beleidsterreinen zoals die binnen de gemeente opgedeeld zijn. Ook kan een initiatief dat op het eerste gezicht weinig of slechts beperkt te maken heeft met gemeentelijke doelen, daar toch veel aan bijdragen. Daarom stelt het college dat het belangrijk is dat de gemeente maatschappelijke initiatieven open, nieuwsgierig en met een analytische blik tegemoet treedt.  

Samenvattend
Tabel 2.1 vat op basis van de twee hierboven besproken notities het kader samen waaraan de stadsdelen moeten voldoen in hun opdracht ten aanzien van maatschappelijk initiatief. We hebben de afspraken geclusterd naar de hoofdonderwerpen 'uitgangspunten', 'werkwijzen', 'budget', 'werkwijzen', 'ondersteuning aan initiatiefnemers' en 'informatievoorziening aan initiatiefnemers'.

Tabel 2.1 - Opdracht van de stadsdelen samengevat
HoofdonderwerpWat moeten de stadsdelen doen?Bron*
UitgangspuntenStadsdelen hebben de mogelijkheid tot maatwerkB
Bestuurscommissies experimenteren met nieuwe vormen van budgettoekenning, evaluatie en verantwoording die recht doen aan maatschappelijk rendement.A
Budget voor initiatievenBestuurscommissies maken het mogelijk maatschappelijke initiatieven te faciliteren door flexibel gebiedsbudget.A
Stadsdelen bedden financiering in.B
WerkwijzeBestuurscommissies faciliteren het in co-creatie realiseren van initiatieven die bijdragen aan de dragende samenleving.A
Bestuurscommissies sturen op samenwerking wanneer dit niet vanzelf gaat tussen partijen en samenwerking gewenst is om beleidsdoelstellingen te realiseren.A
Stadsdelen richten processen, instrumenten en procedures in die helder en toegankelijk zijn.B
Informatievoorziening aan initiatiefnemersStadsdelen communiceren ingerichte processen, instrumenten en procedures naar bewonersB
Bestuurscommissies informeren Amsterdammers over hoe ze een rol kunnen spelen in hun gebied.A
Ondersteuning aan initiatiefnemersBestuurscommissies stimuleren bij professionals in de wijk kennis van netwerken, sociale ondernemers en bewonersinitiatieven, en samenwerking op basis van gelijkwaardig partnerschap.A
Bestuurscommissies regelen beschikbaarheid van fysieke ruimtes.A

*  (A): afspraken afkomstig uit Stedelijk Kader afspraken basisvoorzieningen in de stadsdelen;
(B): werkkader vanuit notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief

Er zijn een aantal zaken die ons opvallen in de afspraken waar de stadsdelen aan moeten voldoen. Allereerst benadrukt het college de ruimte en vrijheid die de stadsdelen krijgen in hun opdracht maar tegelijkertijd geeft het college concrete afspraken en formats mee die door de stadsdelen moeten worden nagekomen. Enerzijds geeft dit houvast en mogelijk een bepaalde mate van uniformiteit (zoals het voortbouwen op een format voor de subsidieregelingen), anderzijds kunnen de concrete handreikingen (zoals het moeten voortbouwen op bestaande instrumenten)  ook beperkend werken in het laten aansluiten van de werkwijze op de situatie in een stadsdeel. Daarnaast stelt het college in paragraaf 1.9 van het Stedelijk Kader basisvoorzieningen dat stadsdelen een subsidieregeling voor bewonersinitiatieven moeten inrichten, maar komt zij daar in hoofdstuk 7 (aangaande maatschappelijk initiatief, inclusief bewonersinitiatieven) niet meer op terug. Ten slotte valt het ons op dat in het Stedelijk Kader basisvoorzieningen en in de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief geen verplichting is opgenomen om de beleidsuitvoering binnen een aantal jaren te evalueren. Om het beleid of de werkwijzen eventueel te kunnen bijsturen is het belangrijk dat evaluaties worden uitgevoerd. Met betrekking tot subsidies is een evaluatie zelfs wettelijk verplicht. 

Hoe hebben de stadsdelen de opdracht van het college opgepakt?

Inleiding

Het inspelen op bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven is maatwerk. Daarom is, zoals besproken in paragraaf 2.2.1, door het college besloten dat dit een taak en bevoegdheid is van de bestuurscommissies van de stadsdelen.  In de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief geeft het college aan dat de stadsdelen zelf kunnen bepalen op welke manier ze hun werkwijze rondom initiatieven invullen, maar zoals gesteld in paragraaf 2.2.3 moeten de stadsdelen hierin wel diverse afspraken en deelopdrachten in meenemen.

De rekenkamer gaat ervan uit dat de zeven stadsdelen de opdracht van het college opgepakt hebben en er binnen elk stadsdeel weloverwogen keuzes zijn gemaakt in de wijze waarop men wil omgaan met (de ondersteuning van) maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Dit impliceert dat zienswijzen en keuzes van de bestuurscommissies zijn uitgewerkt of vastgelegd in besluiten en dat de gemaakte keuzes vervolgens ook zijn geoperationaliseerd, bijvoorbeeld in beschikbare financiën en uitgedachte werkwijzen rondom de ondersteuning van initiatiefnemers.

Allereerst bespreken we in paragraaf 2.3.2 in zijn algemeenheid hoe er in de stadsdelen gebiedsgericht gewerkt wordt in relatie tot het ondersteunen van maatschappelijk en bewonersinitiatief. Ook komt de mate waarin de gebiedsplannen aandacht besteden aan maatschappelijk en bewonersinitiatief aan bod.

In de paragrafen 2.3.3 t/m 2.3.9 beschrijven we vervolgens per stadsdeel hoe het invulling heeft gegeven aan de opdracht rondom maatschappelijk initiatief, inclusief bewonersinitiatief. Dit doen we aan de hand van de hoofdonderwerpen die we in paragraaf 2.2.3 hebben geïdentificeerd (uitgangspunten, budget, werkwijze, ondersteuning aan initiatiefnemers en informatievoorziening aan initiatiefnemers ).

Verder staan we ook stil bij het onderwerp 'evaluaties'. Zoals benoemd in paragraaf 2.2.3 is in de algemene inleiding van het Stedelijk Kader basisvoorzieningen opgenomen dat de staat van de basisvoorzieningen gemonitord zal worden op gebiedsniveau. Dit geldt derhalve ook voor maatschappelijk initiatief.  Als rekenkamer onderschrijven we het belang van het creëren van mogelijkheden voor het monitoren én evalueren (i.e. het beoordelen van inhoud, uitvoering, prestaties en effecten van het uitgevoerde beleid op basis van monitoringsinformatie).  Hiermee kan zo nodig de ingezette koers worden bijgestuurd. Het is opvallend dat hieraan in het kader dat de stadsdelen van het college hebben meegekregen geen expliciete aandacht wordt besteed. 

Paragrafen 2.3.3. t/m 2.3.9 zijn tot stand gekomen op basis van een diversiteit aan bronnen. Allereerst hebben wij onze contactpersonen in de stadsdelen gevraagd ons alle relevante documentatie aangaande maatschappelijk initiatieven en bewonersinitiatieven toe te sturen. Daarnaast hebben we bij ieder stadsdeel een gesprek gevoerd om te horen hoe in de praktijk wordt omgaan met aanvragen op het gebied van maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Ook hebben we in een groepsgesprek gesproken met gebiedsmakelaars en gebiedsondersteuners uit alle stadsdelen.

Gebiedsgericht werken en gebiedsplannen

Om beter aan te sluiten bij wat er leeft bij bewoners en ondernemers werkt de gemeente Amsterdam sinds 2015 gebiedsgericht. Dit houdt in dat elk stadsdeel in samenwerking met bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisatie per gebied kijkt wat er nodig is, zodat er een aanpak op maat komt.  Om optimaal samen te werken is Amsterdam in 22 gebieden ingedeeld. Binnen deze gebieden wordt gezamenlijk gewerkt aan de hand van de gebiedscyclus, die bestaat uit gebiedsanalyses, gebiedsagenda’s  , gebiedsplannen en monitoring. In het Informatiekader wordt een korte toelichting gegeven op de Bestuurlijke en ambtelijke context bestuurlijke positie van de stadsdeelbesturen en de ambtelijke ondersteuning met betrekking tot gebiedsgericht werken.

Bestuurlijke en ambtelijke context

In de collegeperiode 2014-2018 had elk stadsdeel een dagelijks bestuur en een algemeen bestuur met een signalerende en agenderende rol. Samen vormen het dagelijks bestuur en algemeen bestuur de bestuurscommissie van een stadsdeel. De bestuurscommissies konden door het college of de raad bevoegdheden krijgen om bijvoorbeeld bepaalde subsidieregelingen vast te stellen of vergunningen te verlenen.

Na de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 hebben wijzigingen plaatsgevonden in het bestuurlijk stelsel van Amsterdam. Het stadsdeelbestuur is behouden, maar in een andere vorm. Het dagelijks bestuur wordt benoemd door het college in plaats van gekozen, om te benadrukken dat er sprake is van verlengd lokaal bestuur. ,  Bevoegdheden ten aanzien van subsidies, die voor de stelselwijziging bij de bestuurscommissies lagen, zijn na de stelselwijziging bevoegdheden van het dagelijks bestuur geworden. 

Stadsdeelcommissies worden gekozen en bestaan uit vertegenwoordigers uit de buurten. De stadsdeelcommissies moeten in elk stadsdeel de belangen van de bewoners op lokaal niveau behartigen.  De stadsdeelcommissie kan gevraagd en ongevraagd agendapunten, advies en initiatieven aandragen bij het dagelijks bestuur over inrichting van straten, pleinen, groen, parkeren en welzijnswerk.  Verder zijn de stadsdeelcommissies er om maatschappelijke of buurtinitiatieven binnen het stadsdeel te ondersteunen. 

Gebieden worden ontwikkeld aan de hand van de 4-jaarlijkse gebiedsagenda en het jaarlijkse gebiedsplan. Gebiedsplannen zijn uitvoeringsplannen waarin per gebied de prioriteiten uit de gebiedsagenda's zijn weergegeven.  Deze prioriteiten zijn uitgewerkt in maatregelen en activiteiten. Gebiedsplannen vormen een belangrijk kader bij de beleidsuitvoering door het dagelijks bestuur en ambtelijk apparaat. Het dagelijks bestuur stelt gebiedsplannen op en stuurt de uitvoering daarvan aan. De analyse, het opstellen van de gebiedsagenda en de gebiedsplannen en monitoring van de resultaten en effecten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van centrale stad en stadsdelen.

De dagelijks besturen worden bij het gebiedsgericht werken ondersteund door ambtelijke gebiedsteams.  Elk gebied heeft een gebiedsteam.  Een gebiedsteam bestaat in ieder geval uit een gebiedsmanager (verantwoordelijk voor het opstellen van de gebiedsagenda en gebiedsplannen en voor afstemming met RVE's en externe partijen), gebiedsmakelaars (de 'ogen en oren' in een gebied) en een gebiedsondersteuner. De buurt staat centraal in het werk van de gebiedsteams, want zonder actieve deelname van bewoners is gebiedsgericht werken niet mogelijk. De gebiedsteams zijn een schakel tussen 'buiten en binnen'. Zij zorgen dat verschillende bewoners en organisaties met elkaar samenwerken aan de opgaven van de gebieden om zo de leefbaarheid te verbeteren. Ook is het de bedoeling dat de teams volgen in hoeverre gebiedsprioriteiten zijn bereikt en waar moet worden bijgestuurd. 

Maatschappelijk initiatief in de gebiedsplannen
In de vorige paragraaf hebben we kort het belang van gebiedsplannen toegelicht.  Alle 22 gebieden in Amsterdam werken jaarlijks hun prioriteiten en bijbehorende maatregelen en activiteiten uit in een gebiedsplan. Uit de gebiedsplannen is dus onder meer af te lezen hoe belangrijk een bepaalde ontwikkeling voor een gebied is en hoe een gebied een stadsbrede ontwikkeling heeft ingebed en wil inzetten voor het realiseren van de eigen prioriteiten. Het uitvoering geven aan (de ondersteuning van) maatschappelijke en bewonersinitiatieven is zo'n stadsbrede ontwikkeling. Daarom hebben we de gebiedsplannen van 2017 onderzocht op verwijzingen naar maatschappelijke en bewonersinitiatieven

In 2017 werd in alle 22 gebiedsplannen gerefereerd aan initiatieven door bewoners en/of maatschappelijke organisaties of ondernemers. Initiatieven worden doorgaans gezien als activiteiten of maatregelen die het stadsdeel helpen om bepaalde prioriteiten in een gebied te realiseren, bijvoorbeeld meer duurzaamheid en groen in de buurt (Noord-West ), meer levendigheid in het gebied (Bijlmerpoort en Amstel III ), meer samenwerking tussen netwerken in het gebied (de Pijp/Rivierenbuurt ) of het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting (Westerpark ). In een aantal gebieden zijn initiatieven zelf tot prioriteit benoemd (bijvoorbeeld Ruimte voor maatschappelijk initiatief-we doen het samen in Osdorp , Meer maatschappelijke initiatieven in het Oostelijk Havengebied  en Verbeteren sociale samenhang in Centrum-West ).

In alle gebieden wordt het belang van maatschappelijk en bewonersinitiatief onderkend voor het realiseren van onderdelen van de gebiedsplannen en alle gebieden stellen dat initiatieven moeten worden gestimuleerd en/of gefaciliteerd. De meeste gebiedsplannen benoemen niet of niet concreet met welke budgetten en instrumenten dit stimuleren en/of faciliteren van initiatief in de praktijk wordt gebracht. Alleen het gebiedsplan van Watergraafsmeer benoemt het bedrag dat mede beschikbaar is voor het ondersteunen van maatschappelijk initiatief.  In de gebiedsplannen van Slotervaart , Oud-West , Westerpark  en de Indische Buurt  staat dat er jaarlijks een budget beschikbaar is voor bewonersinitiatieven zonder een bedrag te noemen. Osdorp  benoemt dat de financiële dekking nog georganiseerd dient te worden. Qua instrumenten spreken alleen de gebiedsplannen van de Pijp/Rivierenbuurt , Buitenveldert/Zuidas  en Bijlmer Centrum  over de subsidieregeling bewonersinitiatieven. De subsidieregeling maatschappelijk initiatief wordt niet benoemd.

Uit de gebiedsplannen wordt dus wel de aandacht van de stadsdelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven duidelijk maar niet de wijze waarop zij invulling zullen geven aan de opdracht vanuit het college. In de volgende paragrafen werken we op het niveau van de zeven stadsdelen uit op welke manier deze opdracht handen en voeten heeft gekregen. Zoals aangekondigd in paragraaf 2.3.1 doen we dat aan de hand van de hoofdonderwerpen in het opdrachtkader dat de stadsdelen hebben meegekregen van het college.

Stadsdeel Centrum

Uitgangspunten
Stadsdeel Centrum had in 2017 geen subsidieregelingen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Hieraan ligt geen expliciet besluit ten grondslag.  Voor bewonersinitiatieven is op 15 mei 2018 wel een specifieke subsidieregeling vastgesteld.  De motivatie hierachter was de wens om alle initiatieven op basis van dezelfde procedure en dezelfde set regels te kunnen beoordelen.  De subsidieregeling bewonersinitiatieven heeft tot doel om initiatieven te ondersteunen die de woon- en leefbaarheid helpen verbeteren, de sociale samenhang en het onderlinge contact tussen bewoners te bevorderen en/of de verbondenheid van bewoners bij de buurt te versterken. 

Stadsdeel Centrum heeft ervoor gekozen om een aantal artikelen aan te passen op de situatie en wensen van het stadsdeel (maatwerk). Zo dient een aanvrager in de subsidiabele activiteiten van de subsidieregeling bewonersinitiatieven te expliciteren dat alleen initiatieven in staddeel Centrum in aanmerking komen voor subsidie en dat activiteiten gekenmerkt worden door lokaal maatwerk (artikel 4). Alleen personen of instanties met binding met de buurt kunnen subsidie aanvragen (artikel 6). Bij in te dienen gegevens dient een aanvrager aan te geven hoe er draagvlak is georganiseerd voor het initiatief (artikel 7).

Budget
Het subsidieplafond voor bewonersinitiatieven in 2018 is vastgesteld op € 75.000.  Vóór 15 mei 2018 hadden de gebiedsteams jaarlijks € 25.000 beschikbaar binnen het buurtbudget om kleinschalige initiatieven in de buurt voor maximaal € 500,- te steunen. Daarnaast werden maatschappelijke en bewonersinitiatieven gestimuleerd via de subsidieregelingen Groen in de Buurt, Basisvoorzieningen en Gebiedsgebonden ondernemersinitiatieven. 

Werkwijze
In een mail aan de gebiedsteams is beknopt de werkwijze rondom bewonersinitiatieven en hun taken daarin beschreven. Verder zijn –met het oog op het stimuleren van uniforme beoordeling en voorkomen van willekeur- intern de volgende afspraken gemaakt: 1) subsidieaanvragen < € 500 worden besproken met een collega (maatje); 2) subsidieaanvragen van > € 500 worden gezamenlijk besproken en beoordeeld in het betreffende teamoverleg. Voor de inhoudelijke beoordeling is een uitgebreide checklist opgesteld. Geïnterviewden vertellen dat burgers of organisaties gemakkelijk bij de gebiedsmakelaar, de gebiedsondersteuner of de medewerker Sociaal terecht komen. Deze verwijzen de initiatiefnemers naar de subsidieregeling of het budget dat bij hun plan past. De subsidieaanvragen worden procedureel verwerkt door de beleidsmedewerkers, vervolgens wordt er een beschikking getekend door de gemandateerde ambtenaar. Verder werden in 2017 alle initiatieven voorgelegd aan het dagelijks bestuur. 

Informatievoorziening en ondersteuning
De subsidieregeling bewonersinitiatieven stadsdeel Centrum is officieel bekend gemaakt via het Gemeenteblad en de website van de gemeente Amsterdam.  Daarnaast heeft het stadsdeel in de DB-flap opgenomen dat bewoners actief geïnformeerd zullen worden over de subsidieregeling bewonersinitiatieven via een communicatiecampagne.   Hiertoe zijn in de zomer van 2018 folders verspreid en is aan medewerkers van de gebiedsteams gevraagd bewoners actief te informeren over de regeling. In navolging van stadsdeel Zuid  heeft stadsdeel Centrum een communicatieplan opgesteld  en in augustus 2018 de website Centrummakers gelanceerd. 

Om buurtparticipatie te bevorderen en bewonersinitiatieven te stimuleren en/of faciliteren heeft stadsdeel Centrum tot en met 2017 subsidie verleend aan stichting Dock. Stichting Dock hielp initiatiefnemers met bijvoorbeeld het vormen van plannen, beschikbaar stellen van ruimte en promotie en uitvoeren van een initiatief. Stichting Dock heeft van het stadsdeel geen kaders of uitgangspunten meegekregen voor besteding van het betreffende activiteitenbudget. Daarnaast ondersteunden de opbouwwerkers van Wijkcentrum Jordaan en Gouden Reael bewoners. Dit wijkcentrum wordt overgenomen door Stichting Dock. In 2018 heeft Stichting Dock geen subsidie ontvangen voor het ondersteunen van bewoners, het is nog niet bekend hoe hier in de toekomst mee om zal worden gegaan.  In reactie op de nota van bevindingen gaf stadsdeel Centrum aan dat in 2017 zowel het wijkcentrum als stichting Dock een klein, niet altijd geoormerkt, budget beschikbaar hadden om zelf initiatieven van budget te voorzien.

Evaluaties
In de DB-flap van de subsidieregeling bewonersinitiatieven is opgenomen dat het stadsdeelbestuur elk half jaar de stadsdeelcommissie zal informeren door middel van een overzicht van de verleende subsidies.  In een reactie op de nota van bevindingen geeft stadsdeel Centrum aan dat de eerste evaluatie eind 2018 gepland staat.

Er zijn de rekenkamer geen evaluaties bekend van bewoners- of maatschappelijke initiatieven die al voor het in werking treden van de subsidieregeling zijn opgezet of gerealiseerd. Wel heeft in de Weteringbuurt een experiment plaatsgevonden in het kader van participatieve democratie (gezamenlijke besluitvorming met behulp van de sociocratische kringenmethode), de evaluatie hiervan is op 13 februari 2018 besproken door het Algemeen Bestuur van het stadsdeel. 

Samenvattend
Stadsdeel Centrum heeft pas in mei 2018 de subsidieregeling bewonersinitiatieven vastgesteld. Bewoners zijn via een communicatiecampagne op de hoogte gebracht van de subsidieregeling. De werkwijze rondom de subsidieregeling intern in een mail beknopt uitgewerkt , voor de beoordeling van aanvragen is een uitgebreide checklist opgesteld. Voor de maatschappelijke initiatieven kent het stadsdeel geen subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Wel worden maatschappelijke initiatieven gesubsidieerd via andere subsidieregelingen, zoals Groen in de Buurt, Basisvoorzieningen en Gebiedsgebonden ondernemersinitiatieven.

Stadsdeel Noord

Uitgangspunten
Het Algemeen bestuur van stadsdeel Noord heeft op 12 juli 2016 ingestemd met de opdrachtformulering voor de Noordse Agenda - Ruimbaan voor Initiatief.  De Noordse Agenda is de ontwikkelopdracht om de juiste randvoorwaarden te scheppen voor initiatiefnemers.  De Noordse Agenda bouwt voort op de notities Ruimte voor maatschappelijk initiatief en het Stedelijk Kader basisvoorzieningen, de Toekomstvisie Noord en het hoofdlijnenakkoord van het Noordse bestuur .  Op basis van de Noordse Agenda zijn onder meer de subsidieregelingen voor bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven ontwikkeld en zijn ook de uitgangspunten geformuleerd voor zelfbeheer van sociale accommodaties (buurthuizen) als fysieke locaties waar bewoners- en maatschappelijke initiatieven kunnen plaatsvinden.  Beide subsidieregelingen zijn vanaf 1 oktober 2016 van kracht.  Het doel van de subsidieregeling bewonersinitiatieven is om buurt- en bewonersinitiatieven te stimuleren en te faciliteren.  Het doel van de subsidieregeling voor maatschappelijk initiatief, die via de website van de gemeente Amsterdam bekend is gemaakt als de subsidieregeling 'Noordmakers voor maatschappelijke initiatieven' , is het stimuleren en faciliteren van samenwerkingsverbanden van bewoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties die zelf activiteiten uitvoeren of een sociale accommodatie beheren om een maatschappelijk doel na te streven. Ook heeft de subsidie tot doel activiteiten te faciliteren die inspelen op een lacune in het bestaande aanbod. 

Met name in de subsidieregeling voor maatschappelijk initiatief heeft stadsdeel Noord ervoor gekozen om artikelen op maat op te nemen. Zo is er een verdeelsleutel ten aanzien van het subsidieplafond (artikel 6) en ook een aanvraagtermijn (artikel 9) en aanvullende verplichtingen (artikel 11) voor subsidieaanvragen voor het zelfbeheer van buurthuizen. Eisen ten aanzien van de verdeelsleutel en het zelfbeheer van buurthuizen zijn opgenomen in de weigeringsgronden (artikel 10).

Budget
In 2017 was voor maatschappelijke initiatieven € 300.000 beschikbaar en voor bewonersinitiatieven € 357.500.  Daarnaast was nog een budget van ongeveer € 500.000 beschikbaar dat specifiek bedoeld was voor het zelfbeheer van buurthuizen en andere panden. 

Werkwijze
Als reactie op de nota van bevindingen heeft stadsdeel Noord een globale procesbeschrijving toegestuurd die van toepassing is op zowel maatschappelijke als bewonersinitiatieven. Deze verduidelijkt welke ambtenaren per processtap betrokken zijn maar geeft geen leidraad voor hoe bepaalde stappen uitgevoerd worden (bijvoorbeeld: hoe worden besluiten genomen, hoe wordt gemonitord). Bewonersinitiatieven tussen € 500 en € 5.000 en alle maatschappelijke initiatieven worden behandeld door het stadsdeel.  Initiatieven onder de € 500 worden afgehandeld door drie maatschappelijke organisaties (zie hieronder).

Informatievoorziening en ondersteuning
Beide subsidieregelingen zijn officieel bekend gemaakt via het Gemeenteblad en de website van de gemeente Amsterdam. Stadsdeel Noord verwijst als enige stadsdeel in de algemene informatie horende bij de subsidieregelingen op de website van de gemeente Amsterdam expliciet naar ondersteuning die door de Huizen van de Wijk geboden wordt aan initiatiefnemers.  Ook op de website Noordmakers  is ondersteuningsinformatie te vinden, zoals mogelijkheden tot coaching, directe contactgegevens van gebiedsmakelaars en een contactformulier. Het stadsdeelbestuur heeft, na evaluatie van de subsidieregelingen, besloten om meer communicatie in te zetten om bekendheid te genereren.  Naar aanleiding hiervan is een voorstel gedaan aan het bestuur om een initiatievenmarkt te organiseren waarop initiatieven zich kunnen presenteren aan de buurt. 

De uitvoering van het beheren en verdelen van budgetten voor kleine bewonersinitiatieven is toegekend aan drie welzijnsorganisaties (Dock, Civic en Doras). Het kader waarbinnen zij dienen te werken staat beknopt beschreven in de opdrachtbrief.  Zo mogen de organisaties per activiteit maximaal € 500 bijdragen en vraagt het stadsdeel aan de drie organisaties om gezamenlijk eenduidige afspraken te maken over de praktische werkwijze voor het toekennen van activiteitenbudget, bijvoorbeeld over voorlichting en betalingswijze. De drie organisaties hebben, samen met andere welzijnsorganisaties die actief zijn in Noord, de visie Samen Toekomst Maken opgesteld waarin onder meer is beschreven hoe men wil omgaan met participatie en activering van bewoners.  Daarin geeft men onder meer de Huizen van de Wijk een centrale plaats om participatie van bewoners te realiseren en heeft men participatiemakelaars in dienst om contacten met bewoners te onderhouden en hen te informeren en ondersteunen.

Evaluaties
De subsidieregelingen voor bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven zijn in augustus 2017 geëvalueerd, onder meer door het houden van een enquête onder initiatiefnemers.  Op basis hiervan zijn diverse verbetervoorstellen voorgedragen, zoals het aanpassen van de aanvraagmomenten voor bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven  en het beter bekend maken van de subsidieregelingen door middel van een initiatievenmarkt. 

Samenvattend
Samenvattend is er in stadsdeel Noord aandacht voor zowel bewonersinitiatieven als maatschappelijke initiatieven. Noord is in Amsterdam uniek in het hebben van een eigen agenda rondom maatschappelijke en bewonersinitiatieven, waarin ook het zelfbeheer van buurthuizen en andere panden is opgenomen. De Noordse Agenda is op verschillende deelgebieden uitgewerkt, onder andere resulterend in de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatief en deze regelingen zijn ook breed bekend gemaakt en geëvalueerd. De (interne) werkwijzen en taken rondom subsidieaanvragen maatschappelijke en bewonersinitiatieven zijn summier vastgelegd.

Stadsdeel Oost

Uitgangspunten
Stadsdeel Oost heeft per 1 oktober 2016 zowel een subsidieregeling bewonersinitiatieven als een subsidieregeling maatschappelijk initiatief.  Het doel van de subsidieregeling bewonersinitiatieven is initiatieven te stimuleren die helpen de buurt te verbeteren of eraan bijdragen dat bewoners deelnemen aan de maatschappij en jong en oud hun talenten kunnen ontwikkelen.  Het doel van de subsidieregeling maatschappelijk initiatief is om vernieuwende en creatieve activiteiten en projecten te stimuleren die een bijdrage leveren aan de opgave in de buurt en het bereiken van doelstellingen van gebiedsplannen en -programma's, het professionaliseren van vrijwilligersorganisaties en participatieve democratieprocessen. 

Stadsdeel Oost heeft ervoor gekozen verschillende (sub)artikelen in de subsidieregelingen specifiek te maken voor het stadsdeel. Zo mag een subsidieaanvraag voor een maatschappelijk initiatief geweigerd worden wanneer in het gebied waar de activiteit plaats gaat vinden al in voldoende mate in het aanbod wordt voorzien (artikel 8c) of wanneer de aangevraagde bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de duur, het bereik en het te verwachten effect of resultaat van de activiteit (artikel 8d). Daarnaast staat in de aanvullende bepalingen (artikel 9) dat de subsidieontvanger bij een subsidiebedrag onder de € 5.000 binnen acht weken na afronding van de activiteit een kort verslag indient, waaruit blijkt dat de activiteit is uitgevoerd.  Ten aanzien van de subsidieregeling bewonersinitiatieven heeft het stadsdeel bepaald dat de activiteiten gekenmerkt dienen te worden door lokaal maatwerk en aansluiten op de sociale en maatschappelijke behoeften in de buurt (artikel 4). 

Budget
Voorafgaand aan het vaststellen van de subsidieregelingen en voortbouwend op onder meer de notitie Ruimte voor initiatief en de nota Kracht van Oost heeft het stadsdeelbestuur besloten om structureel een budget van ruim € 741.000,- beschikbaar te stellen voor wat men 'versterking van de civil society' noemt: "om initiatieven te faciliteren in het zelf ter hand nemen van de kwaliteit van leven in hun buurt" (p.1) . Naast dit budget, dat beschikbaar is voor maatschappelijke initiatieven, is voor elk van de vijf gebieden in Oost bijna € 30.000 (dus in totaal bijna € 150.000) beschikbaar voor bewonersinitiatieven. Ten slotte is € 323.500 van het totaalbudget voor gebiedsgericht werken (€ 855.000) in 2017 gereserveerd voor nog in te dienen initiatieven bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven.  Dit naar aanleiding van de vraag van het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur om met een voorstel te komen om een deel van het budget van de gebiedsgerichte aanpak in 2017 door de buurt te laten besteden. In 2017 werden initiatieven ook gefinancierd vanuit andere bronnen; vanuit budget van de basisvoorzieningen en gebiedsplangeld,  vanuit de subsidieregeling Groen in de buurt, Stadslandbouw-Voedselinitiatieven  en buurtbudgetten. 

Werkwijze
De werkwijze rondom het aanvragen van en besluiten over de beschikbare gelden is in verschillende documenten uitgewerkt. Vóór het van kracht zijn van de subsidieregelingen is het aanvraagformulier voor eenmalige subsidie (t/m € 5000) opgesteld (dd.01-09-2014)  en zijn de uitgangspunten, toetsingscriteria en integrale werkwijze rondom maatschappelijke initiatieven beschreven in een notitie over de besteding van het budget voor maatschappelijk initiatief (dd.17-01-2016).  Bij de rekenkamer zijn geen (aangepaste) documenten bekend over de werkwijzen, taken en verantwoordelijkheden na het van kracht worden van de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijk initiatief.

Uit het gesprek met het stadsdeel kwam naar voren dat er intern wel afspraken zijn gemaakt over taken en verantwoordelijkheden. Zo is er een verschil in wie de bewonersinitiatieven behandelt en wie de maatschappelijke initiatieven. Het budget voor bewonersinitiatieven zit bij de gebiedsteams. Subsidieaanvragen tot € 5.000 worden door de gebiedsmakelaars behandeld. Subsidieaanvragen voor maatschappelijke initiatieven worden door het integrale gebiedsteam plus behandeld (bestaande uit vertegenwoordigers van de gebiedsteams, van het team Basisvoorzieningen en van het team Sportstimulering) om een integrale beoordeling te realiseren (het vier-plus-ogenprincipe). Subsidieaanvragen voor maatschappelijke initiatieven vallen onder het budgetbeheer van de teammanager Basisvoorzieningen Sociaal. Daarnaast werd aangegeven dat bewoners die subsidie aanvragen zeer verschillend zijn en gebiedsmakelaars daarom altijd in gesprek gaan met initiatiefnemers om enerzijds hun beweegredenen te achterhalen en anderzijds welke mate van ondersteuning ze daarbij nodig hebben. Op basis van de ervaring en professionaliteit van de gebiedsmakelaar wordt de werkwijze op de initiatiefnemer aangepast, bijvoorbeeld in het inschakelen van ondersteuning of het al dan niet moeten indienen van een verslag. Om zicht te houden op het verloop van initiatieven houdt het stadsdeel onder meer steekproefsgewijze kwaliteitsbezoeken en heeft elk initiatief een accounthouder die regelmatig contact houdt met de initiatiefnemers. Geïnterviewden gaven ook aan dat het stadsdeel als beleid heeft om de initiatiefnemers te stimuleren hun initiatieven jaarlijks verder te laten groeien en professionaliseren.  Medewerkers van de gebiedsteams en het team basisvoorzieningen brengen initiatiefnemers van een startend initiatief actief in contact met bewoners en netwerken met ervaring om zo de zelf- en samenredzaamheid van initiatieven te stimuleren.

Verder hebben we gezien dat het stadsdeel voor het stimuleren van bewonersinitiatieven voor mantelzorgondersteuning sinds augustus 2017 een fonds heeft. Voor dit specifieke fonds is, naast het doel en de criteria, ook de aanvraagprocedure uitgewerkt. 

Informatievoorziening en ondersteuning
Ook in stadsdeel Oost zijn beide subsidieregelingen officieel bekend gemaakt via het Gemeenteblad en de website van de gemeente Amsterdam. Uit documentatie blijkt niet of en hoe het stadsdeel vooraf heeft nagedacht over verdere bekendmaking van de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatief. In reactie op de nota van bevindingen geeft stadsdeel Oost aan dat bewoners en initiatiefnemers de weg naar het stadsdeel goed weten te vinden, mede door de zichtbaarheid van de gebiedsteams en het team basisvoorzieningen (zie beschrijving onder 'Werkwijze'). Daarom heeft het stadsdeel ervoor gekozen om geen extra aandacht te besteden aan de publicatie van de regelingen omdat dit tot shopgedrag kan leiden.

Het stadsdeel verplicht ondersteunende organisaties waaraan zij subsidie verleent om bekendheid te geven aan de mogelijkheid initiatieven aan te vragen. Er wordt door het stadsdeel in de subsidiebeschikking verwezen naar 'het uitvoeren van activiteiten conform activiteitenplan', waarin de ondersteunende organisaties het 'informeren van buurtbewoners over mogelijkheden om actief te worden in de buurt' als activiteit hebben opgenomen. Dit zien we bijvoorbeeld terug bij het Wijkopbouworgaan in Oost. Ondersteunende organisaties plaatsen op hun websites berichten over de regelingen. Ook wanneer extra budget vrij wordt gemaakt voor initiatieven, zoals met de subsidie bewonersinitiatieven voor mantelzorgondersteuning, wordt dit op de websites (in dit geval van Dynamo en Civic) geplaatst.  Daarnaast organiseren de ondersteunende organisaties bijeenkomsten voor geïnteresseerde bewoners zoals BuurtBoostbijeenkomsten. 

In stadsdeel Oost is een samenwerkingsverband ontstaan van partijen die erin gespecialiseerd zijn om kleinere initiatieven te ondersteunen. Dit samenwerkingsverband wordt Wijkkunde genoemd, vanuit het idee dat er heel veel kennis en kunde aanwezig is in de wijk om anderen op weg te helpen. Binnen Wijkkunde zijn ook partijen aangesloten als het Profileerbureau, Starters4community en Voorjebuurt. Deze organisaties kunnen initiatiefnemers helpen op het gebied van bedrijfsvoering, PR, etc. De genoemde organisaties ontvangen weer subsidie van Stadsdeel Oost om dit te kunnen doen.  Ook werken zij nauw samen met medewerkers van het stadsdeel. Studenten van de Hogeschool van Amsterdam ondersteunen via BOOT (Buurtwinkel voor Onderwijs, Onderzoek en Talentontwikkeling) bewonersinitiatieven. 

Evaluaties
De uitgaven aan maatschappelijke initiatieven over 2016 en 2017 zijn in februari 2018 geëvalueerd.  Daarnaast is in februari 2018 een evaluatie gedaan van één van de casussen die stadsdeel Oost heeft aangedragen voor het programma Ruimte voor Initiatief (zie paragraaf 2.4.2), het Jongerenbod.  Uit beide evaluaties zijn aanbevelingen voor toekomstige bestedingen aan en werkwijzen rondom maatschappelijke initiatieven voortgekomen, zoals het leggen van nadruk op netwerkopbouw en preventie wanneer extra gelden aan een initiatief worden toegekend, het integraal bespreken van aanvragen tussen de gebiedsteams en gebiedspool en indien nodig met de RVE's van de centrale stad , en de wens om in gesprek met initiatiefnemers te achterhalen welke financiële en inhoudelijke kaders knellend werken. 

Samenvattend
Stadsdeel Oost heeft in oktober 2016 de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven vastgesteld. Rondom maatschappelijke initiatieven zijn evaluaties uitgevoerd van de uitgaven en de uitvoering van één initiatief. Stadsdeel Oost besteedt nadrukkelijk aandacht aan het ondersteunen en professionaliseren van de gesubsidieerde initiatieven. Na het van kracht worden van de subsidieregelingen zijn de bestaande werkwijzen niet op papier bijgewerkt. Het informeren van initiatiefnemers is een taak van zowel medewerkers van het stadsdeel als van ondersteunende organisaties die daarvoor subsidie ontvangen.

Stadsdeel West

Uitgangspunten
Stadsdeel West heeft zowel een subsidieregeling maatschappelijk initiatief als een subsidieregeling bewonersinitiatieven. Beide zijn met terugwerkende kracht in werking getreden op 27 september 2016.  De subsidieregeling maatschappelijk initiatief is bedoeld voor vernieuwende, creatieve oplossingen die bijdragen aan een bestaande of nieuwe opgave in de buurt, het professionaliseren van kansrijke (vrijwilligers)organisaties en de ontwikkeling van nieuwe vormen van samenwerking tussen de overheid, de bewoners en partners in een buurt.  De subsidieregeling bewonersinitiatieven is bedoeld voor initiatieven die helpen de buurt te verbeteren omdat ze een aanvulling zijn op het bestaande aanbod van fysieke of sociale voorzieningen of een gat in het bestaande aanbod opvullen. 

In de subsidieregeling maatschappelijk initiatief heeft stadsdeel West summier gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot maatwerk. In de aanvullende bepalingen is opgenomen dat de subsidieontvanger binnen acht weken na afronding van de activiteit een kort verslag indient, waaruit blijkt dat de activiteit is uitgevoerd (artikel 9e) en er is een overgangsbepaling toegevoegd (artikel 10).  In de subsidieregeling bewonersinitiatieven heeft stadsdeel West niet opgenomen dat een aanvrager verplicht is om in stadsdeel West gevestigd te zijn, waar de andere stadsdelen dat wel hebben gedaan.

In bestuursstukken is veel aandacht voor de uitwerking van de notitie Ruimte voor Initiatief – bestuurlijke ambitie. Uitgaande van deze notitie is op 9 februari 2016 een bestuursopdracht door het dagelijks bestuur uitgezet voor het aanwijzen van een casus voor maatschappelijk aanbesteden, én om te gaan experimenteren met maatschappelijke initiatieven.  Na besluit van het dagelijks bestuur is in maart 2017 een project opgestart om vanuit de casus (het Wachterliedpaviljoen) de gewenste werkwijze rondom maatschappelijk aanbesteden vorm te geven.  Daarnaast heeft het dagelijks bestuur in 2017 positief besloten over subsidieverstrekking aan drie maatschappelijke initiatieven.  

Budget
Uit de ontvangen documentatie en de financiële administratie is de rekenkamer niet duidelijk geworden welk budget stadsdeel West in 2017 had gereserveerd voor de subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Voor de subsidieregeling bewonersinitiatieven staat in de financiële administratie € 302.160 gereserveerd. Dit is ongeveer gelijk aan de € 300.000 subsidie die aan Combiwel/ABC alliantie is toegekend ten behoeve van bewonersinitiatieven.  Daarnaast geeft het stadsdeel aan dat er € 900.000 is gereserveerd voor bewonersinitiatieven binnen buurtbudgetten. 

In 2017 is daarnaast het budget Basisvoorzieningen gebruikt, in ieder geval om het maatschappelijk initiatief Wachterliedpaviljoen  te financieren. Ook zijn er initiatieven gefinancierd uit begrotingsposten van verschillende beleidsafdelingen. Zo is er een initiatief in stadsdeel West, genaamd het Gemaal Mercator, dat is gefinancierd (€ 80.000) uit de begroting van Openbare Ruimte & Herinrichtingsprojecten. 

Werkwijze
Met betrekking tot maatschappelijke initiatieven is in januari 2016 de Werkwijze van West opgesteld, met daarin de rol van en te nemen stappen voor gebiedsmakelaars, het tijdpad en de gewenste opstelling van het stadsdeel  en is er een format voor het bespreken en beoordelen van aanvragen ontwikkeld voor gebiedsmakelaars.  Het stadsdeel wil initiatiefnemers snel duidelijkheid geven over de kans van slagen van hun initiatief. Daarom krijgen initiatieven een eerste beoordeling, op basis van een gesprek tussen initiatiefnemer en gebiedsmakelaar en afstemming van de gebiedsmakelaar met de gebiedscoördinator en interne experts. Het is de bedoeling dat deze eerste beoordeling een doorlooptijd heeft van een week. De definitieve aanvraag loopt via het digitale subsidieloket. Alle nieuwe initiatieven worden in eerste instantie afgestemd met de portefeuillehouder. De mandatering van subsidieverstrekkingen voor maatschappelijke initiatieven ligt bij de stadsdeeldirecteur. 

Met betrekking tot bewonersinitiatieven is de rekenkamer geen vastgelegde werkwijze bekend. Op de website van stadsdeel West staat vermeld dat bewoners met een goed idee eerst contact moeten opnemen met de gebiedsmakelaars.  Uit ons gesprek met het stadsdeel blijkt dat bewonersinitiatieven via twee wegen en werkwijzen gefinancierd kunnen worden. Het stadsdeel neemt bij deze werkwijze de beschikbare subsidiepotjes als startpunt en niet de initiatieven van bewoners. Enerzijds wordt € 300.000 beheerd door Combiwel en lopen aanvragen en ondersteuning via deze organisatie. Anderzijds is € 900.000 beschikbaar via buurtbudgetten (binnen de subsidieregeling bewonersinitiatieven), hiervoor wordt subsidie aangevraagd via het subsidiebeheersysteem van de gemeente Amsterdam. Gebiedsmakelaars ondersteunen daarin en de toekenning gaat via regiegroepen van het stadsdeel.  Regiegroepen bestaan uit bewoners, deze kijken voor het al dan niet goedkeuren van een initiatief of het initiatief ten goede komt aan de buurt.  Zo heeft de regiegroep van Oud-West een aanvraagformulier opgesteld om dit goed te kunnen beoordelen, waarin de initiatiefnemer onder meer gevraagd wordt om de link te leggen met het gebiedsplan van Oud-West.  De website van Oud-West over buurtbudgetten beschrijft dat initiatiefnemers een budget voor onderwerpen "op gebied van openbare ruimte e.d." kunnen aanvragen de regiegroep, en een budget "voor feesten, buurt-barbecues, e.d." via zogenoemde inspiratiegroepen van Combiwel.  Deze beschrijving geeft initiatiefnemers geen helderheid over wat te doen wanneer zij een andersoortige activiteit willen initiëren.

Informatievoorziening en ondersteuning
Ook in stadsdeel West zijn beide subsidieregelingen officieel bekend gemaakt via het Gemeenteblad en de website van de gemeente Amsterdam. Uit documentatie blijkt niet of en hoe het stadsdeel vooraf heeft nagedacht over verdere bekendmaking van de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijk initiatief.

Zoals hierboven beknopt beschreven staat, is de ondersteuning van initiatiefnemers van bewonersinitiatieven voor een deel belegd bij Combiwel. Het stadsdeel verplicht Combiwel in de subsidiebeschikking om bekendheid te geven aan de mogelijkheid initiatieven aan te vragen, Combiwel heeft vervolgens in het activiteitenplan opgenomen hoe dat gedaan gaat worden. Bij Combiwel is ook de uitbetaling aan initiatiefnemers van goedgekeurde subsidieaanvragen belegd. De beoordeling van bij Combiwel aangevraagde initiatieven gebeurt door inspiratieteams bestaande uit bewoners.  Er is de rekenkamer geen kader bekend aan de hand waarvan deze inspiratieteams het geld voor bewonersinitiatieven verstrekken.

Evaluaties
Het algemeen bestuur van stadsdeel West is eind december 2016 geïnformeerd over de stand van zaken van diverse lopende maatschappelijke initiatieven.  Twee van de gesubsidieerde maatschappelijke initiatieven  en Combiwel (aangaande bewonersinitiatieven)  hebben rapportages opgesteld over door hen in 2017 uitgevoerde activiteiten. Operatie Periscoop rapporteert onder meer over belangrijkste successen van, leerpunten over en deelnemers aan een diversiteit aan initiatieven.  Combiwel geeft onder meer aan aandacht te gaan besteden aan het verbeteren van het proces van de bewonersinitiatief- en buurtbudget-gelden, naar aanleiding van een aantal signalen over knelpunten van bewoners en buurtwerkers over bijvoorbeeld trage financiële afhandeling. 

Samenvattend
Stadsdeel West heeft in het kader van het ondersteunen van maatschappelijke en bewonersinitiatieven vanaf 27 september 2016 subsidieregelingen. Voor aanvragen van maatschappelijke initiatieven zijn procesbeschrijvingen gemaakt over hoe daarmee om te gaan. Voor bewoners is er naast de subsidieregeling bewonersinitiatieven ook de mogelijkheid om bij de welzijnsinstelling Combiwel budgetten aan te vragen. Het is niet helder vastgelegd wanneer een initiatiefnemer zich tot de subsidieregeling dan wel het budget van Combiwel dient te wenden. In het beoordelen van aanvragen worden in beide gevallen bewoners betrokken maar hoe deze te werk dienen te gaan is niet vastgelegd.

Stadsdeel Nieuw-West

Uitgangspunten
Stadsdeel Nieuw-West heeft geen subsidieregelingen voor bewonersinitiatieven of maatschappelijke initiatieven. Op 19 december 2012 heeft de deelraad van stadsdeel Nieuw-West besloten dat de uitvoering en financiering van bewonersinitiatieven werd overgedragen aan vier welzijnsinstellingen die de Huizen van de Wijk exploiteren in Nieuw-West. ,   Elk Huis van de Wijk beheert een wijkbudget te besteden aan bewonersinitiatieven; activiteiten die een bijdrage leveren aan de sociale cohesie en de leefbaarheid in de wijk waar het Huis van de Wijk onderdeel van uitmaakt. ,   Het beleid ten aanzien van maatschappelijke initiatieven is primair gericht op het stimuleren en uitlokken hiervan, en alleen secundair op het ondersteunen van deze initiatieven. Het Dagelijks Bestuur besluit over de ondersteuningsvorm (subsidie, inkoop of partnerschap) voor maatschappelijke initiatieven. 

Budget
Het budget voor bewonersinitiatieven wordt in de vorm van subsidies verstrekt aan ondersteunende organisaties. Bewonersorganisatie Eigenwijks heeft uit de subsidieregeling basisvoorzieningen voor 2017 zo'n € 446.000  toegewezen gekregen voor bewonersinitiatieven in Geuzenveld, Slotermeer, Osdorp Oost, Osdorp West en De Aker, en Sloten en Nieuw Sloten. Stichting Samenwonen Samenleven heeft een budget van ruim € 64.000 voor bewonersinitiatieven in Slotervaart Noord.  Het totale activiteitenbudget voor bewonersinitiatieven voor de uitvoerende maatschappelijke organisaties komt daarmee op iets meer dan € 500.000. Maatschappelijke initiatieven worden gefinancierd vanuit niet nader gespecificeerde budgetten van het stadsdeel.

Werkwijze
Nieuw-West vindt haar werkwijze "passen bij het streven de 'civil society' te versterken, waarin bewoners zelf verantwoordelijkheid nemen hun eigen leefomgeving vorm te geven. Door bewoners te betrekken bij de besluitvorming zal naar verwachting meer aandacht besteed worden aan de onderbouwing en legitimering van een initiatief."  De werkwijze komt voort uit de Wijkaanpak en maakt het mogelijk om in te spelen op de lokale situatie en vraag. 

Informatievoorziening en ondersteuning
Het deelraadbesluit uit 2012 is, zoals opgedragen in het besluit, door het dagelijks bestuur nader uitgewerkt in het Kader bewonersinitiatieven 2013.  Hierin staat onder meer dat ieder Huis van de Wijk aandacht besteedt aan informatievoorziening. Zo dienen ze op bewonersvergaderingen en in andere wijkmanifestaties bekend te maken dat de mogelijkheid bestaat om aanvragen in te dienen en dient de aanvraagprocedure duidelijk en goed vindbaar te zijn op de websites van de Huizen van de Wijk. 

In het Kader bewonersinitiatieven 2013 staat eveneens dat elk Huis van de Wijk een regiegroep opricht, bestaande uit buurtbewoners. Elke regiegroep bestaat uit circa acht bewoners uit die wijk  en komt eens per acht weken samen. Elke regiegroep stelt eens per jaar toetsingscriteria vast, bijvoorbeeld dat initiatieven buurtgebonden moeten zijn, en behandelt de ingediende bewonersinitiatieven. ,   De regiegroep die is verbonden aan het Huis van de Wijk besluit over het toekennen of (gedeeltelijk) weigeren van de aanvraag, nadat zij een mening hebben gevormd of de activiteit bijdraagt aan de opgave in buurt.  Buurt-overstijgende initiatieven komen door de buurtgerichte werkwijze wel eens in de knel te zitten. ,  

De regiegroepen komen samen in de zogenoemde gezamenlijke regiegroep, met als doel om van elkaar te leren, elkaars vraagbaak te zijn en richtlijnen op elkaar af te stemmen. Elke regiegroep wordt ondersteund door een medewerker van het Huis van de Wijk en elke vergadering van de regiegroep wordt bijgewoond door een gebiedsmakelaar van het stadsdeel. De gebiedsmakelaar heeft een adviserende rol. Elke regiegroep beslist zelf over aanvragen tot € 5.000. Met toestemming van de regiegroep kan een medewerker van het Huis van de Wijk besluiten over aanvragen onder de € 500.  Indien de aanvraag de € 5.000 overstijgt dan is elke regiegroep verplicht een advies te vragen bij de gezamenlijke regiegroep, waarvan alleen gemotiveerd mag worden afgeweken.  De besluiten over de aanvragen die de regiegroepen nemen zijn geen besluiten in de zin van de Algemeen wet bestuursrecht.  In hoofdstuk 5 gaan we in op de consequenties daarvan.

In oktober 2016 heeft de toenmalige bestuurscommissie ingestemd met de notitie Bewonersinitiatieven 2017-2018. Deze notitie bevat in vergelijking met het kader bewonersinitiatieven 2013, een beknopte beschrijving van de werkwijze en uitgangspunten van de regiegroepen.  Een verwijzing naar het kader bewonersinitiatieven 2013 ontbreekt in deze notitie (zie ook hoofdstuk 5.1.2). Verder is aangegeven dat in de subsidiebeschikking gericht aan de welzijnsinstellingen spelregels en verplichtingen worden opgenomen over de regiegroepen en het regiegroepenoverleg. Vanaf het subsidiejaar 2017 worden bewonersinitiatieven via de subsidieregeling Basisvoorzieningen gefinancierd, formeel via de maatschappelijke organisaties Eigenwijks en Stichting Samenwonen Samenleven, maar de regiegroepen beslissen feitelijk over de gelden.  Bewonersorganisatie Eigenwijks verwoordt vooraf in lijn hiermee in haar activiteitenplan 2017 dat zij voor elke wijk een budget beschikbaar stelt, uitvoering geeft aan de regeling basisvoorzieningen en het activiteitenbudget beheert.  Vanuit het activiteitenplan 2017 van Stichting Samenwonen Samenleven wordt niet expliciet duidelijk op welke manier met het budget voor bewonersinitiatieven wordt omgegaan, in het plan voor 2018 wordt er enigszins aandacht aan besteed . Achteraf verantwoorden beide organisaties zich via een inhoudelijk verslag over de uitgevoerde activiteiten en de daarmee behaalde resultaten.

Evaluaties
De regiegroepen zijn sinds hun start in 2013 twee maal geëvalueerd. Op basis van de eerste evaluatie uit 2016  (evaluatie van de werkwijze en een inschatting van de doeltreffendheid van het gekozen systeem) wilde het stadsdeel onder meer onder regiegroepleden een betere afspiegeling van de wijk realiseren, afspraken maken over zittingsduur, training en bijscholing verbeteren en aansluiting zoeken bij de thema's uit de gebiedsagenda.  In de tweede evaluatie (via een zelfreflectie van de regiegroepen, voorjaar 2018) is door de regiegroepen toegelicht wat hun voortgang is op de verbeterpunten uit de evaluatie uit 2016.  Volgens afspraak met de regiegroepen zijn van elke wijk overzichten van bewonersinitiatieven openbaar. 

Ten aanzien van maatschappelijke initiatieven is in april 2017 een overzicht opgesteld van initiatieven die spelen in Nieuw-West (initiatieven die tot nu toe geen subsidie ontvingen of vanuit regelingen voor groen, participatie of andere fondsen), met als doel een initiatief te kunnen aanwijzen als casus voor het stadsbrede programma Ruimte voor Initiatief (zie paragraaf 2.4.2).  Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur hebben op 17 mei 2017 besloten om de casus Westside/Plein de Vlugt  hiertoe voor te dragen. 

Samenvattend
In Nieuw-West heeft bewust gekozen om geen subsidieregelingen vast te stellen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Financiering van de bewonersinitiatieven vindt plaats via de Huizen van de Wijk (welzijnsinstellingen). Hiervoor zijn kaders vastgesteld. Regiegroepen, bestaande uit bewoners, besluiten welke bewonersinitiatieven een budget ontvangen en voor welke bedragen. Ten aanzien van maatschappelijke initiatieven wordt aangesloten bij het stadsbrede programma Ruimte voor Initiatief, de financiering en werkwijzen zijn door het stadsdeel niet nader uitgewerkt.

Stadsdeel Zuid

Uitgangspunten
Op 28 oktober 2015 heeft het Algemeen Bestuur de notitie Participatie en Maatschappelijk initiatief vastgesteld, met daarin verwoord de ambitie die het stadsdeel op deze onderwerpen wil nastreven. Aanleiding vormden het gebiedsgericht werken en de bevoegdheid van de bestuurscommissies om actief burgerschap te benutten, faciliteren en stimuleren.  De ambitie van stadsdeel Zuid is dat bewoners, ondernemers en organisaties zich uitgenodigd voelen om met initiatieven te komen. De notitie formuleert uitgangspunten en aandachtspunten, zoals het ontwikkelen van een aanpak om initiatieven te faciliteren en het belang van goed vindbare informatie voor bewoners. 

Voortbouwend op de notitie heeft stadsdeel Zuid zowel een subsidieregeling bewonersinitiatieven als een subsidieregeling maatschappelijk initiatief. De eerste is per 1 oktober 2016 van kracht , de tweede per 1 januari 2018.  Het doel van de subsidieregeling bewonersinitiatieven is activiteiten te stimuleren die een aanvulling en/of verbetering zijn op het bestaande aanbod van fysieke (locaties en gebouwen) of sociale voorzieningen of een gat in het bestaande aanbod opvullen.  De subsidieregeling maatschappelijk initiatief is bedoeld voor initiatieven die een bijdrage leveren aan de voorzieningen voor zorg en welzijn, gebiedsplannen, de gebiedsagenda’s of een bijdrage leveren aan de sociale of fysieke doelstellingen van de gemeente Amsterdam, initiatieven die vanuit eigen verantwoordelijkheid een maatschappelijk doel nastreven en zelf de uitvoering ter hand nemen en initiatieven die een meerwaarde hebben ten opzichte van wat de overheid doet en een oplossing bieden voor lokale opgaven of taken van de overheid overnemen. 

Stadsdeel Zuid heeft ervoor gekozen om een maximum te stellen aan het aan te vragen bedrag in de subsidieregeling bewonersinitiatieven, dit is € 3.000 per initiatief. Het dagelijks bestuur kan hiervan in uitzonderlijke gevallen afwijken tot maximaal € 5000.  Daarnaast heeft het stadsdeel aan het format voor de subsidieregeling bewonersinitiatieven drie voorwaarden toegevoegd omdat men veel waarde hecht aan de inbedding van een initiatief in de buurt en omdat men bij fysieke projecten bewoners bewust wil maken van de beheeropgave (en kosten) op langere termijn. Bij de subsidieregeling maatschappelijk initiatief heeft het stadsdeel vier voorwaarden geschrapt, omdat die leken uit te gaan van een (of meer) concrete activiteit(en). Een maatschappelijk initiatief omvat naar het idee van het stadsdeel vaak veel meer. Omdat het bij een maatschappelijk initiatief om veel geld gaat en er ook expertise kan worden ingehuurd, heeft men als extra voorwaarde gevraagd om vooraf aan te geven hoe de aanvragers invulling gaan geven aan hun financiële en inhoudelijke verantwoordelijkheid.  Het stadsdeel heeft er voor gekozen een maximum te stellen aan aanvragen voor een maatschappelijk initiatief: het eerste jaar kan maximaal € 15.000 worden verkregen en in drie jaar kan aan een initiatief maximaal € 50.000 worden verleend.

Budget
In 2017 was er voor de subsidieregeling bewonersinitiatieven € 196.635 beschikbaar.  In dat jaar was geen budget gereserveerd voor maatschappelijke initiatieven. In 2018 is, met het van kracht worden van de subsidieregeling maatschappelijk initiatief € 341.948,- beschikbaar. 

Werkwijze
Na het ingaan van de subsidieregeling maatschappelijk initiatief per 1 januari 2018 zijn er verschillende documenten opgesteld om de subsidieregeling uit te voeren. In januari 2018 is een uitgebreide procesbeschrijving opgesteld waarin onder meer taken en bevoegdheden van verschillende ambtenaren, zoals de subsidiecoördinator en gebiedsmakelaar, beschreven zijn. 

Tijdens het onderzoek hebben wij stadsdeel Zuid verzocht ons procedures en instructies ten aanzien van bewonersinitiatieven toe te sturen. Pas bij de reactie op het onderzoeksrapport kregen wij de procesbeschrijving Bewonersinitiatieven toegestuurd.  Deze procesbeschrijving omvat beknopt de te nemen stappen van aanvraag tot en met uitvoering/verantwoording en verantwoordelijke functionarissen per processtap. Om onder meer het dagelijks bestuur te informeren welke bewonersinitiatieven er zoal in 2016 en 2017 zijn geweest, zijn er diverse presentaties opgesteld.  Eén van deze presentaties verwoordt ook wat initiatiefnemers nodig hebben van het stadsdeel en wat de randvoorwaarden zijn voor het organiseren en draaiende houden van een bewonersinitiatief, zoals het beter toegankelijk maken van regelingen door het vereenvoudigen van de aanvraagprocedure en het vormen van een jongerenadviesraad om jongeren meer te betrekken. 

Informatievoorziening en ondersteuning
Stadsdeel Zuid heeft als enige stadsdeel een communicatieplan opgesteld voor het realiseren van meer bekendheid van de regeling maatschappelijke initiatief bij bewoners en ondernemers. Hierin staan onder meer communicatiedoelen, doelgroepen en de communicatiestrategie uitgewerkt.  Naast bekendmaking van beide subsidieregelingen in het Gemeenteblad en op de website van de gemeente Amsterdam, maakt stadsdeel Zuid gebruik van onder meer de website Zuidmakers en de website van het Natuur en Milieuteam Zuid om bekendheid te genereren en initiatiefnemers te wijzen op mogelijkheden tot ondersteuning. Op de Zuidmakers website staan onder meer informatie over coaching, directe contactgegevens van gebiedsmakelaars, een contactformulier en een door het stadsdeel Buurtinitiatief in Stadsdeel Zuid ontwikkeld stappenplan voor bewoners met ideeën (zie Informatiekader - Buurtinitiatief in stadsdeel Zuid).

Buurtinitiatief in Stadsdeel Zuid 

Stadsdeel Zuid heeft een stappenplan gemaakt voor bewoners die een idee hebben voor een bewoners- of maatschappelijk initiatief:

De Huizen van de Wijk kunnen initiatiefnemers ondersteunen in het doen van een subsidieaanvraag maar ook in het beschikbaar stellen van ruimtes. Wanneer het stadsdeel zelf geen (volledige) financiële ondersteuning kan of wil bieden, verwijst het initiatiefnemers door naar organisaties die andere vormen van ondersteuning mogelijk maken, zoals de organisatie Voor je buurt, die zich bezig houdt met crowdfunding.  Stadsdeel Zuid kent meerdere Natuur en Milieuteams waarin vrijwilligers werken aan medebeheer van groen en initiatieven nemen voor groenprojecten. Zij adviseren en ondersteunen bewoners ook in bewonersinitiatieven, met name wanneer deze raken aan groenvoorzieningen. 

Evaluaties
In de voordracht bij de eerder genoemde notitie Participatie en Maatschappelijk Initiatief valt te lezen dat de notitie zelf het resultaat is van een evaluatie van het participatietraject bij het tot stand komen van de gebiedsagenda's 2016-2019.  In de notitie zelf kijkt stadsdeel Zuid, alvorens haar ambitie te presenteren, terug op de subsidieregelingen, uitgangspunten en werkwijzen die tot dan toe gehanteerd zijn  en onderkent het stadsdeel dat het tot dan toe in beperkte make bewonersinitiatieven heeft gesubsidieerd.  Een tweede evaluatie die bij de rekenkamer bekend is gaat over een communicatiepilot, waarmee het stadsdeel begin 2018 via Facebook de bekendheid van bewonersinitiatieven en van gebiedsmakelaars wilde vergroten. 

Samenvattend
Het Algemeen Bestuur van stadsdeel Zuid heeft in oktober 2015 de notitie Participatie en Maatschappelijk initiatief vastgesteld met daarin verwoord de ambitie die het stadsdeel op deze onderwerpen wil nastreven. De subsidieregeling bewonersinitiatieven is per 1 oktober 2016 van kracht. De subsidieregeling maatschappelijk initiatief geldt pas vanaf 1 januari 2018. Het stadsdeel hecht veel waarde aan het bekendmaken van de subsidieregelingen en heeft hiervoor een communicatieplan opgesteld. Stadsdeel Zuid heeft het aan te vragen subsidiebedrag voor bewoners- en maatschappelijke initiatieven beperkt.  Voor zowel het uitvoeren van de subsidieregeling maatschappelijk initiatief als de subsidieregeling bewonersinitiatieven is een procesbeschrijving opgesteld.

Stadsdeel Zuidoost

Uitgangspunten
Stadsdeel Zuidoost heeft subsidieregelingen voor zowel bewonersinitiatieven als maatschappelijk initiatief. Beide regelingen zijn op 1 oktober 2016 van kracht gegaan. De subsidieregeling bewonersinitiatieven is bedoeld voor initiatieven die helpen de buurt te verbeteren.  De subsidieregeling maatschappelijk initiatief is bedoeld voor het stimuleren en faciliteren van initiatieven van samenwerkingsverbanden van bewoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties die het heft in handen nemen om een maatschappelijk doel na te streven en daarbij zelf (een deel van) de uitvoering ter hand willen nemen.  Zo wil men een impuls geven aan de ontwikkeling van de zogenoemde ‘nieuwe overheid’. 

Stadsdeel Zuidoost heeft op diverse punten de subsidieregelingen voorzien van maatwerk bepalingen. Zo heeft het stadsdeel er in de subsidieregeling bewonersinitiatieven voor gekozen dat een organisatie jaarlijks maximaal € 5000 kan aanvragen  (artikel 4). Stadsdeel Zuidoost vraagt initiatiefnemers hun aanvraag voor een bewonersinitiatief minimaal acht weken voor aanvang van de activiteit in te dienen, waar andere stadsdelen vier weken aanhouden.

In de subsidieregeling maatschappelijk initiatief heeft het stadsdeel ervoor gekozen dat er maximaal € 10.000 aangevraagd kan worden.  Daarnaast is het verplicht dat een aanvrager woonachtig/gevestigd/werkzaam is in stadsdeel Zuidoost (artikel 7). Bij in te dienen gegevens (artikel 8) moet een aanvrager aangeven op welke wijze de doelgroep actief betrokken wordt bij de voorbereiding of uitvoering van activiteiten.

Budget
In 2017 was € 60.000 beschikbaar voor maatschappelijke initiatieven en € 210.000 voor bewonersinitiatieven. Daarnaast werden maatschappelijke initiatieven gefinancierd via de basisvoorzieningen. 

Werkwijze
Stadsdeel Zuidoost heeft voor de inhoudelijke beoordeling en het eindadvies voor een subsidieaanvraag een zogenoemde i-toets ontwikkeld. Voor het verlenen van subsidies is een document opgesteld met daarin beoordelingscriteria en een beslisboom inclusief taakverdeling.  De betreffende toets wordt ook uitgevoerd wanneer een initiatiefnemer subsidie aanvraagt voor een bewonersinitiatief of een maatschappelijke initiatief. Uit gesprekken met het stadsdeel blijkt dat elke aanvraag en de daarvoor ingevulde i-toets door één manager beoordeeld wordt, deze is gemandateerd om subsidies te verlenen en vast te stellen. 

Voor beide subsidieregelingen zijn geen procesbeschrijvingen gemaakt waarin de stappen van aanvraag tot en met uitvoering en verantwoording zijn vastgelegd. In een gesprek is ons aangegeven dat bij overleggen binnen de gebiedsteams ervaringen worden uitgewisseld over aanvragen en uitgevoerde initiatieven, mede om een uniforme werkwijze en beoordeling te realiseren. 

Informatievoorziening en ondersteuning
Uit documentatie blijkt niet of en hoe het stadsdeel vooraf heeft nagedacht over verdere bekendmaking van de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijk initiatief. Opvallend is dat beide subsidieregelingen niet zijn terug te vinden in een officiële bekendmaking via het Gemeenteblad, maar wel op de website van de gemeente Amsterdam. Stadsdeel Zuidoost heeft de verkiezing Beste Bewonersinitiatief Zuidoost georganiseerd, enerzijds om waardering te Verkiezing beste initiatief laten zien aan initiatieven en anderzijds om meer bekendheid aan initiatieven te geven (zie Informatiekader).

Verkiezing beste initiatief 

Op 4 juli maakte stadsdeel Zuidoost de winnaars bekend van de verkiezing Beste Bewonersinitiatief Zuidoost 2017. Met de verkiezing wil het stadsdeel haar waardering laten zien en geeft zij bekendheid aan bewonersinitiatieven. Inwoners van Zuidoost konden online hun stem uitbrengen op genomineerde initiatieven. Verdeeld over de drie gebieden van Zuidoost zijn meer dan 1.100 stemmen uitgebracht. Uit elk gebied is de winnaar beloond met een cheque (te besteden aan een bewonersinitiatief), theaterbon en bos bloemen. De winnaars waren:

Sinterklaas voor iedereen
56% van de stemmen uit Gaasperdam & Driemond. Het doel van Sinterklaas voor iedereen is om kinderen uit kansarme gezinnen een fijne Sinterklaas beleving bezorgen om even de zorgen achterwege te kunnen laten. Het feest eindigt met een warme maaltijd en een goed gevulde jute zak met cadeaus, die de ouders op 5 december kunnen uitdelen.

School Makandra
40% van de stemmen uit Bijlmer Centrum. Bij dit initiatief waarin scholing centraal staat, leren kinderen van kinderen. De initiatiefneemster is 13 jaar en heeft al drie jaar haar eigen school, School Makandra. Iedere zondag geeft ze daar les aan ongeveer 15 tot 20 kinderen. Daarnaast is de school voor veel kinderen een tweede thuis. Ze krijgen ook een warme maaltijd en persoonlijke aandacht.

Milieukids Geerdinkhof
29% van de stemmen uit Bijlmer Oost. Met dit initiatief leren kinderen uit de buurt bewuster omgaan met het milieu en leren ze wat afval doet met dieren en planten. Ze gaan elke maand samen vuil en plastic opprikken en zorgen er voor dat de wijk er weer schoon en netjes uitziet.

Om als stadsdeel een onafhankelijk oordeel te kunnen vellen over subsidieaanvragen is de ondersteuning bij het ontwikkelen en indienen van subsidieaanvragen grotendeels uitbesteed. In stadsdeel Zuidoost kunnen initiatiefnemers ondersteund worden door de maatschappelijke organisaties POZO en Venzo. Deze organisaties ontvangen hiervoor subsidie op basis van activiteitenplannen die zij hebben opgesteld. Deze organisaties hebben de opdracht om bijeenkomsten te organiseren waarbij bekendmaking van de subsidieregelingen centraal staat. Zo is in het activiteitenplan van POZO onder meer de werkwijze opgenomen die de organisatie hanteert bij bewoners die een aanvraag willen doen. Ook is opgenomen dat de organisatie bijeenkomsten organiseert voor bewoners om hen voor te lichten over de mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie voor initiatieven, genaamd 'POZO inspireert'.  Daarnaast zijn ook Stichting WOON en de Hogeschool van Amsterdam via BOOT (Buurtwinkel voor Onderwijs, Onderzoek en Talentontwikkeling) actief in het ondersteunen van initiatiefnemers in Zuidoost.

Evaluaties
De gebiedsondersteuners hebben in maart 2018 een evaluatie uitgevoerd op de ontwikkeling van de aanvragen voor initiatieven (106 aanvragen in 2016, 153 in 2017 en 82 in de eerste twee maanden van 2018) en hoe zij hun werk ervaren (o.a. prettige samenwerking met collega's in stadsdeel en in centrale stad, verbeteringen mogelijk op o.a. kennis van proces en SBS).

Daarnaast laat het stadsdeel zich informeren door de jaarlijkse eindverantwoording van de ondersteunende organisaties. Hierin verantwoorden de organisaties zich onder meer op de prestatieafspraken ten aanzien van het begeleiden van bewoners (bijvoorbeeld: aantal te ondersteunen nieuwe initiatieven, aantal te ondersteunen bestaande initiatieven, aantal bij te wonen bewonersbijeenkomsten en te organiseren informatiemarkten). Over 2017 hebben zowel POZO als VENZO de gemaakte prestatieafspraken ten aanzien van bewonersinitiatieven ruim gehaald. 

Samenvattend
Stadsdeel Zuidoost heeft vanaf 1 oktober 2016 subsidieregelingen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Voor het toekennen van subsidies heeft Zuidoost de zogenoemde i-toets ontwikkeld. Deze biedt medewerkers handvatten om op een uniforme wijze aanvragen te beoordelen. Het stadsdeel heeft geen procesbeschrijvingen opgesteld. Initiatiefnemers die ondersteuning wensen bij het opstellen en indienen van subsidieaanvragen worden veelal naar maatschappelijke organisaties doorverwezen die daarvoor van het stadsdeel subsidie ontvangen. Het stadsdeel evalueert zelf nauwelijks; het laat zich informeren door de verantwoordingsverslagen van de ondersteunende organisaties.

Raakvlakken met de centrale stad

Gemeentelijke onderdelen

RVE's
Het Stedelijk Kader Afspraken basisvoorzieningen benadrukt dat ook de RVE's (inmiddels directies genoemd) een rol hebben in het realiseren van maatschappelijke initiatieven. Zo staat in het Stedelijk kader Afspraken basisvoorzieningen dat: "de bestuurscommissies een leidende rol hebben, maar dat ook de andere onderdelen van de gemeente een rol spelen, afhankelijk van de mogelijke maatschappelijke resultaten en de mogelijkheden om die te faciliteren."(p.35) 

Een zelfde redenering is door het college ingebracht in de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief.  Het college stelt vast dat naast de stadsdelen ook de andere onderdelen van de gemeentelijke organisatie een rol hebben vanuit hun beleid, expertise en budgetten. De rol van RVE's is afhankelijk van de maatschappelijke resultaten waaraan een initiatief bijdraagt en de inzet die nodig is om deze initiatieven mogelijk te maken (zie Informatiekader Samenwerking WPI en stadsdeel West voor een voorbeeld).

Dat de RVE's een rol hebben, wordt door het college breed onderkend. Echter wat deze rol precies moet zijn en hoe men dient samen te werken om initiatiefnemers te ondersteunen, is niet nader uitgewerkt. Gebiedsmakelaars geven aan dat het vaak een zoektocht is om een duurzame verbinding te leggen ten aanzien van initiatieven omdat de nagestreefde resultaten of beleid van RVE's niet altijd overeenkomt met wat een gebiedsteam in een stadsdeel als doel heeft. Ook kan stedelijk beleid, bijvoorbeeld rondom vergunningen of personenvervoer, initiatieven in de stadsdelen behoorlijk in de weg zitten. Zo is de centrale stad voornemens om geen vergunning meer te geven aan afwijkend personenvervoer om drukte in de binnenstad tegen te gaan, bijbehorende maatregelen gaan gelden voor de hele stad en niet alleen voor stadsdeel Centrum. Een mogelijk gevolg hiervan is dat een Samenwerking WPI en stadsdeel West maatschappelijk initiatief in Noord, waar een elektrisch voertuig zorgt voor vervoer van bewoners die slecht ter been zijn, geen vergunning krijgt. 

Samenwerking WPI en stadsdeel West

Het maatschappelijk initiatief BORO*Atelier is gevestigd in stadsdeel West en biedt re-integratie en leer/werktrajecten voor vrouwen en statushouders met afstand tot de arbeidsmarkt. BORO*Atelier is van mening dat zij succesvoller zijn in de werving, talentontwikkeling en doorstroom naar de arbeidsmarkt van klanten dan de gemeentelijke dienst WPI. Daarom wil BORO*Atelier dit deel van het werk deels overnemen en gefinancierd krijgen door WPI. Na een pilotperiode waarin WPI, naast het opdoen van ervaring met BORO*Atelier ook de eigen beleidsregels onder de loep nam, is er door stadsdeel West en WPI voor gekozen om gezamenlijk in BORO*Atelier te investeren. 

Subsidiebureau Amsterdam
Wanneer maatschappelijke en bewonersinitiatieven via een subsidie worden ondersteund, speelt het Subsidiebureau van de gemeente Amsterdam een rol. Vanaf 1 juli 2015 kunnen subsidieaanvragen online worden ingediend via het Subsidiebeheersysteem (SBS). Vanaf medio 2016 wordt dit systeem ook door de stadsdelen gebruikt.

Aanvragers kunnen via verschillende wegen informatie over de subsidieregeling waarin zij interesse hebben, inzien. Er is een online vraagbaak ingericht, van waaruit geïnteresseerden onder meer informatie kunnen ophalen over subsidieregelingen.  Daarnaast kunnen aanvragers via www.amsterdam.nl/subsidies bij deze zelfde informatie terecht komen. Per subsidieregeling kan een aanvrager ook doorklikken naar de 'subsidieaanvraagpagina'. Het Subsidiebureau heeft met de beleidsafdelingen en stadsdelen werkafspraken gemaakt over wie welke taken uitvoert bij het afwikkelen van de subsidieaanvraag. Het Subsidiebureau is verantwoordelijk voor het subsidieproces en heeft daarin een administratieve, coördinerende en faciliterende rol . 

Op dit moment verschillen het aanvraagproces en de voorwaarden van de subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven per stadsdeel. Met name voor bewonersinitiatieven tot € 500,- komt het voor dat van de voorgeschreven werkwijze wordt afgeweken.  De aanvragers zijn lang niet altijd positief over de te doorlopen stappen.  Het Subsidiebureau onderzoekt of het aanvraagproces voor subsidies tot € 5.000 opnieuw ingericht kan worden.  Aanvragen voor initiatieven zijn veelal kleiner dan dit bedrag.

Gemeentelijk Management Team
Het Gemeentelijk Management Team (GMT) is een gemeentelijk orgaan onder voorzitterschap van de gemeentesecretaris. Sinds de ambtelijke reorganisatie in 2014 stuurt het GMT de ambtelijke organisatie aan. Alle stedelijk directeuren hebben zitting in het GMT.

Het college van B&W heeft op 19 april 2016 het GMT de opdracht gegeven de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief integraal in de gemeentelijke organisatie te implementeren  en zo de RVE's te laten aansluiten op de beoogde werkwijze die het college voor ogen heeft. Ook coördineert het GMT experimenten met maatschappelijk initiatief in de zeven stadsdelen die in het kader van de bestuurlijke ambitie zijn opgestart (zie paragraaf 2.4.2).

Gemeentelijke ontwikkelingen

Rondom de maatschappelijke en bewonersinitiatieven zien we verschillende ontwikkelingen in de gemeente. Er ontstaan diverse platforms die maatschappelijk initiatief stimuleren en faciliteren, zoals Stadsmakers, Amsterdammers, maak je stad! en Maak020. Om in te spelen op de maatschappelijke ontwikkelingen is bij de Voorjaarsnota 2017 het amendement ‘Buurtgeld voor Buurtinitiatief’ van de Raadsleden Van Dantzig en Ten Bruggencate aangenomen.  Ook de uitvoering van het Programma Ruimte voor Initiatief en het oprichten van Vermogensfondsen zijn van belang voorde stadsdelen. Op de laatste twee ontwikkelingen gaan in deze paragraaf kort in, vanuit het perspectief van de stadsdelen.

Programma Ruimte voor Initiatief
Met de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief heeft het toenmalige College de ambitie uitgesproken een gemeente te willen zijn waar bewoners zich uitgenodigd en uitgedaagd voelen om zelf actief problemen aan te pakken en zelf te werken aan maatschappelijke doelen. 

Het college heeft via het programma Ruimte voor Initiatief het GMT opdracht gegeven de nieuwe werkwijze integraal in te voeren in de gemeentelijke organisatie. Dit betekent dat het GMT samenhang dient te zien c.q. dient aan te brengen met de samenwerking aan gebiedsopgaven door stadsdelen en RVE's. Het wegnemen van belemmeringen die stadsbreed in maatschappelijke initiatieven Zes systeembelemmeringen en bijbehorende casussen voorkomen is een essentieel onderdeel van dit programma. Er zijn zes zogenoemde systeembelemmeringen geïdentificeerd (zie Informatiekader).

Zes systeembelemmeringen en bijbehorende casussen 

1.Integrale financiering – Het probleem is dat initiatiefnemers meerdere loketten af moeten voor het verkrijgen van subsidie en er beperkte financiële ruimte in beleids‐ en uitvoeringsprogramma’s is, waardoor er weinig mogelijkheden zijn om in gebieden flexibel in te spelen op vragen van buiten. De casus Noorderparktrust heeft een paraplusubsidie gekregen voor 2 jaar. Daarmee is het knelpunt voor de casus opgelost. Om te zorgen dat andere maatschappelijk initiatieven in aanmerking kunnen komen voor integrale financiering, over de grenzen van de gemeentelijke organisatieonderdelen heen, is één brede subsidieregeling gemaakt.  Deze wordt nog ter besluitvorming voorgelegd. Ook is er een specifieke regeling voor Duurzame Initiatieven in de maak vanuit de versnellingsgelden Duurzaamheid.
Casussen: Noorderparktrust (Noord), Secret Village (Centrum), Sociale ondernemingen (Zuidoost)

2. Verduurzamen informele zorg – Bij deze systeembelemmering gaat het om het onderzoeken van de verschuivende verhoudingen binnen zorg en welzijn. Hoe gaan we als overheid om met nieuwe vormen van zorg? Waar houdt de verantwoordelijkheid van de overheid op en waar kan het worden overgelaten aan dit soort particulier initiatief? In een leertraject met maatschappelijk initiatiefnemers ontwikkelt de gemeente een werkwijze waarin informele zorgpartijen beter en sneller worden gefaciliteerd en beoordeeld. Er start een pilot voor een informeel zorgplatform waar ook financiering aan gekoppeld is.
Casussen: Stadsdorpen (Centrum), Lucas Community (Nieuw-West), Connecting Cultures (Zuidoost)

3. Right to Challenge – Er wordt binnen de gemeente op kleine schaal geëxperimenteerd met Right to Challenge. Echter, er is nog veel terughoudendheid om reguliere taken van de overheid op een andere wijze dan reguliere aanbesteding, uit te laten voeren door bewoners, buurtpartijen en (buurt)ondernemers.
Casussen: Jongerenbod in de Buurt (Oost)

4. Ondernemen in/uit uitkering – Mensen met een uitkering die actief vrijwilligerswerk doen worden hierin onvoldoende (financieel) gestimuleerd. De ruimte in de regels is inmiddels gerealiseerd waardoor uitkeringsgerechtigden met behoud van uitkering kunnen bijdragen aan maatschappelijke initiatieven. Doet iemand vrijwilligerswerk dan mag maximaal € 1500 euro per jaar aan onkostenvergoeding worden ontvangen. De sollicitatieplicht gaat onder voorwaarden niet boven het doen van vrijwilligerswerk.
Casussen: Meevaart (Oost), BORO Atelier (West), Tante Tosti (Noord)

5. Vastgoed – De ambitie is om vastgoed (breder dan alleen gemeentelijk vastgoed) toegankelijker te maken voor maatschappelijke initiatieven, met meer ruimte in de regels om eigen activiteiten te ontplooien en inkomsten te verwerven om exploitatie rond te krijgen. De dienstverlening aan startende maatschappelijke initiatieven, die nog geen locatie hebben, is nog niet optimaal. Rond Vastgoed werkt de gemeente Amsterdam aan een structurele werkwijze voor betere dienstverlening en een snelle reactie op voorstellen van initiatiefnemers door één contactpersoon vanuit de gemeente aan te wijzen.
Casussen: Zelfbeheer Buurthuizen (Noord), Henrick de Keyser (Zuid), Westside (Nieuw-West)

6. Leefbaarheid – Vaak werken bewoners, overheid, corporaties en andere partijen aan het versterken van de leefbaarheid van de omgeving. Regelmatig doen ze dat langs elkaar heen. Daarbij willen burgers investeren in de leefbaarheid van hun wijk. In stadsdeel Nieuw‐West en Zuidoost zijn Stadsdialogen ingezet om bewoners en gemeente in gesprek te laten komen. Daarnaast wordt er per ontwikkelbuurt een participatietraject ingericht in afgestemd op en in samenwerking met bewoners, ondernemers en instellingen. De praktijkervaringen die zijn opgedaan, worden opgehaald door de Hogeschool van Amsterdam om zo een collectieve leerervaring te creëren.

Casussen: alle bovengenoemde en Noordoogst (Noord)

Organisatie
Om de systeembelemmeringen op te lossen zijn zes oplossingsteams ingesteld. Deze teams bestaan uit een duo van een rve‐directeur en een gebiedsmanager uit een stadsdeel als probleemeigenaar, ambtenaren die betrokken zijn bij de inhoud en maatschappelijk initiatiefnemers.  De inzichten die worden opgedaan in de casussen moeten worden vertaald naar structurele oplossingen en werkwijzen. 

Bestuurlijk overleg over resultaten
In de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief is vermeld dat elk jaar een bestuurlijke bijeenkomst zal worden georganiseerd met stadsdeelbestuurders waarin wordt besproken over hoe het programma Ruimte voor Initiatief uitwerkt in de praktijk.  Diverse malen is aangekondigd c.q. de wens uitgesproken tot deze bestuurlijke conferentie:

  • Door het college en bestuurders van stadsdelen (zoals besproken in GMT vergadering 7 december 2016): in maart 2017 zou deze conferentie plaatsvinden ;
  • Door de wethouders in een gesprek met het GMT (9 februari 2017). Hieraan wordt opnieuw gerefereerd in een memo aan de wethouders over de voortgang van RvI (29 mei 2017): in het najaar van 2017 wordt een conferentie georganiseerd, de raad wordt over de uitkomst van de conferentie geïnformeerd. 

Voor zover we kunnen nagaan heeft er geen bestuurlijke conferentie plaatsgevonden waarin uitkomsten van het programma met de stadsdelen zijn gedeeld.

Er zijn diverse werkconferenties geweest, waar initiatiefnemers, ambtenaren en andere geïnteresseerden aan deel konden nemen. In februari 2018 is via de nieuwsbrief van Ruimte voor Initiatief en samenhangend met een werkconferentie van 13 februari 2018 een document verschenen waarin (deel)resultaten en wensen voor de toekomst van alle casussen worden gepresenteerd.  De Casus Noorderparktrust, belemmering integrale financiering, is in 2016 al opgelost door middel van een paraplusubsidie. Tegelijkertijd wordt in het document geconstateerd dat dit voor deze casus een oplossing was, maar geen structurele oplossing biedt voor het onderliggende probleem, namelijk financiering voor initiatieven die vele beleidsterreinen en gemeentelijke onderdelen raken. Daarmee lijkt met name stadsdeel Noord geholpen met de ontwikkelde oplossing voor deze casus maar de andere stadsdelen nog niet. Deze constatering spreekt het eerdere voortgangsverslag van het programma Ruimte voor Initiatief tegen. Hierin werd aangegeven dat er één brede subsidieregeling is opgesteld  (zie Informatiekader - Zes systeembelemmeringen en bijbehorende casussen).

Toekomst
Inmiddels is besloten om het programma Ruimte voor Initiatief samen te voegen met andere bestuursopdrachten die betrekking hebben op het gebiedsgericht werken, te weten: de bestuursopdrachten Participatieve democratie en de strategische agenda gebiedsgericht werken. 

Op 1 juni 2018 is het ambtelijk team Participatieve democratie aan de slag gegaan. Dit team gaat zich inzetten om de kennis en uitvoering van participatie in de stad naar een hoger plan te trekken.  Samenvattend is er rondom de samensmelting veel aandacht voor de organisatorische inrichting en ordening, maar is onduidelijk wat de gevolgen zijn voor de casussen en (oplossingen voor) de stadsdelen.

Wat hebben de stadsdelen aan het programma Ruimte voor Initiatief gehad?
In ieder oplossingsteam heeft een gebiedsmanager zitting. De rekenkamer heeft evenwel niet de indruk gekregen dat de resultaten van de casussen met alle 22 gebieden zijn gedeeld. Gebiedsmakelaars waarmee wij gesproken hebben gaven aan ofwel in hun dagelijks werk niet te maken te hebben met het programma Ruimte voor Initiatief, ofwel het programma niet of nauwelijks te kennen.  Tijdens het groepsgesprek waar met gebiedsmakelaars en -ondersteuners is gesproken over belemmerende en bevorderende factoren in de praktijk is het programma geen enkele keer naar voren gebracht. Geïnterviewde beleidsmedewerkers bij de stadsdelen geven daarentegen aan dat het stedelijk programma er de afgelopen jaren wel voor heeft gezorgd dat maatschappelijke initiatieven ruim aandacht hebben gekregen. Tegelijkertijd geeft men aan dat maatschappelijk initiatieven in de stadsdelen vaak onvoldoende aansluiting vinden in de centrale stad: "het lijken soms wel gescheiden werelden, ambtenaren in de stadsdelen lopen stuk op regelingen en vinden [in de centrale stad] vaak niet de juiste persoon om te escaleren". 

Informatievoorziening door het GMT is met name gericht op interne afstemming (agendering van het programma in de eigen vergaderingen) en op het college dat op 13 juni 2017 een voortgangsrapportage ontvangen heeft. De minimale informatievoorziening naar de stadsdelen is een gemis aangezien zich de stadsdelen ook kunnen leren van de casussen van Ruimte voor Initiatief.

Mensen maken Amsterdam en MAEX: Vermogensfonden in de stadsdelen
Op 11 maart 2014 is een convenant getekend tussen de gemeente Amsterdam en charitatieve vermogensfondsen (verenigd in het landelijk fondsenoverleg). De gemeente en fondsen hebben beiden de ambitie om bewoners van Amsterdam te stimuleren en in staat te stellen zich voor de stad en elkaar in te zetten, op weg naar meer ‘samenredzaamheid’. Het doel van het convenant was het initiëren van nauwere samenwerking, kennisuitwisseling en beleidsafstemming rondom maatschappelijk initiatief.  In stadsdeel Oost functioneert sinds 2014 het Fonds voor Oost, waar initiatieven die bijdragen aan een leukere, mooiere of betere wijk terecht kunnen voor financiële ondersteuning. Sinds de start zijn er 221 initiatieven gesteund met in totaal bijna € 150.000.  In 2018 is ook in de stadsdelen Noord , Nieuw-West  en Zuidoost  een vermogensfonds beschikbaar gekomen. Het is de bedoeling dat de resterende drie stadsdelen volgen in 2019.

De fondsen worden gevuld door donaties, onder meer van buurtbewoners, ondernemers en bedrijven uit de stadsdelen en andere (Amsterdamse) kunst en cultuur fondsen, maar soms ook door financiën uit de stadsdelen zelf.  De fondsen maken gebruik van de infrastructuur en kennis van de stadsdelen, terwijl de fondsen voor de stadsdelen het voordeel hebben dat er meer budget beschikbaar komt voor maatschappelijk en bewonersinitiatieven. Tot en met augustus 2018 hebben de Fondsen van Noord, Nieuw-West en Zuidoost echter nog geen uitkeringen gedaan. 

De stadsdeelgebonden fondsen werken samen via de koepel Mensen maken Amsterdam, die op haar beurt nauw samenwerkt met MAEX Amsterdam. MAEX (een initiatief van Kracht in Nederland) brengt de maatschappelijke waarde en sociale impact van initiatieven in beeld en biedt kansen voor samenwerking en financiering. Gezamenlijk willen deze instanties in 2018 met hulp en ondersteuning van de gemeente Amsterdam een platform bieden en bouwen voor maatschappelijke en culturele initiatieven die van belang zijn voor en bijdragen aan de stad.

Conclusies over de opdracht aan de stadsdelen

Afsprakenkader is ruim maar onvolledig
In het kader met afspraken dat de stadsdelen van het college hebben meegekregen benadrukt het college enerzijds de ruimte en vrijheid die de stadsdelen krijgen. Anderzijds geeft het college concrete afspraken en formats mee die door de stadsdelen moeten worden nagekomen. Hiermee probeert het college ruimte voor maatwerk en het bieden van houvast te combineren. Het is opvallend dat het college in het Stedelijk Kader aangeeft dat alle stadsdelen een subsidieregeling voor bewonersinitiatieven moeten hebben, maar daar in de afspraken niet op terugkomt. Ook is er in de afspraken zelf  geen aandacht voor evalueren van in te richten werkwijzen. Evalueren is belangrijk om het beleid en/of de uitwerking daarvan in onder andere werkwijzen bij te kunnen sturen, maar ook om verantwoording af te leggen en te leren.

Nog niet alle stadsdelen hebben subsidieregelingen
In het kader van het gebiedsgericht werken hebben alle stadsdelen in meer of mindere mate gevolg geven aan de opdracht van het college om ruimte te geven aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven. In 2016 hebben de stadsdelen Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost een subsidieregeling bewonersinitiatieven vastgesteld, en tegelijkertijd ook, met uitzondering van Zuid, een subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Met ingang van 1 januari 2018 heeft ook stadsdeel Zuid een subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Dat betekent dat de stadsdelen Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost inmiddels beide subsidieregelingen kennen. Stadsdeel Centrum heeft sinds 15 mei van dit jaar een subsidieregeling bewonersinitiatieven, maar nog geen subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Nieuwe-West heeft beide subsidieregelingen niet. In 2016 heeft dit stadsdeel haar bestaande beleid geëvalueerd en besloten de werkwijze waarbij initiatiefnemers budgetten kunnen aanvragen via welzijnsinstellingen voort te zetten.

Hoewel de opbouw van de subsidieregelingen gelijk is, zijn er wezenlijke verschillen tussen de regelingen
De stadsdelen hebben voor het opstellen van hun subsidieregelingen gebruikgemaakt van een format. Vanwege de mogelijkheid tot maatwerk was het de stadsdelen toegestaan om op onderdelen af te wijken van dit format. Hierdoor zijn er verschillen in onder meer te subsidiëren activiteiten, de subsidiabele kosten en het maximaal toe te kennen subsidiebedrag.

Grote verschillen in beschikbaar budget
Alle stadsdelen met een subsidieregeling hadden daaraan ook een beschikbaar budget verbonden. Er zijn grote verschillen tussen de stadsdelen in beschikbare budgetten. Voor bewonersinitiatieven varieert het budget van € 75.000 (stadsdeel Centrum, in 2018) tot ruim € 500.000 (stadsdeel Nieuw-West ). Voor maatschappelijke initiatieven varieert het budget van € 60.000 (stadsdeel Zuidoost) tot ruim € 740.000 (stadsdeel Oost).

Werkwijzen beperkt vastgelegd
De opdracht van de stadsdelen was om heldere en toegankelijke processen, instrumenten en procedures in te richten. De rekenkamer heeft echter weinig integrale uitgewerkte plannen gezien ten aanzien van de implementatie en het werken met de subsidieregelingen. De stadsdelen hebben allen op onderdelen hun interne manier van werken uitgewerkt. De meeste stadsdelen leggen daarbij de nadruk op werkwijzen rondom maatschappelijke initiatieven (West, Zuid, Oost). Alleen in Nieuw-West hebben we uitgebreide werkwijzen rondom bewonersinitiatieven aangetroffen , al biedt de in 2016 vastgestelde werkwijze veel minder bepalingen voor de wijze waarop de regeling voor bewonersinitiatieven dient te worden uitgevoerd dan de werkwijze die eerder (vanaf 2013) van kracht was.  Ten aanzien van de beoordeling van aanvragen heeft stadsdeel Zuidoost als enige in een toetsingsinstrument expliciet gemaakt hoe zij subsidieaanvragen systematisch beoordeelt.

Alle regelingen zijn gecommuniceerd
Alle stadsdelen hebben hun regelingen in ieder geval gecommuniceerd via de gemeentelijke website. Ze voldoen hiermee aan de afspraak met het college. Op deze site staat met name wat initiatiefnemers zelf moeten doen en aanleveren voor een subsidieaanvraag, maar niet zozeer wat initiatiefnemers van het stadsdeel kunnen verwachten. Alleen stadsdeel Noord heeft op deze website ondersteuningswijzen vermeld. Op andere websites, ofwel van het stadsdeel (bijvoorbeeld Noordmakers, Zuidmakers en Centrummakers) ofwel van ondersteunende organisaties, staat voor initiatiefnemers meer informatie over ondersteuningsmogelijkheden. Alleen stadsdelen Zuid en Centrum hebben een uitgewerkt communicatieplan.

Grote diversiteit in geboden ondersteuning
Ondersteuning wordt geboden door ambtenaren, met name door gebiedsmakelaars, in dienst van de stadsdelen. Daarnaast ontvangen in de meeste stadsdelen (stadsdeel Zuid niet) een of meer maatschappelijke organisaties subsidie om ondersteuning te bieden aan initiatiefnemers. Ondersteuning, zowel door gebiedsmakelaars als door maatschappelijke organisaties, kan bijvoorbeeld hulp zijn bij het leggen van contacten, bij het schrijven van aanvragen en opstellen van een begroting, in het uitvoeren van activiteiten of door middel van het beschikbaar stellen van fysieke ruimtes. De maatschappelijke organisaties beheren in verschillende stadsdelen het budget dat beschikbaar is voor bewonersinitiatieven (West, Nieuw-West, Noord tot € 500).

Regelingen worden beperkt geëvalueerd
We hebben diverse evaluaties gezien. Deze vonden meestal plaats op het niveau van individuele initiatieven, met name maatschappelijke initiatieven. Daarnaast vonden evaluaties plaats op een specifiek onderdeel van de gekozen manier van werken (bijvoorbeeld het budget voor maatschappelijke initiatieven in Oost of een communicatiecampagne in Zuid). Algemene of overkoepelende evaluaties van de gekozen werkwijze, de uitvoering en effecten daarvan en de ervaringen daarmee vanuit de stadsdelen en initiatiefnemers zijn er nauwelijks. Alleen de stadsdelen Noord en Nieuw-West hebben de subsidieregelingen (Noord) en de gekozen werkwijze met regiegroepen (Nieuw-West) uitgebreid geëvalueerd en waar nodig aangepast. In Nieuw-West heeft men ook een inschatting gemaakt van de doeltreffendheid van de gekozen werkwijze. Van stadsdeel Centrum  is geen enkele evaluatie rondom maatschappelijke en bewonersinitiatieven bekend.

De bestaande evaluaties hebben daarmee enerzijds een incidenteel karakter, structurele evaluaties op basis waarvan lessen door de tijd heen getrokken kunnen worden en waarmee de stadsdelen zich kunnen verantwoorden, missen. Dit is opmerkelijk aangezien in het Stedelijk Kader basisvoorzieningen staat dat er op gebiedsniveau monitoring dient plaats te vinden. Met deze monitoring lijkt dus niets gedaan te worden. Anderzijds zijn de gedane evaluaties fragmentarisch, waardoor een beperkt of eenzijdig beeld ontstaat van de ervaringen met en kosten en baten van de gekozen werkwijzen rondom maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Gebiedsmakelaars hebben ons aangegeven dat ze eigenlijk meer zouden moeten doen aan het evalueren van bewonersinitiatieven en het naar voren brengen van de resultaten; de focus ligt over het algemeen op de bestede middelen en niet op de maatschappelijke impact. 

De Algemene wet bestuursrecht stelt dat elke subsidieregeling eens in de vijf jaar geëvalueerd dient te worden, de subsidieregelingen rondom maatschappelijk en bewonersinitiatief die in 2016 van kracht zijn geworden dienen dan ook uiterlijk 2021 geëvalueerd te worden. In geen enkel stadsdeel hebben we aanwijzingen gevonden dat hiertoe plannen of instrumenten in ontwikkeling zijn of dat men op een andere manier op deze verplichting voorsorteert.

Kern van de opdracht - zorg voor heldere processen en procedures - is grootste lacune bij de stadsdelen
Samenvattend hebben de stadsdelen een start gemaakt met het uitvoeren van de opdracht van het college. De meeste stadsdelen hebben daarbij gekozen voor subsidieregelingen als instrument, waarbij aandacht is geweest voor communicatie richting initiatiefnemers. In het gebruik van het instrument is gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot maatwerk maar nauwelijks van de mogelijkheid tot experimenteren met nieuwe werkvormen. De kern van de opdracht uit de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief was het opstellen van heldere en toegankelijke processen en procedures, aan de hand waarvan initiatiefnemers weten wat zij van hun stadsdeel kunnen verwachten en ambtenaren eenduidig kunnen werken. Hier zien we echter de grootste lacune; de meeste stadsdelen hebben dit per subsidieregeling nauwelijks concreet uitgewerkt in een tijdpad met te nemen stappen, betrokken functionarissen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Daarnaast vindt het uitvoeren van evaluaties voor het verantwoorden en indien nodig bijsturen van doelen en werkwijzen op dit moment slechts op onderdelen plaats.

Aansluiting stadsdelen op ontwikkelingen centrale stad is fragmentarisch
In de invulling van hun opdracht hebben de stadsdelen te maken met RVE's (inmiddels directies genaamd), het Subsidiebureau en het Gemeentelijk Management Team (GMT). Het Subsidiebureau is ondersteunend en er bestaat een duidelijke taakverdeling tussen Subsidiebureau en de stadsdelen. De rol van RVE's in (met name) maatschappelijke initiatieven is benoemd maar nauwelijks concreet uitgewerkt. Per initiatief lijkt het, afhankelijk van de doelstelling en betrokken partijen, telkens weer een zoektocht naar hoe men gezamenlijk met initiatieven om wil gaan. Het GMT zou, met de uitvoering van het programma Ruimte voor Initiatief, een vergemakkelijkende rol in (onder meer) de samenwerking tussen stadsdelen en RVE's kunnen en moeten spelen. Echter lijkt vanuit dit programma nauwelijks kennis en kunde van de casussen door te sijpelen in de stadsdelen. Door het samenvoegen van het programma Ruimte voor Initiatief met de bestuursopdracht Participatieve Democratie bestaat het risico dat het initiële programma verder verwijderd raakt van de stadsdelen. De in vier stadsdelen beschikbare Vermogensfondsen (waarvan in augustus 2018 alleen het Fonds voor Oost echt operationeel was) hebben de potentie om per stadsdeel ondersteuning aan initiatiefnemers te intensiveren en tegelijkertijd het beroep op het budget dat elk stadsdeel heeft vrijgemaakt voor maatschappelijk en bewonersinitiatief te verlichten.

De doeltreffendheid van maatschappelijke en bewonersinitiatieven

Inleiding

In dit hoofdstuk bespreken we in welke mate de doelen van het beleid rondom initiatief bereikt worden aan de hand van de volgende onderzoeksvraag:

Zetten de stadsdelen middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven zo in dat de beoogde doelen worden bereikt?

De doelen voor het beleid rondom initiatief zijn meervoudig van aard (zie paragraaf 3.2): op macroniveau constateren we de abstracte doelen van het college voor het creëren van een dragende samenleving en het op gang brengen van de participatieve democratie, op mesoniveau zien we concretere doelen zoals opgesteld in de gebiedsplannen en beleidsagenda's en op microniveau nemen we doelen van de individuele initiatieven waar. Voor deze meervoudigheid aan doelstellingen heeft de rekenkamer meerdere indicatoren ontwikkeld. We zullen deze indicatoren vervolgens per stuk behandelen (zie paragraaf 3.3).

In de daaropvolgende paragrafen komen in relatie tot de doeltreffendheid nog twee andere zaken aan de orde. Allereerst hebben we in paragraaf 3.4 een afwegingskader opgenomen voor het beoordelen van initiatiefnemers. De doelbereiking van een initiatief kan namelijk in belangrijke mate samenhangen met de daadkracht, kennis en kunde van een initiatiefnemer. Verder vatten we in paragraaf 3.5 nog kort de uitkomsten samen van onze enquête onder leden van de bestuurscommissies over onder meer de informatievoorziening over de resultaten van maatschappelijke initiatieven.

Tot slot volgen in paragraaf 3.6 conclusies over de mate van doeltreffendheid van het beleid rondom initiatief.

Meervoudigheid van doelen rondom initiatief

Het beleid rondom initiatief in Amsterdam heeft zich over de jaren heen geëvolueerd van het faciliteren van kleine initiatieven vanuit buurtbudgetten voor 'aandachtswijken' naar een heus 'ecosysteem' met allerlei mogelijkheden voor ondersteuning en financiering van zowel grote als kleine initiatieven. De initiatieven dienen allerlei verschillende doelen: het ene initiatief moet een brug slaan tussen jong en oud, het andere initiatief moet de emancipatie van vrouwen in de samenleving verder bevorderen of mantelzorg goedkoper maken en weer een ander initiatief heeft als doel een buurthuis in zelfbeheer te nemen. De stadsdelen hebben allerlei plannen en doelen opgeschreven in gebiedsagenda's en beleidsnota's. Als een initiatiefnemer subsidie wil krijgen, dienen de doelen van het initiatief wel enigszins op deze doelen aan te sluiten, maar tegelijkertijd mag een initiatief ook inspelen op lacunes in de samenleving en het bestaande beleid. Daar bovenop komen de algemene doelen die het college heeft met het creëren van ruimte voor initiatief. Het college wil een meer dragende samenleving helpen creëren en de ontwikkeling van de participatieve democratie bevorderen, wat in lijn ligt met de trend van een terugtredende overheid en de participatiesamenleving.  Er zijn dus vele doelen. Wat houden deze doelen meer precies in en hoe kunnen we vaststellen of deze doelen zijn gerealiseerd??

Op macroniveau

(1) het uitdagen van bewoners om initiatief te ondernemen
Het beleid van de stad Amsterdam vindt zijn oorsprong in het gemeentelijk programma 'Vertrouwen in de stad' en de bijbehorende vastgestelde Bestuursopdracht Wijkvernieuwing en Wijkontwikkeling.  Hierin werden de eerste grondslagen gelegd voor het faciliteren van initiatief in wat toen zogenoemde 'aandachtswijken' waren. In de loop van tijd is het beleid geëvolueerd en de grondslag voor het huidige beleid is terug te vinden in de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief, gepubliceerd in 2016. Hierin zijn de eerste abstracte doelstellingen voor het beleid vastgelegd; namelijk het uitdagen van bewoners om initiatieven te ondernemen die enerzijds aanvullend zijn op het werk wat de overheid al doet en anderzijds de gemeente uitdagen op vlakken waar zij normaal actief is. Deze doelstellingen hangen samen met de ambitie om de methode gebiedsgericht werken tot alle lagen van de gemeentelijke organisatie door te laten sijpelen.

Om na te kunnen gaan of de bovenstaande doelen zijn gerealiseerd, hebben wij de volgende indicatoren gebruikt.

  • Het aantal gefinancierde initiatieven in 2017;
  • Meningen en indrukken over gebiedsgericht werken op basis van interviews met ondersteuners van initiatiefnemers en betrokkenen binnen de gemeente.


(2) het doel van de dragende samenleving
Daarnaast is het beleid rondom initiatief sinds 2016/2017 opgenomen in de basisvoorzieningen.  De basisvoorzieningen hebben als hoofddoel om de dragende samenleving te versterken.  Dit houdt min of meer in dat burgers zich zelf verantwoordelijk voelen voor het publieke domein en sluit aan bij het idee van de participatiesamenleving waarin iedereen zichzelf verantwoordelijk dient te voelen voor zijn eigen leven en omgeving.  De overheid dient zich daarbij te ontwikkelen van bolwerk, dat allerlei zaken oplegt, naar een netwerk dat burgers faciliteert om zelf verantwoordelijkheid te nemen. De dragende samenleving heeft volgens het ideaalbeeld een hogere mate van sociale cohesie en actievere burgers die zich bijvoorbeeld inzetten als vrijwilliger, minder sociaal geïsoleerd zijn, en eerder bereid zijn om informele hulp te bieden of bereid zijn deze te bieden als ze daartoe gevraagd zouden worden. Dit moet leiden tot burgers die minder beroep hoeven te doen op (specialistische) zorg en ondersteuning.

Om na te kunnen gaan of de bovenstaande doelen zijn gerealiseerd, hebben wij de volgende indicatoren gebruikt.

  • De mate van sociale cohesie, cijfers over inzet vrijwilligers, sociaal isolement en informele hulp over de jaren heen;
  • De mate van inclusiviteit (betrokkenheid van en toegankelijkheid voor alle burgers) van het beleid.
Op mesoniveau

Het aanpakken van specifieke maatschappelijke problemen in de buurt
Naast de abstracte doelen hebben de centrale stad en alle stadsdelen een breed scala aan aandachtspunten en doelen opgesteld. Deze zijn meestal gekoppeld aan bepaalde beleidsterreinen of aan een specifiek geografisch gebied in de stad. Deze doelen zijn terug te vinden in beleidsnota's en gebiedsagenda's en worden ook allemaal genoemd in de jaarverslagen van de gemeente. In een gebiedsagenda wordt bijvoorbeeld genoemd dat eenzaamheid een probleem is in een bepaalde buurt. In het kader van gebiedsgericht werken is het dan de taak van de gebiedsteams om initiatieven en organisaties te stimuleren hiermee aan de slag te gaan. De rekenkamer heeft echter kunnen constateren dat er over de hele stad zo veel doelen zijn dat eigenlijk elk goedbedoeld initiatief wel op één of andere manier binnen de doelen van de gemeente te passen valt, en mocht het toch niet passen, dan is het initiatief vaak wel toe te schrijven aan 'lacunes in de voorzieningen'. Er zijn daar natuurlijk wel uitzonderingen op: initiatieven die hoofdzakelijk religieus of politiek van aard zijn dienen niet gefinancierd te worden onder de regelingen.

  • Indicatoren: voor dit meetniveau heeft de rekenkamer géén indicatoren ontwikkeld gezien de grote speelruimte die initiatieven hebben met betrekking tot gemeentelijke doelen. 
Op microniveau

De doelstellingen van de specifieke activiteit
Tot slot bestaan er naast de doelstellingen van de gemeente en de stadsdelen natuurlijk de doelen van de initiatieven. Initiatieven kunnen zich in de praktijk op allerlei verschillende beleidsterreinen begeven. Grosso modo heeft de rekenkamer initiatieven waargenomen op de volgende gebieden en/of beleidsterreinen:

  • Het bestrijden van eenzaamheid;
  • Het verbeteren van taalbeheersing;
  • Preventie en verzachting van armoede;
  • Het verbeteren van sociale cohesie (een buurtfeest zou hier onder vallen, red.);
  • Het verhogen van maatschappelijke participatie;
  • Mantelzorg;
  • Leefbaarheid en veiligheid;
  • Kunst en cultuur;
  • Een brug slaan tussen jong en oud;
  • Het bevorderen van gezondheid;
  • Het bevorderen van zelfredzaamheid;
  • Zelfbeheer van groenvoorzieningen, speeltuinen en buurthuizen.

Om na te kunnen gaan of de bovenstaande doelen zijn gerealiseerd, hebben wij de volgende indicatoren gebruikt.

  • De mate waarin wordt beoordeeld in hoeverre initiatieven van meerwaarde zijn;
  • De mate waarin deelnemers aan initiatieven tevreden zijn;
  • De mate waarin initiatiefnemers zelf vinden dat hun doelstellingen zijn bereikt.

In de komende paragrafen zullen we de bovengenoemde indicatoren verder bespreken.

Beoordeling doeltreffendheid

Op macroniveau

Zoals eerder is toegelicht hebben we op macroniveau drie indicatoren ontwikkeld. Eén voor het uitdagen van bewoners om initiatief te ondernemen en twee voor het doel van de dragende samenleving. Hieronder treft u onze onderzoeksbevindingen aan.

Het aantal gefinancierde initiatieven in 2017
Doel van de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief – bestuurlijke ambitie van april 2016 was om initiatiefnemers uit te dagen om initiatief te ondernemen en dit te faciliteren. Om een beeld te krijgen van of dit doel is gerealiseerd hebben we gekeken naar het aantal gefinancierde initiatieven in 2017. Om tot een grove schatting te komen, tellen we het totaal aantal verleende subsidies voor bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven voor stadsdeel Nieuw-West, West en stadsdeel Noord op bij het aantal daar verleende budgetten (tabel 3.1). In 2017 zijn er op basis van de subsidieregelingen 505 subsidies verleend.  Daarbij tellen we op: circa 652 verleende activiteitenbudgetten voor stadsdeel Nieuw-West, 173 initiatieven via verleende activiteitenbudgetten in West, en 185 verleende activiteitenbudgetten voor stadsdeel Noord.

Tabel 3.1 Financieel ondersteunde initiatieven in 2017
 Aantal
Via de subsidieregelingen Maatschappelijk Initiatief en Bewonersinitiatieven (Oost, West, Zuid, Zuidoost)505
Nieuw-West (budgetten via regiegroepen)731
West
(budgetten via inspiratieteams via ABC)
173
Noord (budgetten verleend via welzijnsinstellingen)185
TOTAAL1594

Hierbij merken we op dat het stadsdeel Centrum in 2017 nog geen subsidieregelingen maatschappelijke en/of bewonersinitiatieven had. De maatschappelijke en bewonersinitiatieven die zij hebben ondersteund zijn dus niet in de tabel opgenomen. Hetzelfde geldt ook voor de maatschappelijke initiatieven van stadsdeel Zuid. Ook hier was in 2017 hiervoor nog geen specifieke subsidieregeling.

De stadsdelen die geen specifieke subsidieregelingen hadden, kunnen evenwel initiatiefnemers hebben ondersteund via ander subsidieregelingen of via buurtbudgetten. Zoiets komt ook voor bij stadsdelen die wel subsidieregelingen hebben. Ook al is het overzicht niet volledig, toch kan geconcludeerd worden dat de stadsdelen op grote schaal maatschappelijke en bewonersinitiatieven ondersteunen.

De mate van sociale cohesie, cijfers inzet vrijwilligers, sociaal isolement en hulp over de jaren heen
Voor het meten van het doel van een dragende samenleving hebben we als eerste gekeken naar welke data beschikbaar is. Uit de data van OIS blijkt dat in 2017 zo'n 24% van de Amsterdammers zich alleen of samen met anderen hebben ingezet voor of tegen een onderwerp dat met het wonen in de buurt of stad te maken heeft. In 2012 en 2014 bedroeg dit aandeel 22% (2012) en 24% (2014).  In de stadsdelen Noord en Zuidoost is de inzet voor de buurt het meest gestegen: in Noord van 21% in 2012 naar 26% in 2016, in Zuidoost van 19% in 2012 naar 29% in 2016. 

Er heeft zich dus over de afgelopen jaren een kleine stijging voorgedaan. Het valt niet met zekerheid te zeggen of dit door het beleid rondom initiatief komt. Er zijn immers meer verklaringen mogelijk. De bevinding van OIS dat Amsterdammers die regelmatig contact hebben met hun buren zich vaker inzetten voor hun leefomgeving (29%) dan degenen die dergelijke contacten niet hebben (17%) , geeft echter wel ondersteuning aan de stelling dat er enige samenhang is tussen het ondernemen van initiatief en sociale cohesie in wijken. Deze resultaten hangen samen met aanbevelingen gedaan door Tolsma en Van der Meer (2018) , die op basis van hun onderzoek naar sociale cohesie in relatie Sociale cohesie in gemengde buurten tot gemengde buurten tot de aanbeveling kwam om contact tussen buren verder te faciliteren. Initiatieven gericht op verbinding en sociale cohesie kunnen hierbij van belang zijn.

Sociale cohesie in gemengde buurten

Met sociale cohesie wordt in de literatuur veelal de mate van samenhang tussen mensen in een samenleving bedoeld. De WRR heeft onlangs geschreven dat in Nederland een hoge etnische diversiteit in de buurt niet samenhangt met het algemeen vertrouwen in elkaar of het doen van vrijwilligerswerk.  Wél bevond de WRR dat een hoge etnische diversiteit in de buurt negatief samenhangt met de mate van sociale cohesie. Is het dus ook zo dat diversiteit in de buurt een directe oorzaak vormt van lage sociale cohesie? Verschillende onderzoekers hebben geprobeerd op deze vraag antwoord te geven.

De invloedrijke Amerikaanse socioloog Robert Putnam  beweerde een korte tijd geleden nog van wel. Diversiteit in de buurt zou niet alleen schadelijk zijn voor de sociale cohesie tussen etnische groepen, maar ook binnen etnische groepen. Het was een bevinding met enorme beleidsimplicaties die in de media veelal klakkeloos werd overgenomen. Anno 2018 blijken deze bevindingen grotendeels achterhaald  te zijn. Er bleef uiteindelijk maar één bevinding overeind: hoge etnische diversiteit in buurten hangt negatief samen met buurtcohesie. Dus géén causatie, maar correlatie. Hoe valt deze correlatie te verklaren? Tolsma en Van der Meer geven grotendeels antwoord op deze vraag. Zowel vertrouwen als contact tussen buren komt het meest voor wanneer buren dezelfde etnische herkomst delen. De oplossing? Faciliteer en stimuleer contact tussen buren middels speelveldjes en buurthuizen, en werk aan de veiligheid in de buurt.

De mate van inclusiviteit van het beleid rondom initiatief
Binnen het huidige beleid van de gemeente geldt het als vanzelfsprekend dat het moet gaan om initiatieven voor en door iedereen. Om de mate van inclusiviteit te beoordelen hebben we gebruikgemaakt van onderzoek van anderen en ons eigen veldwerk.

Het kenniscentrum Movisie stelt eind 2017 dat de participatiesamenleving anno 2017 hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een relatief kleine groep; "een elite van hoger opgeleide, autochtone burgers die de weg kent en het goed weet te regelen voor zichzelf".  Hoewel de data beperkt lijkt te zijn, zit er mogelijk een kern van waarheid in het verhaal van Movisie. Uit data van OIS blijkt bijvoorbeeld dat hoger opgeleiden zich relatief vaker inzetten voor buurt en stad (31%) dan lager opgeleiden (16%).  Daarnaast blijkt uit data van OIS óók dat Amsterdammers met een niet-westerse migratieachtergrond op een schaal van 3 (weinig vertrouwen) tot 9 (veel vertrouwen) gemiddeld lager scoren op politiek zelfvertrouwen (het oordeel over de eigen invloed op de lokale politiek) (5,3) dan Amsterdammers met een Nederlandse achtergrond (6,3) of westerse migratieachtergrond (6,4).  Politiek zelfvertrouwen hangt sterk óók sterk samen met opleidingsniveau en politieke participatie. Verder speelt leeftijd ook een belangrijke rol: jongeren tot en met 24 jaar zetten zich bijna half zo vaak in voor buurt en stad dan mensen tussen de 35 en 54 jaar.  Op basis van bovenstaande gegevens hebben we een  Papierwerk en administratie als belemmering voor kwetsbare groepen gegronde reden om aan te kunnen nemen dat initiatiefnemers relatief vaker hoger opgeleide mensen met Nederlandse of westerse (migratie)achtergrond tussen de 35 en 54 jaar zullen zijn.

Papierwerk en administratie als belemmering voor kwetsbare groepen

Een belemmering voor inclusiviteit in het ondernemen van initiatieven kan het bijbehorende papierwerk zijn. Uit onderzoek van de GGD blijkt bijvoorbeeld dat 12% van de volwassen Amsterdammers niet in staat is om zelf formulieren voor officiële instanties in te vullen. Deze problematiek speelt statistisch vaker bij de kwetsbare groepen: inwoners met een lager opleidingsniveau, met een laag inkomen of helemaal geen betaald werk, of met een niet-westerse migratieachtergrond. De administratie van een initiatief en het bijbehorend papierwerk voor het aanvragen van financiering kan dus van invloed zijn op de inclusiviteit van het beleid. Naar ons oordeel zijn alle stadsdelen en ondersteuners zich hier voldoende van bewust. In principe wordt een bewoner die moeite heeft met het invullen van formulieren altijd geholpen; soms worden de formulieren op basis van een gesprek ingevuld door de ondersteunende medewerker. Wanneer het ondernemen van het initiatief als geheel toch een te grote hobbel blijkt te zijn, dan wordt er wel eens geadviseerd om aan te sluiten bij een bestaand initiatief, of het initiatief op een kleinere schaal te ondernemen.

Bij ons veldwerk hebben we ervaren dat de praktijk toch iets genuanceerder ligt. Tijdens interviews met verschillende medewerkers van de stadsdelen en met medewerkers van verschillende welzijnsorganisaties die initiatiefnemers ondersteunen, is de diversiteit onder initiatiefnemers nadrukkelijk aan de orde gesteld. Onze gesprekspartners gaven aan dat er initiatiefnemers in alle soorten en maten bij hen langs komen met ideeën voor initiatieven. De stelling dat het vooral zou gaan om hoogopgeleide westerse mensen, werd door niemand volledig onderschreven. Wel werd ons vaak verteld dat er sterke verschillen zijn tussen buurten: in de ene buurt wonen immers andere mensen dan in een andere buurt. En in de praktijk ziet men ook vaak dezelfde initiatiefnemers regelmatig terugkomen met weer een nieuw initiatief. Waren dit dan onze usual suspects? Soms wel, vertelde een bewonersondersteuner in Nieuw-West. Het zijn vaak de mensen die de tijd hebben en zelf minder kwetsbaar zijn.

Dat betekent niet dat initiatieven niet voor kwetsbare groepen bedoeld Diversiteit en homogene doelgroepen zijn. In stadsdeel West geeft 60% van de initiatiefnemers aan dat (een of meer) kwetsbare groepen gebruikmaken van hun activiteiten.  Er is geen data bekend van de andere stadsdelen.

Diversiteit en homogene doelgroepen

Volgens een bewonersondersteuner leidt het open stellen van een initiatief voor alle buurtbewoners in de praktijk niet altijd tot meer diversiteit van de groep: het kan voor mensen die voor het eerst langskomen bij een initiatief moeilijk zijn om een plek te vinden in de groep. Dit komt vooral voor bij initiatieven met sterk homogene doelgroepen. Toch vindt deze bewonersondersteuner niet dat je moet afdwingen dat een initiatief zich volledig op iedereen moet richten.  Dat is vaak ook niet wat bewoners zelf willen, het uitgaan van de vraag vanuit de buurt is de sleutel tot succes. Indien de ondersteuners een signaal van een bewoner ontvangen dat hij zich niet helemaal welkom voelt binnen een groep zullen zij hier altijd bij proberen te bemiddelen.

Al met al concluderen we dat er veel verschillende soorten initiatiefnemers zijn, maar dat de hoger opgeleide 35 tot en met 54-jarigen met een Nederlandse of westerse (migratie)achtergrond wel de Amsterdammers zijn die het meest frequent initiatieven ontplooien. De diversiteit aan doelgroepen van de initiatieven is groot. Het feit dat de hoogopgeleide autochtone burgers bij de initiatiefnemers wat oververtegenwoordigd zijn, wil dus niet zeggen dat dat ook geldt voor de doelgroepen van de initiatieven. Veel initiatieven zijn gericht op kwetsbare groepen.

Op microniveau

Voor de beoordeling van de doeltreffendheid of doelbereik op microniveau hebben we drie indicatoren ontwikkeld. Te weten (1) de mate waarin wordt beoordeeld of initiatieven van meerwaarde zijn (2) de mate waarin de deelnemers tevreden zijn en (3) de mate waarin de initiatiefnemers zelf vinden dat hun doelstellingen zijn bereikt.

(1) de mate waarin wordt beoordeeld of initiatieven van meerwaarde zijn
De initiatiefnemers moeten bij hun subsidieaanvraag gegevens verstrekken over de doelen en de voorgenomen activiteiten van het initiatief. Op basis daarvan zal het stadsdeel moeten beoordelen of het initiatief een hoge maatschappelijke waarde heeft. De gegevens die de initiatiefnemer voor de subsidieverstrekking moet aanleveren staan vermeld in de specifieke subsidieregelingen voor maatschappelijk en bewonersinitiatieven en in de ASA. Via dossiercontroles bij het Subsidiebureau hebben we getoetst of de initiatiefnemers de gegevens hebben aangeleverd die voor deze beoordeling nodig zijn. Verder hebben we gekeken wat het stadsdeel daarmee heeft gedaan.

Elke initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een subsidie een activiteitenplan inleveren. Dit activiteitenplan bestaat uit minimaal zeven aspecten. De twee belangrijkste aspecten met betrekking tot het beoordelen van de maatschappelijke meerwaarde zijn 1: 'de beoogde resultaten' en 2: 'wie bereikt gaan worden en om hoeveel mensen het gaat'.

De beoogde resultaten die bereikt dienden te worden met het initiatief was in het gros van de dossiers voldoende aanwezig: 78 maal was het duidelijk welke resultaten bereikt moesten worden en in 13 gevallen niet (tabel 3.2). Van deze dertien zijn er uiteindelijk twee aanvragen afgewezen. Het is mogelijk dat de bedoelde resultaten mondeling zijn besproken en niet in het dossier terecht zijn gekomen.

Wie bereikt gaan worden en om hoe veel mensen het gaat was in 35 gevallen was niet duidelijk (hiervan zijn 10 aanvragen afgewezen), in 56 gevallen wel. Soms werd er helemaal geen aandacht aan het aspect besteed (vaak omdat de doelgroep impliciet heel algemeen was), soms was alleen de doelgroep duidelijk, maar was het aantal personen niet gespecificeerd. Het is mogelijk dat dit aspect mondeling is besproken en daarom niet in het dossier terecht is gekomen.

Vanwege gebrekkigheden in de activiteitenplannen kan het moeilijk zijn om een initiatief doeltreffend te beoordelen. Het is ook mogelijk dat de aspecten mondeling besproken zijn, maar uiteindelijk niet aan het activiteitenplan in het subsidiedossier zijn toegevoegd. Het aantal afgewezen aanvragen waarbij de door ons onderzochte aspecten niet of niet duidelijk in het activiteitenplan zijn weergegeven, is laag. Het is dus mogelijk dat de aanvragen niet goed worden beoordeeld. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat de beoordelaar er voor gekozen heeft om het initiatief door te laten gaan vanwege de verwachte maatschappelijke waarde, ondanks onvolledigheid van het activiteitenplan.

Of een activiteit ook leidt tot het realiseren van de beoogde doelen hangt voor een groot deel af van de uitvoerbaarheid van het plan en of de initiatiefnemer of initiatiefnemers over voldoende daadkracht, kennis en kunde beschikken. Vooralsnog komt deze persoonlijke beoordeling van de initiatiefnemer in de dossiers niet naar voren.

Tabel 3.2 - Beoordeling meerwaarde initiatief
De beoogde resultatenWie bereikt gaat worden en om hoe veel mensen het gaat
78 maal aanwezig56 maal aanwezig
13 maal niet aanwezig (waarvan 2 afwijzingen)35 maal niet aanwezig (waarvan 10 afwijzingen)
9 maal niet van toepassing (aanvraag ingetrokken door aanvrager)9 maal niet van toepassing (aanvraag ingetrokken door aanvrager)


(2) De mate waarin de deelnemers aan de initiatieven tevreden zijn over een initiatief
Een belangrijke indicatie dat met een initiatief de doelen zijn gerealiseerd is als de deelnemers tevreden zijn over het initiatief. De deelnemers aan een initiatief zijn veelal de bewoners in de buurt. Op basis van uitgevoerde evaluaties, die we vanuit de verschillende stadsdelen ontvangen hebben (zie ook paragraaf 2.3), hebben we geprobeerd een beeld te krijgen van hoe deelnemers de initiatieven hebben ervaren.

De stadsdelen hebben een beperkt aantal evaluaties uitgevoerd. In deze evaluaties zijn echter de ervaringen en tevredenheid van deelnemers niet meegenomen. Ook in ontvangen jaarrapportages van ondersteunende organisaties of maatschappelijke initiatieven hebben we weinig gegevens aangetroffen over de directe tevredenheid van deelnemers. Wel bevatten deze rapportages soms deelnemerservaringen vanuit het gezichtspunt van initiatiefnemers, dus hoe zij denken dat deelnemers activiteiten ervaren hebben. Bijvoorbeeld: bewonersorganisatie Eigenwijks vermeldt “Tijdens Burendag hebben we uitgebreid stilgestaan bij de verschillende mogelijkheden [tot bewonersondersteuning] die het Huis van de Wijk te bieden heeft. Dit werd goed ontvangen”.  Combiwel in stadsdeel West rapporteert: 60% [van de initiatiefnemers] geeft aan dat kwetsbare groepen gebruikmaken van hun activiteiten en 72% geeft aan dat de deelnemers nieuwe mensen hebben leren kennen.  Op basis van deze beperkte informatie kunnen we echter geen uitspraken doen over de mate waarin deelnemers tevreden zijn over georganiseerde initiatieven.

(3) De mate waarin initiatiefnemers hun bereikte doelstellingen in beeld brengen
Initiatiefnemers kunnen met hun initiatief meerdere maatschappelijke doelen nastreven. Deze hoeven niet allemaal aan te sluiten op de beleidsdoelstellingen van de gemeente of het stadsdeel.  Wel kunnen die doelen maatschappelijke betekenis hebben. Dit sluit aan bij het thema van horizontale verantwoording, waarbij een initiatief aan de maatschappij laat zien wat zij doet. Voor initiatiefnemers zijn verschillende methoden ontwikkeld om de maatschappelijke waarde Het communiceren van de waarden van een initiatief, de MAEX-methode van hun initiatief inzichtelijk te laten maken. Een van de methode is de MAEX-methode.  Deze is nader toegelicht in onderstaand informatiekader.

Het communiceren van de waarden van een initiatief, de MAEX-methode

Het is belangrijk voor initiatiefnemers om duidelijk naar derde partijen te kunnen communiceren wat voor waarde hun initiatief nou eigenlijk heeft. Om deze maatschappelijke waarde in zicht te brengen heeft de MAEX een 'Waardeweb' ontwikkeld. In dit web staan acht categorieën waar initiatieven aan kunnen bijdragen aan het welzijn van hun doelgroep en omgeving: slim gebruik / duurzaamheid, zelfredzaamheid, vrijetijdsbesteding, ontwikkeling, sociale cohesie, samenwerken aan een betere omgeving / participatie, sociale veiligheid en levensonderhoud. De initiatiefnemers kunnen met deze tool zelf aangeven hoe zij (de verhouding tussen) de maatschappelijke bijdrage van hun initiatief zien.  Voor meer informatie over MAEX Amsterdam, zie paragraaf 2.4.2.

Het bovenstaande is wellicht interessant als verantwoordingsinstrument naar de gemeente, omdat het behalve aanknopingspunten richting de gemeente ook horizontale verantwoording betreft. Dergelijke zelfanalyses van initiatiefnemers bieden handvatten om inzicht te krijgen in de doelen en de mate van doelbereiking. Vooral voor grotere initiatieven zou het goed zijn als initiatiefnemers volgens een vaste methode de maatschappelijke meerwaarde van het initiatief inzichtelijk zouden maken. Bij ons dossieronderzoek zijn we dergelijke analyses nauwelijks tegengekomen. Ook gebiedsmakelaars geven aan dat er nog te weinig wordt gedaan om naar voren te brengen wat initiatieven opleveren. Ook geven zij aan dat het niet altijd makkelijk of mogelijk is om de Maatschappelijke impact maatschappelijke impact van een initiatief op de buurt goed in te schatten, omdat dit lastig te kwantificeren valt (zie het informatiekader).

Maatschappelijke impact

Een gebiedsmakelaar uit stadsdeel Oost vertelde ons over een initiatief dat bestond uit het organiseren van een schaaktoernooi en een voetbaltoernooi op een plein. Qua impact kunnen deze initiatieven, naast ontmoeting tussen bewoners en kennismaking met sport en spel, leiden tot meer sociaal toezicht, hetgeen weer kan leiden tot minder inzet gericht op veiligheid. Maar of dit laatste daadwerkelijk het geval is, is nauwelijks te achterhalen. Ook het educatieve aspect van de activiteiten is lastig meetbaar. De maatschappelijke impact van initiatieven wordt concreter inzichtelijk wanneer er bijvoorbeeld dwarsverbanden ontstaan tussen initiatieven. Zo werd in stadsdeel Oost een buurtbarbecue georganiseerd waaraan ook statushouders deelnamen, waaruit vervolgens een initiatief ontstond voor het geven van taalles door buurtbewoners aan diezelfde statushouders. [i]
.[i]


[i] Rekenkamer Amsterdam, verslag van groepsgesprek met gebiedsmakelaars, 17 juli 2018.

In de subsidiebeschikkingen die zijn afgegeven aan ondersteunende organisaties en initiatieven vragen de stadsdelen om (naast een financieel verslag ) een inhoudelijk verantwoordingsverslag aan te leveren waarin aangegeven dient te worden welke activiteiten zijn uitgevoerd, welke resultaten hiermee geboekt zijn en welke doelen zijn bereikt. In de opgestelde verantwoordingsverslagen (zie ook paragraaf 2.3) ligt veel nadruk op financiële resultaten en het aantal activiteiten dat is georganiseerd voor het ontvangen subsidiebedrag. Soms wordt er aandacht besteed aan de maatschappelijke resultaten van deze activiteiten. Dit gaat dan meestal in verhalende vorm omdat de resultaten vaak moeilijk kwantificeerbaar zijn. Het meest concreet is de rapportage van maatschappelijk initiatief Operatie Periscoop, waarin per georganiseerde activiteit inzichtelijk is gemaakt hoeveel deelnemers direct en indirect bereikt zijn, wat het belangrijkste succes van de activiteit was en welke leerpunten en kansen het maatschappelijk initiatief ziet (zie informatiekader Rapportage Operatie Periscoop).  De stadsdelen lijken genoegen te nemen met de wijze van verantwoording van de ondersteunende organisaties en Rapportage Operatie Periscoop initiatieven en hebben geen verdere actie ondernomen om de resultaten en het meer inzichtelijk te krijgen.

Rapportage Operatie Periscoop

Om enig inzicht te krijgen in de mate van doelbereik hebben we via onze enquête aan de initiatiefnemers gevraagd in hoeverre met het uitvoeren van hun initiatief de oorspronkelijke doelstellingen zijn bereikt. Van de 155 respondenten is 81% van mening dat de oorspronkelijke doelstellingen van het initiatief bereikt zijn. 17% geeft aan dat deze deels zijn bereikt, 1% dat deze niet zijn bereikt en 1% weet dit niet (meer).

Beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief en de initiatiefnemer

Om de doeltreffendheid van de initiatieven te kunnen beoordelen hebben wij in de vorige paragraaf gekeken of de initiatiefnemers voldoende gegevens over doel en doelgroepen hebben verstrekt. Dit zijn gegevens die volgens de subsidieregelingen door de initiatiefnemers moeten worden aangeleverd bij de subsidieaanvraag. Op basis daarvoor kan het stadsdeel een afweging maken of het initiatief voldoende bijdraagt aan het beleid van de gemeente. In de literatuur zijn we een toetsingsmodel van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) tegengekomen waarbij ook wordt gekeken of het initiatief uitvoerbaar is én of de initiatiefnemer voldoende capaciteiten heeft, om het initiatief uit te voeren. Hierbij spelen De ACTIE-tool aspecten een rol als: in welke omgeving opereert hij/zij, is hij/zij in staat om het initiatief te realiseren en aan welke ondersteuning heeft hij/zij behoefte.

De ACTIE-tool

Het kenniscentrum van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2012 een handreiking ontwikkeld met de bedoeling ondersteuners in staat te stellen om systematisch te bepalen hoe initiatieven in de praktijk te ondersteunen.  De rekenkamer ziet deze handreiking als een nuttige aanvulling op de kaders die de ondersteuners momenteel hanteren. In de handreiking is het zogenoemde ACTIE-model opgenomen. ACTIE staat voor:

Animo: 'kan ik aansluiten bij de motieven van de initiatiefnemers of moet ik bijsturen?';

Contacten: 'kan ik gebruikmaken van interne samenhang of kan ik banden met andere bewoners en organisaties versterken?';

Toerusting: 'mag ik uitgaan van eigen kracht van de initiatiefnemers of moet ik extra ondersteuning aanreiken?';

Inbedding: 'moet ik uitgaan van het denken van burgers of het denken van professionele organisaties?' ['met wie heb ik te maken', red.]

Empathie: 'toon ik als professional betrokkenheid en/of dienstbaarheid?'

Uit verschillende interviews kwam naar voren dat de daadkracht, de kennis en kunde van de initiatiefnemer ook een belangrijke factor is die bepaald of de doelen worden bereikt. In het huidige toetsingskader komen deze facetten nauwelijks aan bod. De manier waarop binnen de gemeente subsidieaanvragen worden beoordeeld behandelen we in paragraaf 4.4.3.

Worden bestuurders meegenomen in het proces en hebben ze de mogelijkheden om te sturen?

In het kader van het gebiedsgericht werken onderscheidt Amsterdam 22 gebieden. Via het opstellen van gebiedsplannen wordt door de stadsdeelcommissies aangegeven welke doelen prioriteit hebben en welke maatregelen en activiteiten daarvoor uitgevoerd moeten worden. De beleidsdoelen kunnen voor een deel worden gerealiseerd door maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Het benutten van deze initiatieven voor de doelrealisatie vraagt een andere wijze van sturen. In februari en maart 2018 hebben we daarom onder de leden van de bestuurscommissies een enquête gehouden om te weten te komen hoe ze staan tegenover het instrument maatschappelijke initiatieven. Daarbij is gevraagd naar hun mening over het doel en belang, de subsidieverlening, de mogelijke risico's en de beleidsuitvoering.

De 29 respondenten waren in meerderheid positief over het toepassen van het instrument maatschappelijke initiatieven. 76% was het er mee eens dat maatschappelijke initiatieven de sociale cohesie in de gebieden vergroot. Bijna 80% vindt het een goede zaak dat de gemeente maatschappelijke initiatieven ondersteunt via subsidies. Om vertrouwen te houden dat maatschappelijke initiatieven voldoende opleveren en om zo nodig te kunnen bijsturen is het wel nodig dat de bestuursleden geregeld worden geïnformeerd over de resultaten. Over betreffende informatievoorziening waren de respondenten minder positief. Slechts 28% was van mening dat ze daarover de afgelopen jaren goed waren geïnformeerd, 24% waardeerde de informatievoorziening neutraal en 45% vond dat ze onvoldoende waren geïnformeerd over de resultaten van de maatschappelijke initiatieven.

Conclusies over doeltreffendheid

Bij het gebiedsgericht werken van de stadsdelen kunnen subsidies worden ingezet voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven. De vraag dit in dit hoofdstuk centraal stond, is of de stadsdelen dit instrument doeltreffend hebben ingezet. Het feit dat de gemeente zich hierbij meerdere doelen heeft gesteld, maakt de beantwoording complex. De initiatieven moeten zowel bijdragen aan een dragende samenleving als ook aan gemeentelijke en stadsdeeldoelen op een specifiek beleidsterrein. De bijdrage aan een dragende samenleving hebben we vanuit macroniveau benaderd. Het beoordelen of de initiatieven voldoen aan de beleidsdoelen van specifieke beleidsterreinen hebben we onderzocht op microniveau. Op basis van ons onderzoek komen we tot de volgende conclusies.

Binnen de stad wordt door de stadsdelen een groot aantal initiatieven ondersteund maar het is nog te vroeg om te concluderen dat er een positieve bijdrage is geleverd aan het doel van een dragende samenleving
Maatschappelijke en bewonersinitiatieven kunnen als zodanig een bijdrage leveren aan dragende samenleving. In 2017 hebben de stadsdelen een groot aantal initiatieven ondersteund. Aan de hand van een literatuurstudie en statistische gegevens hebben we geprobeerd om te kijken of dit heeft geleid tot een vergroting van een dragende samenleving. Hierbij hebben we gekeken naar cijfers over de ontwikkeling van de sociale cohesie, inzet vrijwilligers en sociaal isolement.

De indicator van OIS 'Of Amsterdammers zich hebben ingezet voor een ander' is de afgelopen jaren licht verbeterd. Het cijfer is van 22% (2012-2014) naar 24% in 2017 gegaan. Het is evenwel te vroeg om te concluderen dat er een structurele verbetering heeft plaatsgevonden. Toekomstige cijfers zullen dit moeten aantonen.

Subsidieregelingen staan open voor iedereen
Eerder onderzoek suggereerde dat initiatieven voornamelijk ondernomen en genoten worden door een groep hoogopgeleide autochtone burgers die 'het voor zichzelf weet te regelen'. Deze bevinding zien wij in Amsterdam niet bevestigd. Initiatieven worden vaak ondernomen door 34 tot en met 55-jarigen met een Nederlandse of westerse
(migratie-)achtergrond. Ook blijkt dat initiatiefnemers met een hogere opleiding wat eerder geneigd zijn om zich in te zetten voor hun buurt of directe omgeving. Toch zien we initiatiefnemers in alle soorten en maten voorbij komen. Daarnaast zijn initiatieven in Amsterdam gericht op allerlei verschillende groepen, van exclusiviteit is daar geenszins sprake. Gebiedsmakelaars en ondersteuners bevestigen dit. Al met al kan iedereen dus deelnemen, maar als initiatiefnemer is het wel nuttig om over tijd en zekere vaardigheden te beschikken.

Beoordelen van de (beoogde) doeltreffendheid is vaak niet goed mogelijk
Initiatiefnemers moeten in hun subsidieaanvraag een activiteitenplan meezenden waarin ze aangeven wie met het initiatief bereikt gaat worden en wat de beoogde resultaten zullen zijn. Dit is in de door ons beoordeelde subsidieaanvragen niet altijd helder beschreven. Hierdoor is het zowel vooraf als achteraf niet eenvoudig om te beoordelen of het initiatief voldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de gemeente. Het kan ook zijn dat bepaalde missende aspecten in de ingediende aanvraag alsnog mondeling besproken zijn, en dat op basis daarvan een beoordeling is gemaakt. Hoe vaak en of dit in de praktijk gebeurt, is onduidelijk gebleven.

Toets op uitvoerbaarheid blijkt niet uit de dossiers
Of een activiteitenplan ook leidt tot het realiseren van de gewenste doelen, hangt voor een groot deel af van de uitvoerbaarheid van het plan en of de initiatiefnemer of initiatiefnemers beschikken over voldoende daadkracht, kennis en kunde. Of en in hoeverre deze aspecten worden meegenomen in de afweging om subsidie te verstrekken of extra ondersteuning te verlenen, zien we niet terug in de dossiers.

Horizontale verantwoording door initiatieven vindt slechts op beperkte schaal plaats
Om inzicht te krijgen in de maatschappelijke bijdrage van initiatieven wil het college dat de initiatiefnemers zich niet alleen richting het college verantwoorden over de resultaten, maar ook richting de maatschappij en de deelnemers. Zo'n maatschappelijke verantwoording vindt slechts mondjesmaat plaats.

Informatievoorziening aan de stadsdeelbestuurders over de resultaten onvoldoende
Nog voor de verkiezingen van 2018 hebben we een enquête gehouden onder alle stadsdeelbestuurders (dagelijks besturen en algemeen besturen). Over het algemeen waren de respondenten positief over het gevoerde beleid om maatschappelijke en bewonersinitiatieven te subsidiëren. Echter vond 45% dat er te weinig is teruggekoppeld over de resultaten.

Doelmatigheid maatschappelijke en bewonersinitiatieven

Inleiding

In dit hoofdstuk beantwoorden we de volgende onderzoeksvraag:

In hoeverre worden de beschikbare middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven doelmatig besteed?

Het doelmatigheidsvraagstuk wordt in dit hoofdstuk vanuit drie invalshoeken aan de orde gesteld. Als eerste gaan we in paragraaf 4.2 na of de gemeente maximaal de initiatieven benut die in de maatschappij ontstaan. Bij deze maatschappelijke doelmatigheid gaat het om de vraag in hoeverre de aanwezige maatschappelijke energie (van initiatiefnemers) door het gevoerde gemeentelijke beleid op een efficiënte wijze wordt benut. Voorkomt de gemeente dat initiatiefnemers onnodig energie kwijt zijn aan bureaucratie en vermijdt de gemeente het blijven ondersteunen van initiatieven die te weinig maatschappelijke waarde creëren.

De tweede invalshoek, de ambtelijke doelmatigheid, wordt behandeld in paragraaf 4.3. De vraag is of de gemeentelijke organisatie zo is georganiseerd dat de uitvoeringskosten van de subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven in redelijke verhouding staan tot de verstrekte subsidies. Voor zover mogelijk worden de kosten vergeleken met die van de ondersteunende welzijnsinstellingen.

De laatste invalshoek is het initiatief zelf. In paragraaf 4.4 hebben we onderzocht hoe de gemeente en de welzijnsinstelling de redelijkheid van de kosten op het niveau van een individueel initiatief beoordelen.

Verder bevat paragraaf 4.5 de mogelijkheden en de consequenties om ook andere financieringsmiddelen te benutten voor de dekking van initiatieven. Kan de gemeente met dezelfde middelen wellicht meer initiatieven ondersteunen en wat zijn daarvan dan de consequenties voor de initiatiefnemers? Het hoofdstuk wordt in paragraaf 4.6 afgesloten met eindconclusies.

Maatschappelijke doelmatigheid

Inleiding

Maatschappelijke en bewonersinitiatieven beogen om (samenwerkingsverbanden van) bewoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties te laten bijdragen aan de leefbaarheid van wijken en buurten in Amsterdam. Zonder initiatiefnemers kunnen er geen maatschappelijke en bewonersinitiatieven plaatsvinden. De stadsdelen zijn verantwoordelijk voor het informeren en faciliteren van initiatiefnemers. De notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief geeft aan de stadsdelen een overzicht van instrumenten die zij kunnen inzetten om het faciliteren van initiatiefnemers handen en voeten te geven. In dit overzicht wordt gesteld: "Bewoners, bewonersnetwerken, coöperaties en wijkondernemingen met ideeën, wensen en plannen moeten in ieder geval kunnen rekenen op informatie. Informatie is voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk. Dit is nodig omdat bewoners zo kunnen bepalen of zij maatschappelijk initiatief willen nemen en in hoeverre zij daarover in gesprek willen gaan met de gemeente/stadsdeel." De inzet van gebiedsteams, met gebiedsmakelaars, -coördinatoren en -managers, wordt genoemd als een manier om informatie over ondersteuning en financieringsmogelijkheden te verspreiden.

Aangezien de meeste stadsdelen een subsidieregeling voor bewonersinitiatieven en/of maatschappelijke initiatief hebben (en stadsdeel Nieuw-West de mogelijkheid biedt tot het aanvragen van een budget ), houdt 'informeren en faciliteren' in dat initiatiefnemers op de hoogte moeten zijn van de mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie/budget voor hun initiatief en desgewenst ondersteund worden bij de voorbereiding van het initiatief en de subsidieaanvraag. 

Zonder informatie die goed vindbaar en begrijpelijk is, is het lastig voor initiatiefnemers om aan een subsidieaanvraag voor een maatschappelijk of bewonersinitiatief te beginnen. Vervolgens is niet elke initiatiefnemer zelfstandig in staat om een subsidieaanvraag voor te bereiden en hier, na toekenning, goed vervolg aan te geven in de uitvoering en verantwoording van het initiatief. Daarnaast kan een initiatief veelomvattend zijn en raken aan verschillende onderdelen van het stadsdeel en/of de gemeente Amsterdam, waardoor het voor een initiatiefnemer ingewikkeld is om zonder hulp zijn of haar weg te vinden in de gemeentelijke organisatie. Zonder informatie en passende ondersteuning weten initiatiefnemers wellicht niet wat te doen, resulterend in gefrustreerde initiatiefnemers, geen of weinig (passende) initiatieven en minimale impact op de maatschappij.

In hoofdstuk 2 hebben we vanuit het perspectief van de stadsdelen besproken hoe per stadsdeel de informatievoorziening, werkwijzen en ondersteuning door maatschappelijke organisaties georganiseerd zijn. Deze informatie en ondersteuning moeten ertoe leiden dat het stadsdeel de energie van initiatiefnemers zo doelmatig mogelijk benut om maatschappelijke meerwaarde te creëren.

In deze paragraaf willen we vanuit het perspectief van initiatiefnemers zicht krijgen op hoe zij ondersteund worden door de stadsdelen en of de maatschappelijke uitvoeringskosten  in redelijke verhouding staan tot de omvang van het initiatief. We gaan na of de subsidiemogelijkheden voldoende onder de aandacht gebracht worden van de inwoners en mogelijke initiatiefnemers en of de initiatiefnemers in voldoende mate ondersteund worden bij de processen van subsidieverstrekking.

Om deze vragen te beantwoorden hebben we een enquête gehouden onder initiatiefnemers over hun ervaringen met de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven in 2017. Er is één enquête uitgezet onder initiatiefnemers in de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost, en een aparte enquête onder initiatiefnemers in stadsdeel Nieuw-West omdat dit stadsdeel een andere wijze van aanvragen van budgetten en daarmee samenhangende terminologie hanteert. Voor meer informatie over de enquêtes, zie bijlage 1. De vragen in de enquêtes zijn onder meer geïnspireerd op het onderzoek van de Nationale ombudsman naar burgerinitiatieven, zie Informatiekader Onderzoek Nationale ombudsman.  In de enquêtes hebben we vragen opgenomen over de informatievoorziening en over de ondersteuning die initiatiefnemers hebben ervaren rondom de gedane subsidieaanvraag. In totaal hebben 162 initiatiefnemers de enquête ingevuld, dit komt neer op een responspercentage van 22%. Van de 162 respondenten waren er 53 (33%) afkomstig uit stadsdeel Nieuw-West en 109 (67%) uit de overige stadsdelen.

In paragraaf 4.2.2 bespreken we de ervaringen van initiatiefnemers met informatievoorziening (hoe weet men van de regelingen, hoe zoekt men informatie, hoe heeft men de vindbaarheid en begrijpelijkheid van de informatie ervaren en welke informatie heeft men gemist). In paragraaf 4.2.3 gaan we in op de ervaringen van initiatiefnemers met de geboden ondersteuning. Hierbij komen achtereenvolgens aan de orde de ervaringen bij het opstellen, het insturen en afhandelen van Onderzoek Nationale ombudsman aanvragen, en het uitvoeren, evalueren en verantwoorden van initiatieven. We besluiten dit hoofdstuk met een conclusie (paragraaf 4.2.4).

Onderzoek Nationale ombudsman

In het rapport 'Waar een wil is…' bespreekt de Nationale Ombudsman drie uitgangspunten voor een behoorlijke invulling van de omvang met burgerinitiatieven vanuit de overheid:

Een constructieve houding. Dit houdt in: een oplossingsgerichte houding, hulp en ondersteuning op maat en een gepaste rolverdeling.

Heldere en kenbare keuzes. Dit houdt in: actieve informatie over de mogelijkheden, helderheid over de mogelijkheden en helderheid over de voorwaarden.

Optreden als één overheid. Dit houdt in: er is een duidelijk aanspreekpunt, burgerinitiatieven worden niet van het kastje naar de muur gestuurd en de overheid spreekt met één mond.

De ombudsman roept overheidsinstanties op om na te gaan hoe het er bij hen voor staat en te bekijken wat er in de organisatie nodig is om burgerinitiatieven serieus te nemen.

Verschafte informatie

Bestaan van de regelingen
Desgevraagd geven de meeste ondervraagden aan dat ze van het bestaan van de regelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatieven weten via het gebiedsteam/de gebiedsmakelaar (31%, n=51) de website van het Huis van de Wijk (15%, n=25) en de website van de gemeente (12%, n=19). 31% (n=50) van de respondenten gaf aan op een andere manier van het bestaan van de regeling te weten. Bij 15 respondenten (9% van het totaal) was de kennis opgedaan via hun eigen netwerk en ook 15 respondenten (9%) wisten ervan vanwege hun eerdere ervaring met de regelingen. De overige respondenten gaven als antwoorden: via ambtenaren (4%, n=7), via ondersteunende organisaties (4%, n=7), via het Huis van Wijk (4%, n=6). 

Zoeken van informatie
Op de vraag of de respondent informatie heeft opgezocht over het opstellen van de subsidieaanvraag geeft 61% (n=98) aan dit te hebben gedaan, 38% (n=62) geeft aan géén informatie te hebben opgezocht, en 1% (n=2) geeft aan dit aan niet (meer) te weten. Er zijn dus relatief veel initiatiefnemers die vooraf geen informatie hebben gezocht.

In de enquête voor de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost geven respondenten die informatie gezocht hebben aan dat zij met name hebben gezocht op de website van de gemeente Amsterdam (65%) en/of bij het gebiedsteam/de gebiedsmakelaar (31%) . In Nieuw-West hebben respondenten vooral informatie gezocht op de website van het Huis van de Wijk (50%) en/of bij de bewonersondersteuner/opbouwwerker van de ondersteunende welzijnsinstelling (46%).  De plaats waar initiatiefnemers informatie zoeken komt daarmee goed overeen met de beoogde werkwijze van de verschillende stadsdelen (zie hoofdstuk 2).

Vindbaarheid van informatie
We hebben de respondenten gevraagd naar hun ervaringen met het vinden van verschillende soorten informatie; over subsidievoorwaarden van het stadsdeel en de stad, op te stellen documenten, ondersteuningsfaciliteiten en waar initiatiefnemers met vragen en voor hulp terecht kunnen, zie Tabel 4.1. Het algemene beeld is steeds dat rond de 60% van de respondenten geen problemen heeft ondervonden om deze informatie te vinden. Dit betekent ook dat rond de 40% wel een klein of groot probleem heeft ervaren in het vinden van de gezochte informatie. Respondenten vonden het vooral lastig om informatie te vinden over ondersteuningsfaciliteiten en over waar hij of zij terecht kon voor vragen en hulp; 15%-19% van de respondenten heeft hierin een klein probleem ervaren en 17%-21% een groot probleem.

Tabel 4.1 - Vindbaarheid van informatie
Is het een probleem geweest om informatie te vinden over…Geen
probleem
Een klein
probleem
Een groot
probleem
subsidievoorwaarden van uw stadsdeel?67% (n=64)25% (n=24)8%
(n=8)
subsidievoorwaarden van ASA? 52% (n=30)38% (n=22)10%
(n=6)
op te stellen documenten?55% (n=53)33% (n=32)12% (n=12)
ondersteuningsfaciliteiten die het stadsdeel aanbood?63% (n=55)17% (n=15)21% (n=18)
waar u met uw vragen terecht kon?65% (n=62)19% (n=18)17% (n=16)
waar u hulp kon krijgen?68% (n=62)15% (n=14)17% (n=15)

Om een vergelijking tussen stadsdelen mogelijk te maken hebben we de antwoorden op alle bovenstaande vragen over de vindbaarheid van informatie gecombineerd in één score per respondent. Met behulp hiervan wordt in Figuur 4.1 een indicatie  gegeven van de vindbaarheid van informatie per stadsdeel. 

Figuur 4.1 - Vindbaarheid van informatie per stadsdeel 

Uit figuur 4.1 blijkt dat vooral de respondenten uit stadsdeel West kleine of grote problemen hebben ervaren met het vinden van informatie, gevolgd door Zuidoost, Oost en Noord. In Nieuw-West en Zuid lijken de respondenten de minste problemen te ervaren met het vinden van informatie voor hun subsidieaanvraag. Vanwege de kleine aantallen respondenten zijn de resultaten slechts indicatief.

Vanwege de verschillende werkwijzen is het leerzaam om Nieuw-West te vergelijken met de andere stadsdelen. In Nieuw-West wordt gewerkt met regiegroepen en activiteitenbudget en in de andere stadsdelen wordt er hoofdzakelijk met subsidies gewerkt. In figuur 4.2 zijn de resultaten met betrekking tot vindbaarheid van informatie weergegeven. De vergelijking valt positief uit voor Nieuw-West. In dat stadsdeel lijkt men minder problemen te ervaren.

Figuur 4.2 - Vindbaarheid van informatie: Nieuw-West versus de andere stadsdelen

Begrijpelijkheid van informatie
We hebben de respondenten gevraagd naar hun ervaringen met het begrijpen van verschillende soorten informatie; over subsidievoorwaarden van het stadsdeel en de stad, te verstrekken gegevens en de (on)mogelijkheden binnen de subsidieregelingen. Zie voor de resultaten tabel 4.2. Het algemene beeld is steeds dat rond de 65% van de respondenten geen problemen heeft ondervonden om informatie te begrijpen. Dit betekent ook dat rond de 35% een klein of groot probleem heeft ervaren in het begrijpen van de opgezochte informatie. Men vond het lastig om de informatie te begrijpen over de mogelijkheden binnen de subsidieregeling, 18% geeft aan daarbij een groot probleem te hebben ervaren. Een respondent merkt hierover op: “soms is het onduidelijk welke subsidieregeling het meest passend is, bijvoorbeeld door ambtelijk taalgebruik.” Ook de voorwaarden uit ASA waren lastig te begrijpen voor respondenten.

Tabel 4.2 - Begrijpelijkheid van informatie
Is het een probleem geweest om informatie te begrijpen over…Geen
probleem
Een klein probleemEen groot probleem
subsidievoorwaarden van uw stadsdeel?65% (n=61)26% (n=24)10% (n=9)
subsidievoorwaarden van ASA? 54% (n=34)33% (n=21)13% (n=8)
de gegevens die u moest verstrekken?70% (n=68)23% (n=22)7%
(n=7)
de (on)mogelijkheden binnen de subsidieregelingen?58% (n=56)24% (n=23)18% (n=17)


Meest bruikbare en missende informatie
We hebben respondenten via een open vraag gevraagd waar ze de meest buikbare informatie hebben gevonden. Een analyse van de antwoorden maakt duidelijk dat respondenten de meest bruikbare informatie vooral hebben gevonden bij een ondersteunende organisatie/Huis van de Wijk (31 keer), maar ook wel bij de gebiedsmakelaar (21 keer), de website van de gemeente/het stadsdeel (21 keer) en een ambtenaar (18 keer). 13 respondenten gaven aan de meest nuttige informatie gevonden te hebben in hun eigen zoektocht/eigen netwerk.

Respondenten hebben via een openvraag aangegeven informatie te hebben gemist over de subsidie-/ budgetvoorwaarden (n=10), over de regeling toegepast op de situatie van de initiatiefnemer (n=6), over het aanvraagformulier en indienen daarvan (n=5), over financiën en verantwoording, (n=5) en algemene informatie over de regelingen (n=1).

Met betrekking tot gemiste informatie over de subsidie- of budgetvoorwaarden geeft een respondent aan: “ik wist van tevoren niet wat wel en niet werd vergoed. Dus was het lastig om te weten wat ik wel en niet kon aanvragen en ook om goedkeuring te krijgen voor mijn initiatief.” Ten aanzien van gemiste informatie toegepast op de situatie van een initiatiefnemer merkt een respondent op: “Informatie van de gemeente ziet er duidelijk uit, maar is in de praktijk vaak op meerdere manieren op te vatten. Dat levert vragen op als: val ik nu daar onder [een bepaalde voorwaarde, red.], wat bedoelen ze nu precies, wat willen ze precies. Hulp daarbij is moeilijk te krijgen.” Ten aanzien van het aanvraagformulier en indienen geven respondenten aan het lastig te vinden dat ze het formulier niet in kunnen zien vóór dat je inlogt met DigID / E-herkenning via de website van de gemeente: “We willen vooraf een uitdraai kunnen maken van een leeg subsidieformulier. Het lijkt nu wel op een examen. [je komt de vragen pas te weten wanneer je het formulier open hebt staan, red.]” En: “Ik had wel een voorbeeld van een ingevulde aanvraag willen zien.” Met betrekking tot gemiste informatie over financiën en verantwoording geven respondenten aan dat het hen niet duidelijk was dat ze verantwoording moesten afleggen of welke informatie ze daartoe moesten indienen. Ook de betalingstermijn was niet altijd duidelijk. De rekenkamer raadt naar aanleiding van deze reacties aan om initiatiefnemers handreikingen te geven waarmee zij zich kunnen voorbereiden op een aanvraag. Een methode zou kunnen zijn om een voorbeeldaanvraag openbaar te stellen, of in ieder geval een leeg subsidieformulier of een toegankelijke checklist met alles wat in een aanvraag zou moeten zitten.

Geboden ondersteuning

In de notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief kiest het college “voor faciliteren als basis” wanneer een initiatief aan bepaalde voorwaarden voldoet (zie paragraaf 2.2.3). Vervolgens stelt de notitie dat er verschillende manieren zijn waarop de gemeente maatschappelijke initiatieven faciliteert, bijvoorbeeld door: steun/verbinden/inzet van netwerk, meedenken, kennis of hulp van professionals, fysieke ruimte, en de bereidheid om waar mogelijk belemmeringen en knelpunten aan te pakken. Instrumenten die hiertoe de stadsdelen ter beschikking staan zijn onder meer de inzet van gebiedsteams en -makelaars, beschikbaar stellen van vastgoed en het deelnemen aan sociale netwerken.  Daarnaast geven diverse afspraken in het Stedelijk Kader basisvoorzieningen in de stadsdelen de gewenste wijze van faciliteren weer, zo wordt het belang benadrukt van kennis bij professionals die in de wijken werkzaam zijn en de beschikbaarheid van fysieke ruimtes voor initiatieven (p.36-37). 

Zoeken van hulp bij het opstellen van de aanvraag
Van de 162 respondenten geeft 46% aan hulp te hebben gezocht bij het opstellen van de subsidieaanvraag, 53% heeft geen hulp gezocht en 1% weet dit niet meer. Van de respondenten die hulp gezocht hebben, geeft 80% aan dat het geen probleem is geweest deze ook te vinden, 13% geeft aan dat het vinden van hulp een klein probleem was, en 7% heeft het vinden van hulp als groot probleem ervaren.

In de enquête voor de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost geven respondenten aan dat zij met name hulp hebben gezocht bij het gebiedsteam/de gebiedsmakelaar (39%), het Huis van de Wijk (15%) en/of  het stadsloket (12%). Onder de antwoordoptie 'Anders, namelijk…' geven 9 respondenten aan hulp te hebben gezocht in hun eigen netwerk. In Nieuw-West hebben respondenten hulp gezocht bij het Huis van de Wijk (65%) en/of  bij de opbouwwerker/bewonersondersteuner van de welzijnsinstelling (50%), 2 respondenten hebben hulp gezocht in het eigen netwerk (antwoordoptie 'Anders, namelijk…'). De plaats waar initiatiefnemers hulp zoeken komt overeen met de beoogde werkwijze van de verschillende stadsdelen (zie hoofdstuk 2.3).

Behulpzaamheid van medewerkers bij het opstellen van de aanvraag
87% (n=65)van de respondenten die hulp heeft gezocht had een vaste contactpersoon waar hij of zij terecht kon met de hulpvraag, 11% (n=8) had geen vaste contactpersoon en 3% (n=2) weet dit niet meer.

Om de behulpzaamheid van ondersteunende medewerkers te meten hebben we een aantal vragen gesteld zoals: stelden medewerkers zich flexibel op, luisterden medewerkers naar uw behoeften en stuurden medewerkers u van het kastje naar de muur? Deze vragen zijn samengevoegd tot één variabele ‘behulpzaamheid medewerkers'.  Uit de resultaten blijkt dat respondenten heel tevreden zijn over de hulp van de medewerkers: 53% (n=38) vond dat de medewerkers altijd behulpzaam waren, 38% (n=27) vond de medewerkers meestal behulpzaam, 7% (n=5) soms en 3% (n=2) nooit. Deze zijn niet uit te splitsen naar individuele ondersteunende organisaties of onderdelen van de gemeente Amsterdam, maar wel naar stadsdeel. In figuur 4.3 zijn de verschillen tussen stadsdelen te zien.

Figuur 4.3 - Behulpzaamheid medewerkers per stadsdeel 

We hebben vanwege de afwijkende werkwijze in Nieuw-West ook weer een vergelijking gemaakt tussen de ervaringen van initiatiefnemers met medewerkers in Nieuw-West (met name medewerkers van bewonersorganisatie Eigenwijks) en de ervaringen met (gemeentelijke) medewerkers in de andere stadsdelen. De resultaten zijn in figuur 4.4 weergegeven.

Figuur 4.4 - Behulpzaamheid medewerkers: Nieuw-West versus de andere stadsdelen

Uit de bovenstaande resultaten blijkt dat de medewerkers in Nieuw-West op het gebied van behulpzaamheid gemiddeld wat beter te scoren dan de (gemeentelijke) ondersteuners in de andere stadsdelen.

Meest bruikbare en gemiste hulp bij het opstellen van de aanvraag
Op de open vraag met welke hulp de respondenten het beste geholpen waren gaven 58 respondenten een antwoord. Voor 28 respondenten was hulp bij het opstellen en formuleren van de aanvraag het meest nuttig ("de medewerker heeft me uitgelegd dat ik duidelijkheid moest scheppen over 'het waarom' van de aanvraag"), gevolgd door hulp bij financiën en het opstellen van een begroting (n=12) ("ik had een gesprek met de medewerker waarin mij is uitgelegd waarvoor ik wel en niet budget kon aanvragen en de mogelijkheden en grenzen hierin"). 

We hebben respondenten ook gevraagd welke hulp ze hebben gemist tijdens het opstellen van hun aanvraag. 11 respondenten gaven aan concrete hulpmiddelen gemist te hebben. Voorbeelden hiervan zijn: het kunnen inzien van een voorbeeldaanvraag , DigID support, 24-uurs beschikbaarheid van ondersteuning aangezien particuliere aanvragers veelal buiten kantooruren de aanvraag schrijven, één loket voor informatie en advies, een overzicht van subsidiepotjes waarvan men mogelijk gebruik kan maken en een overzicht van het tijdpad van een aanvraag. Daarnaast gaven 11 respondenten aan een contactpersoon met de juiste kennis en houding gemist te hebben.

Ondersteuning bij insturen en afhandelen van de aanvraag
Vanaf 1 juli 2015 kunnen subsidieaanvragen online worden ingediend via het Subsidiebeheerssysteem (SBS). Vanaf medio 2016 wordt dit systeem ook door de stadsdelen gebruikt.

72% van de respondenten van de enquête die we in de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost hebben uitgezet , heeft de aanvraag online ingediend. Daarnaast zijn aanvragen ingediend per post (1%) en per email (18%). Van de respondenten die de antwoordoptie 'anders, namelijk…' hebben aangevinkt (9%, n=10), heeft het merendeel alsnog ingevuld dat de aanvraag via de website van de gemeente is ingediend. Drie respondenten gaven aan de aanvraag persoonlijk naar het stadsdeelkantoor gebracht te hebben. De redenen voor het niet online indienen van de aanvraag waren over het algemeen dat dit niet lukte door problemen met de website, DigID en/of e-herkenning.

Het overgrote deel van de respondenten die hun aanvraag online hebben ingediend, heeft geen problemen ondervonden; rond de 70% (zie tabel 4.3). Dit betekent dat nog altijd zo'n 30% een klein of groot probleem heeft ervaren tijdens het insturen. Opvallend is dat 19% van de respondenten aangeeft het verkrijgen van ondersteuning tijdens het insturen van de aanvraag als een groot probleem te hebben ervaren.

Tabel 4.3 - Problemen bij het insturen
Is het een probleem geweest om …Geen
probleem
Een klein probleemEen groot probleem
De stappen voor het insturen van uw aanvraag te doorlopen?71% (n=53)24% (n=18)5%
(n=4)
De velden die u digitaal moest invullen te begrijpen?68% (n=51)27% (n=20)5%
(n=4)
Ondersteuning te krijgen tijdens het insturen wanneer u die nodig had?71% (n=41)10% (n=6)19% (n=11)

Van alle respondenten heeft 83% (n=138) hun origineel aangevraagde bedrag volledig toegekend gekregen. Van 18 respondenten (11%) is de aanvraag deels toegewezen en van zes (4%) respondenten is de aanvraag afgewezen. Slechts 3 respondenten hebben bezwaar gemaakt tegen het genomen besluit tot (gedeeltelijke) afwijzing. Redenen om geen bezwaar te maken waren: "ik had begrip voor de gegeven toelichting" (8x), "het heeft toch geen nut"(4 x), "het is te veel rompslomp"(1x), "als ik bezwaar zou maken kon ik geen aanvraag indienen voor een ander potje"(1x), "ik kan niet aan de subsidievoorwaarden voldoen" (1x) en "we hebben het initiatief gecancelled"(1x).

Ondersteuning bij het uitvoeren van het initiatief
Formeel heeft het stadsdeel geen rol bij het uitvoeren van initiatieven. Dit is aan de initiatiefnemers. In de praktijk speelt het stadsdeel soms wel een rol, zo geeft 32% van alle respondenten (inclusief respondenten in Nieuw-West) aan dat het stadsdeel op enige manier betrokken is geweest bij de uitvoering van het initiatief.

Als voorbeelden noemen respondenten dat het initiatief is geopend door een ambtenaar, dat ambtenaren deelnamen aan het initiatief en dat het stadsdeel zelf een deelactiviteit bij het initiatief organiseerde. Ook geven respondenten voorbeelden waaruit blijkt dat het stadsdeel ook daadwerkelijk ondersteunt bij de uitvoering. Zo biedt het stadsdeel diensten vanuit de gemeentelijke organisatie (schoonmaak vlak voor of na afloop van activiteiten, ter beschikking stellen van een locatie, inzet van straatcoaches voor de veiligheid), helpt het bij de promotie van een initiatief en hebben gebiedsmakelaars hun netwerk ingezet.

Initiatiefnemers waarderen het wanneer het stadsdeel of de ondersteunende organisatie waarmee zij contact gehad hebben op enige wijze betrokkenheid toont, zo blijkt uit de antwoorden van respondenten. Tegelijkertijd ervaren respondenten het als vervelend wanneer vanuit het stadsdeel weinig interesse getoond wordt: "wat ik echt niet oké vind is dat zowel [ondersteunende organisatie] als stadsdeel [X] nul belangstelling hebben voor hoe het evenement is verlopen en ook nooit hun gezicht laten zien". En: "Uit het feit dat de subsidie is toegekend concludeer ik dat het stadsdeel het initiatief een goed hart toedraagt. Maar dit is nooit met zoveel woorden gezegd. Ik had het leuk gevonden als ze eens kwamen kijken naar het resultaat".

Ondersteuning bij evaluatie en verantwoording van het initiatief
Van de respondenten geeft 74% (n=119) aan dat het initiatief na afloop geëvalueerd is. 19% (n=30) heeft het initiatief niet geëvalueerd en 4% (n=6) weet dit niet meer.

60% (n=92) van de respondenten geeft aan dat van hen een verslag of verantwoording is gevraagd na afloop van het initiatief. Alle subsidieontvangers zijn verplicht een dergelijk verslag in te leveren (zie paragraaf 5.2.3). Bij 35% (n=54) is niet om een verslag of verantwoording gevraagd en 6% (n=9) weet dit niet meer. Van de respondenten die niet is gevraagd om een verslag of verantwoording, gaf 37% (n=23) aan dat hij of zij dit wel had willen indienen.  Over het algemeen hebben respondenten weinig problemen ervaren rondom de verantwoording (zie Tabel 4.4). Rond de 80% vond het geen probleem om de op te nemen informatie te vinden of om ondersteuning te krijgen bij het opstellen van het verslag of de verantwoording. Het was nog het meest lastig om te begrijpen welke informatie in een verslag of verantwoording moest worden opgenomen. 24% (n=22) vond dat een klein of groot probleem.

Tabel 4.4 - Ervaringen met verantwoording
Is het een probleem geweest om …Geen
probleem
Een klein
probleem
Een groot probleem
te vinden welke onderwerpen u moest opnemen in het verslag of de verantwoording?82% (n=74)14% (n=13)3%
(n=3)
te begrijpen welke informatie u moest opnemen in het verslag of de verantwoording?76% (n=68)22% (n=20)2%
(n=2)
ondersteuning te krijgen in het opstellen van uw verslag of de verantwoording?80% (n=65)17% (n=14)2%
(n=2)

Algehele ervaring met het subsidieproces

We hebben respondenten ook door middel van een aantal stellingen gevraagd het subsidieproces in zijn geheel te beoordelen.  De antwoorden op deze vragen zijn samengevoegd tot één score die het algemene oordeel indiceert.  In figuur 4.5 zijn de resultaten weergegeven waarbij we weer een onderscheid gemaakt hebben tussen Nieuw-West en de andere stadsdelen.

Figuur 4.5 - Algehele ervaring: Nieuw-West versus de andere stadsdelen

Uit figuur 4.5 blijkt dat initiatiefnemers in Nieuw-West over het algemeen een positievere ervaring hebben gehad dan initiatiefnemers in de andere stadsdelen.

Initiatiefnemers is ook gevraagd om aan te geven of de inspanningen om het initiatief gerealiseerd te krijgen groot waren in vergelijking met de opbrengst. Ook op dat punt zijn de initiatiefnemers in Nieuw-West over het algemeen positiever dan die in de andere stadsdelen; zij vonden dus vaker dat de inspanning niet groter was dat wat het initiatief heeft opgeleverd (zie figuur 4.6).

Figuur 4.6 - Inspanning versus opbrengst in Nieuw-West en de andere stadsdelen

In de toelichting over hun ervaringen met het stadsdeel geven sommige respondenten aan dat het aanvragen ingewikkeld is, mede door een diversiteit aan regels en subsidiepotjes en gebrek aan voorbeelden, en ze weinig interesse vanuit het stadsdeel ervaren hebben. Ook brengen sommige respondenten naar voren dat ze de besluitvorming als traag en bureaucratisch hebben ervaren, wat vooral lastig is voor doorlopende initiatieven (initiatiefnemers laten deze over het algemeen gewoon doorlopen, ook al is nog geen besluit over komende periode). De lengte van het aanvraagproces is ook in een onderzoek van het subsidiebureau als obstakel naar voren gekomen.  Gebiedsmakelaars herkennen dit en brengen naar voren dat de verplichting om vergunningen aan te vragen (wat vaak lange tijd in beslag neemt) hier mede aan bijdraagt. Daarnaast staat de centralisering van diverse diensten naar de centrale stad op gespannen voet met de slagkracht van gebiedsmakelaars omdat gebiedsmakelaars keer op keer op zoek moeten naar de juiste contactpersoon om zaken rondom initiatieven mee af te stemmen. 

14% (n=23) van de respondenten heeft aangegeven dat zij op enig moment in het subsidieproces te maken hebben gehad met tegenstrijdige informatie en/of regels. 13 personen hebben hier een korte toelichting op gegeven. Daaruit blijkt dat vijf initiatiefnemers de ervaring hebben dat voorwaarden en aan te leveren informatie door de tijd heen veranderden, drie personen hebben een onzorgvuldige of onnodig lange financiële afhandeling na afloop van het initiatief ervaren en twee kregen tegenstrijdige informatie van ambtenaren. Specifiek voor Nieuw West werd aangegeven dat gelijke aanvragen ongelijk behandeld lijken te worden door een regiegroep (n=1), dat het werken met regiegroepen ingewikkeld is wanneer een initiatief meerdere gebieden beslaat (n=1) en dat het aanvragen van een budget veel rompslomp met zich meebrengt in verhouding met het verkregen bedrag (n=1). Diverse van deze punten worden ook herkend door gebiedsmakelaars. Met betrekking tot financiële afhandeling geven gebiedsmakelaars aan dat zij niet langer beschikking hebben over handgeld waardoor ze minder makkelijk en snel kunnen handelen wanneer initiatiefnemers kleine bedragen nodig hebben. De financiële afwikkeling van kleine activiteiten of benodigdheden kost vaak veel tijd en moeite en de gebiedsmakelaars hebben geen vaste contactpersoon bij de afdeling Financiën die hen, en daarmee de initiatiefnemers, hierbij ondersteunt. 

Deelconclusies maatschappelijke doelmatigheid

Basisinformatievoorziening redelijk op orde
Respondenten kennen de subsidieregelingen over het algemeen via de kanalen die de stadsdelen daarvoor ook ingezet hebben (gebiedsteam/makelaar, Huis van de Wijk). Ook het zoeken van informatie gebeurt het vaakst via de daarvoor bedoelde kanalen (gebiedsteam/makelaar, ondersteunende organisaties, website gemeente) en respondenten vonden informatie van deze kanalen ook het meest nuttig. De basisinformatievoorziening over de regelingen lijkt daarmee redelijk op orde; respondenten lijken te weten waar ze moeten zoeken.

Informatie is niet altijd vindbaar of begrijpelijk
Tegelijkertijd is informatie lang nog niet altijd vindbaar of begrijpelijk. Ongeveer 40% van de respondenten had ten minste een klein probleem met het vinden van informatie en 35% met het begrijpen van gevonden informatie. Informatie over de faciliteiten die het stadsdeel biedt om te ondersteunen was het moeilijkst te vinden, terwijl het bieden van ondersteuning juist een kerntaak is van de stadsdelen. De (on)mogelijkheden binnen de subsidieregelingen waren het moeilijkst te begrijpen. In lijn hiermee misten respondenten informatie over de voorwaarden, al dan niet toegepast op de specifieke situatie van een initiatiefnemer. Een vertaalslag van de beschikbare basisinformatie naar toegankelijke en concrete informatie voor initiatiefnemers, lijkt door de stadsdelen nog niet te zijn gemaakt. Om te zorgen dat initiatiefnemers niet onnodig allerlei voorbereidende werkzaamheden verrichten moeten in ieder geval de (on)mogelijkheden van subsidiëring duidelijkheid zijn. Nieuw-West scoort beter op de vindbaarheid van informatie dan de andere stadsdelen.

Hulpzoekers vinden de weg naar geboden ondersteuning
Meer dan de helft van de respondenten heeft geen hulp gezocht bij het opstellen van de subsidieaanvraag. Diegenen die wel hulp gezocht hebben, doen dat voornamelijk via de personen die het stadsdeel daarvoor ook bedoeld heeft, zoals gebiedsmakelaars en medewerkers van huizen van de wijk en ondersteunende organisaties. De in de stadsdelen ingerichte ondersteuning lijkt dus goed vindbaar voor initiatiefnemers die hulp willen. Respondenten zijn erg tevreden over de behulpzaamheid van medewerkers. Respondenten vonden hulp bij het opstellen en formuleren van de aanvraag en hulp bij de begroting het meest nuttig, maar misten concrete hulpmiddelen zoals een voorbeeldaanvraag en beschikbaarheid van ondersteuning buiten kantooruren.

Benodigde ondersteuning bij online indienen lastig te krijgen
Ruim 70% van de respondenten  diende de aanvraag online in. Voor degenen die daarbij moeilijkheden ervaren hebben was het grootste probleem het verkrijgen van ondersteuning tijdens het insturen, wanneer men die nodig had. Slechts 3 van de 22 respondenten van wie de aanvraag (deels) werd afgewezen, hebben bezwaar gemaakt. Meestal werd geen bezwaar gemaakt omdat men begrip had voor de gegeven toelichting, maar men liet dit ook na omdat men ervan overtuigd was dat bezwaar maken geen nut had.

Aanwezigheid bij de uitvoering gewenst
Ambtenaren en ondersteunende organisaties spelen regelmatig een rol bij de uitvoering van initiatieven, enerzijds door deelname en anderzijds door het bieden van ondersteunende diensten als schoonmaak en promotie. Initiatiefnemers waarderen deze betrokkenheid en ervaren het als vervelend wanneer het stadsdeel geen interesse toont in een initiatief.

Stadsdelen vragen niet altijd expliciet om verslagen van kleine initiatieven
60% van de respondenten is gevraagd om een activiteitenverslag in te dienen, ook al was de verplichting al expliciet opgenomen in de subsidieregeling. Bijna een kwart van de respondenten vindt het lastig te begrijpen welke informatie zij moeten opnemen in een verslag of de verantwoording.

Negatieve ervaringen gevoed door werkwijze stadsdelen
Twee derde van de respondenten kijkt (zeer) positief terug op de ervaring met het gehele subsidieproces, één derde kijkt (zeer) negatief terug. Negatieve ervaringen worden met name gevoed door de ervaren complexiteit van het proces, weinig interesse en langzame besluitvorming door het stadsdeel. Ook tegenstrijdigheid in ontvangen informatie vanuit het stadsdeel draagt bij aan de negatieve ervaring. De respondenten die hun initiatief hebben ondernomen in stadsdeel Nieuw-West keken gemiddeld positiever terug op hun ervaringen. Ook zijn deze respondenten positiever over de inspanning die zij hebben moeten leveren in verhouding tot hun resultaten.

Doelmatigheidsbeoordeling op organisatieniveau

Inleiding

Bij de interne doelmatigheid gaat het om de vraag of de gemeente niet meer uitvoeringskosten maakt dan nodig is om de subsidies voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven transparant te verstrekken. Als startpunt voor onze analyse hebben wij gekeken hoeveel subsidies vanaf 2016 zijn verleend op basis van de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven  De verleende subsidies in 2017 hebben we nader geanalyseerd (zie paragraaf 4.3.2). Vervolgens kijken we in paragraaf 4.3.3 hoe de uitvoeringskosten zich verhouden tot de verstrekte subsidies en welke aspecten een rol spelen om de doelmatigheid van de interne organisatie te beoordelen. In ons onderzoek betrekken we ook de uitvoeringskosten van welzijnsinstellingen wanneer zij bewonersinitiatieven ondersteunen.

Uitgaven aan subsidies voor initiatief

Volgens het openbare subsidieregister Amsterdam zijn in 2016, 2017 en 2018 (tot 1 september) op basis van de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven de volgende bedragen verleend, zie tabel 4.5.

Tabel 4.5 - Verleende bedragen voor de subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijk initiatief, per jaar 
JaarVerleend
2016 € 266.068
2017€ 2.282.945
2018
(na 1 september: schatting op basis van lineaire groei) 
€ 3.000.000

Ten opzichte van 2016 zijn de subsidieverleningen aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven in 2017 flink gestegen. Dit wordt voor een groot deel verklaard doordat de stadsdelen pas in de tweede helft van 2016 hun subsidieregelingen hebben laten ingaan. We zien dat de uitgaven naar verwachting in 2018 verder zullen stijgen.

Bij deze cijfers zijn meerdere opmerkingen te plaatsen.

  • Dit overzicht geeft geen volledig beeld omdat er ook initiatieven gefinancierd kunnen worden via andere subsidieregelingen. In de toelichting op tabel 4.6 (zie volgende paragraaf) en in hoofdstuk 2.3 zijn per stadsdeel hiervan voorbeelden gegeven. Verder kan het voorkomen dat kosten van kleinere initiatieven (veelal met een omvang tot € 500) rechtstreeks ten laste zijn geboekt van buurtbudgetten zonder dat daar een subsidieverleningsprocedure aan vooraf is gedaan. De gemaakte kosten voor het initiatief zijn dan door het stadsdeel via een inkoopfactuur of declaratie betaald.
  • Ook de subsidies die welzijnsinstellingen ontvangen om initiatieven van buurtbewoners geldelijk te ondersteunen zijn niet in tabel 4.5 opgenomen.
  • Het is dus moeilijk te zeggen hoeveel geld er in Amsterdam wordt uitgegeven aan de financiering van initiatieven.

In tabel 4.6 is per stadsdeel gespecificeerd wat er is verleend op basis van de subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven, zoals vermeld in het openbaar subsidieregister.

Verleende subsidies
Om een beeld te krijgen wat er via de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven is uitgegeven hebben we bepaald wat er totaal in 2017 is verleend per stadsdeel, zie tabel 4.6. Deze tabel geeft ook inzicht in het aantal verleende subsidies en het gemiddelde bedrag per verleende subsidie. We hebben vervolgens bepaald wat de stadsdelen per inwoner aan deze subsidies hebben verstrekt.

Tabel 4.6 - Verleende subsidiebedragen maatschappelijke en bewonersinitiatieven per stadsdeel 2017 
StadsdeelVerleende subsidies 2017Aantal verleende subsidiesGemiddeld aantal euro's per subsidieEuro's per inwoner 
Noord€ 548.977161€ 3.409€ 5,79
Oost€ 179.31990€ 1.992€ 1,32
West€ 1.086.006103€ 10.543€ 7,55
Zuid€ 188.594 75€ 2.514€ 1,31
Zuidoost€ 280.04776€ 3.684€ 3,19
Centrum€ 0,00---
Nieuw-West€ 0,00---
TOTAAL€ 2.282.945505€ 4.429€ 3,83


De stadsdelen Centrum en Nieuw-West komen in dit overzicht niet voor omdat zij in 2017 deze subsidieregelingen niet kenden. De grote verschillen tussen de stadsdelen gaven ons aanleiding de cijfers nader te bestuderen. Hierbij viel ons onder meer het volgende op.

Stadsdeel Noord
Stadsdeel Noord heeft in 2017 de meeste subsidieaanvragen van alle stadsdelen ontvangen, namelijk 223. Dit heeft geleid tot 161 subsidieverleningen. Dit betekent dat 72% geheel of gedeeltelijk is verleend. Van het aangevraagde totaalbedrag is 44% ofwel € 548.977 aan subsidies toegekend. Subsidies worden regelmatig door het stadsdeel naar beneden bijgesteld na controle op de kostenposten voor verlening van de aanvraag. De redenen voor het weigeren van een subsidieaanvraag lopen breed uiteen.

Verder is vermeldenswaardig dat in Stadsdeel Noord het zelfbeheer van buurthuizen via de subsidieregeling maatschappelijk initiatief wordt gesubsidieerd. De betreffende buurthuizen moeten de subsidie aanvragen vóór 15 november van het volgende kalenderjaar. Deze subsidies hebben een min of meer structureel karakter. Iets dergelijks zien we niet bij de overige stadsdelen.

Verder kent het stadsdeel een alternatieve werkwijze om bewonersinitiatieven van € 500 en minder te bekostigen. De welzijnsorganisaties Doras, Civic en Dock ontvangen een budget van € 150.000 om deze kleine initiatieven te ondersteunen met activiteitenbudgetten. 

Stadsdeel Oost
Volgens de subsidieadministratie is in totaal slechts € 179.319 verleend op basis van de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven, dit is veel lager dan wat er begroot is (zie paragaaf 2.3.5). Zoals hiervoor vermeld, wordt bij stadsdeel Oost een groot deel van de bewoners- en maatschappelijke initiatieven via andere subsidieregelingen bekostigd. Deze subsidies zijn niet in ons onderzoek betrokken. Ook de financiering van bewonersinitiatieven ten laste van de gebiedsbudgetten zijn niet door ons onderzocht.

Stadsdeel West
Bij stadsdeel West wordt gezien de financiële omvang het meest geput uit de subsidieregelingen. In 2017 is € 1.086.007 aan subsidies verleend. De hoogste subsidie die aan bewonersinitiatieven is toegekend bedraagt € 40.000 voor "activiteiten Winkelstraatvereniging Jan Eef 2017". De hoogst verleende subsidie voor een maatschappelijke initiatief bedraagt € 227.500 en is toegekend aan de stichting Operatie Periscoop voor de "Operatie Bos en Lommer maatschappelijk initiatief".  Zo'n omvangrijke subsidie verklaart voor een belangrijk deel dat het gemiddelde toegekende bedrag bij dit stadsdeel boven de € 10.000 uitkomt.

Naast de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven heeft stadsdeel West ook € 290.000 voor bewonersinitiatieven ter beschikking gesteld aan de welzijnsinstelling Combiwel.  De betreffende middelen worden via inspiratiegroepen, waarin bewoners zitting hebben, als budget toegekend aan buurtinitiatieven. In 2017 zijn er in stadsdeel West 173 initiatieven gefinancierd middels een activiteitenbudget. 

Stadsdeel Zuid
Het bedrag van € 188.594 heeft volledig betrekking op bewonersinitiatieven. Stadsdeel Zuid had in 2017 nog geen subsidieregeling maatschappelijk initiatief vastgesteld. Ook via andere subsidieregelingen zijn er geen subsidies verstrekt voor maatschappelijke initiatieven.

Stadsdeel Zuidoost
Stadsdeel Zuidoost heeft 76 subsidies verstrekt voor in totaal € 280.047. Slechts twee verstrekte subsidies met een totaal bedrag van € 6.566 hadden betrekking op maatschappelijke initiatieven.  Negen aanvragen voor maatschappelijke initiatieven zijn afgewezen. Het totale budget voor maatschappelijke initiatieven was beperkt tot € 20.000 per gebied.

Stadsdeel Centrum
Stadsdeel Centrum had in 2017 geen subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Ondanks de afwezigheid van specifieke subsidieregelingen zijn er in het stadsdeel toch meerdere initiatieven financieel ondersteund, zoals bijvoorbeeld plantsoenbeheer door bewoners in de buurt Bickerseiland, bewonersbeheer van speeltuin de Waag en Huis de Pinto in de Nieuwmarktbuurt.  Daarnaast heeft Dock de beschikking gekregen over budgetten om initiatieven financieel te ondersteunen.  Indien (meer) financiële ondersteuning nodig is bij een buurtinitiatief, ondersteunt Dock bewoners bij het vinden van financiering bij fondsen of elders in de gemeente. Ook werden er kleine budgetten verstrekt via buurthuis Jordaan en de Gouden Reaal en de gebiedsteambudgetten. Sinds 15 mei 2018 heeft het stadsdeel ook een subsidieregeling bewonersinitiatieven.

Stadsdeel Nieuw-West
Ook stadsdeel Nieuw-West had in 2017 geen specifieke subsidieregelingen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Wel verstrekte het stadsdeel subsidies aan de welzijnsinstellingen Stichting Samenwonen Samenleven (Slotervaart-Noord)en bewonersorganisatie Eigenwijks (overige wijken) van respectievelijk € 64.420  en € 409.000  (hiervan ging € 96.000  naar onderaannemer Combiwel) voor de bekostiging van bewonersinitiatieven. In 2017 hebben bewonersorganisatie Eigenwijks, Combiwel  en de Stichting Samenwonen Samenleven respectievelijk 266, 260 en 105 initiatieven ondersteund.   Op jaarbasis worden er in Nieuw-West dus zo'n 731 initiatieven gefinancierd door middel van budgetten.

Frequentie en omvang van de verleende subsidies
Om beter inzicht te krijgen in de omvang van de bedragen die verleend zijn, heeft de rekenkamer alle bedragen ingedeeld in zes categorieën uiteenlopend van € 1 - € 500 tot € 25.000 of meer. De resultaten zijn in tabel 4.7 te lezen.

Tabel 4.7 - Frequenties en percentages van door stadsdelen verleende bedragen (2017)
CategorieFrequentiePercentageCumulatief
€ 1 - € 500469,19,1
€ 501 - €2.00018336,245,3
€ 2.001 - € 5.00020540,685,9
€ 5.001 - € 10.000377,393,3
€ 10.000 - € 25.000244,898,0
€ 25.001 of meer102,0100,0
TOTAAL505100,0 

De tabel laat zien dat 93,3 % van alle verleende subsidieaanvragen lager zijn dan € 10.000. Hiermee is 55% van de uitgaven gemoeid. Aan de 34 grootste subsidies (€ 10.000 en hoger) is 45% besteed.

Budgetaanvragen gedaan via welzijnsorganisaties
Er zijn drie stadsdelen die gebruikmaken van welzijnsinstellingen om aan bewonersgroepen financiële middelen (budgetten) beschikbaar te stellen voor bewonersinitiatieven. Dit zijn de stadsdelen Nieuw-West, West en Noord. In Tabel 4.8 staan de bedragen die in 2017 hieraan zijn besteed. De bedragen van stadsdeel Nieuw-West zijn uitgesplitst naar verschillende Huizen van de Wijk.

Tabel 4.8 - Middelen via welzijnsinstellingen , 
Stadsdeel / Welzijnsinstelling(Huis van de Wijk) Uitgegeven in 2017 aan bewonersinitatievenTotaalkosten (incl. vergoede beheerskosten)
Stadsdeel Nieuw-West / Eigenwijks / Impuls  
Osdorp West en de Aker (De Aker)€ 105.047€ 117.789
Sloten en Nieuw Sloten (België)€ 42.173€ 47.312
Geuzenveld (het Pluspunt)€ 47.145€ 53.126
Slotermeer (De Honingraat)€ 85.023€ 94.472
Subtotaal€ 279.388€ 312.699
Stadsdeel Nieuw-West / formeel Eigenwijks de facto uitvoering door Combiwel  
Nieuw-West Midden / Osdorp Oost ('t Blommetje)€ 43.806€ 49.502
Slotervaart Zuid (Het Anker)€ 40.859€ 46.481
Subtotaal€ 84.665€ 95.983
Stadsdeel Nieuw-West / Stichting Samenwonen Samenleven  ,   
Slotervaart Noord (De Buurtzaak)€ 48.069€ 56.374
Totaal€ 412.122€ 465.056
Stadsdeel West   
Combiwel/ABC Alliantie€ 203.680€ 213.680
Stadsdeel Noord  
Doras, Civic en Dock€ 77.796€ 77.796 (beheerskosten onbekend)
EINDTOTAAL€ 765.802€ 828.736


In de laatste kolom is het verstrekte subsidiebedrag vermeld inclusief de vergoeding voor beheerskosten voor de welzijnsinstelling.

De welzijnsinstellingen verstrekken de budgetten aan de bewonersinitiatieven veelal na besluitvorming door een regie- of inspiratiegroep. Voor meer informatie over deze werkwijze zie Samenwerking in Nieuw-West hoofdstuk 2.3. Hieronder wordt de samenwerking tussen welzijnsinstellingen in Nieuw-West uitgelegd (zie informatiekader).

Samenwerking in Nieuw-West

Er zijn vier welzijnsorganisaties/bewonersorganisaties die in stadsdeel Nieuw-West de Huizen van Wijk beheren. Drie van deze vier organisaties werken samen onder de naam ECI (Eigenwijks, Combiwel en Impuls). Bewonersorganisatie Eigenwijks beheert de Huizen van Wijk in Geuzenveld en Slotermeer. De Huizen van Wijk de Aker in Osdorp West en België in (Nieuw) Sloten worden door Impuls beheerd, zij hebben voor deze taak Eigenwijks ingehuurd. Combiwel beheert de Huizen van Wijk in Slotervaart Zuid en Nieuw-West Midden. De vierde organisatie is de stichting Samenwonen-Samenleven (Stichting Samenwonen Samenleven). Deze maakt geen onderdeel uit van het samenwerkingsverband Nieuw-West. De Stichting Samenwonen Samenleven beheert het Huis van Wijk in Slotervaart Noord. Elk Huis van Wijk heeft zijn eigen regiegroep die kan beslissen over aanvragen voor budget voor een bewonersinitiatief. Deze regiegroepen zijn ook bevoegd om zelf regels vast te stellen voor het verlenen van bijdragen aan initiatieven (zie hoofdstuk 2.3 en hoofdstuk 5.1.2).

Deelconclusie
Geen goed beeld van de totale omvang van de maatschappelijke en bewonersinitiatieven

Uit het openbaar subsidieregister 2017 blijkt dat er voor 505 subsidieaanvragen in totaal ruim € 2.282.000 aan subsidie is verleend op basis van de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief en bewonersinitiatieven. Uit de nadere analyse van deze cijfers en uit de van de stadsdelen ontvangen toelichting blijkt dat dit geen volledig beeld geeft van de aantallen en de omvang van de verleende subsidies voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven in 2017. Dit komt omdat stadsdelen ook via andere subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven financieren. Dit geldt niet alleen voor de stadsdelen die nog geen specifieke regeling hebben vastgesteld, maar ook voor stadsdelen die wel een regeling hebben vastgesteld. Er is geen totaaloverzicht aanwezig waarin alle gesubsidieerde maatschappelijke en bewonersinitiatieven van de stadsdelen zijn opgenomen ongeacht de subsidieregeling die is gebruikt.

Grote verschillen in uitgaven tussen de stadsdelen
Hoewel er geen totaaloverzicht aanwezig is, kan er wel geconcludeerd worden dat er grote verschillen uitgaven zijn tussen de stadsdelen. Dit geldt zowel voor de totale omvang als ook voor de gemiddelde omvang van de verleende subsidies. Zo heeft bijvoorbeeld stadsdeel Zuid voor maatschappelijke initiatieven geregeld dat maximaal € 15.000 in het eerste jaar kan worden verleend en over drie jaar achtereen gezien niet meer dan € 50.000.  In stadsdeel Zuidoost is het te verlenen bedrag voor een maatschappelijk initiatief per organisatie of een samenwerkingsverband gemaximaliseerd op € 10.000 per jaar. De andere stadsdelen hebben bij de subsidieregeling maatschappelijk initiatief géén maximum bedragen vastgesteld. Bij stadsdeel West is bijvoorbeeld op basis van de subsidieregeling maatschappelijk initiatief aan één initiatief meer dan € 260.000 toegekend. Ook voor de subsidieregeling bewonersinitiatieven heeft stadsdeel West geen maximum vastgesteld. De andere stadsdelen hanteren allen een maximum voor het te verlenen bedrag aan bewonersinitiatieven (€ 5.000  per organisatie of per initiatief).

Sommige stadsdelen zetten welzijnsinstellingen in om budgetten toe te kennen
De stadsdelen Nieuwe-West, West en Noord verstrekken subsidies aan welzijnsinstellingen met als doel om bewonersinitiatieven te bekostigen. Stadsdeel Nieuw-West heeft zelf geen regeling vastgesteld voor de financiering van bewoners- of maatschappelijke initiatieven. Stadsdeel West en Noord financieren initiatieven zowel zelf als via welzijnsinstellingen; waar initiatiefnemers hun aanvraag moeten doen is afhankelijk van de aard en de mvang van de subsidieaanvraag.

Uitvoeringskosten van het verstrekken van subsidies of budgetten

Om de interne doelmatigheid van de organisatie te beoordelen hebben we enerzijds gekeken naar de omvang van de verleende subsidies en anderzijds naar de omvang van de uitvoeringskosten. Daarbij hebben we ons de volgende vraag gesteld: Wat zijn de gemiddelde uitvoeringskosten van een aangevraagd(e) of verleend(e) subsidie of budget voor een initiatief?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden is inzicht nodig in de activiteiten van het subsidieproces en de daarmee gemoeide kosten. Naast de bestede tijd van de ambtelijke organisatie gaat het ook om kosten van de gebruikte systemen en de toegekende overhead. Als bepaalde delen van de activiteiten zijn uitbesteed, bijvoorbeeld aan welzijnsinstellingen, dan gaat het om de beheerskosten (die veelal in de vorm van een subsidie aan die instellingen zijn verstrekt).

We kunnen bij de kosten voor subsidies maatschappelijke en bewonersinitiatieven een onderscheid worden gemaakt in twee hoofdprocessen:

  • Het subsidie- en budgetverstrekkingsproces.
    Hierbij gaat het over de kosten van het gehele subsidieproces van het stadsdeel en van het Subsidiebureau.
  • De stimulerings- en ondersteuningsactiviteiten
    Hierbij gaat het om de kosten van het stimuleren van initiatieven en het verlenen van ondersteuning aan initiatiefnemers.

Kosten subsidie en budgetverstekkingsproces
Gemeente
De kosten worden voor een groot deel bepaald door de wijze waarop de gemeente als geheel het subsidieproces heeft georganiseerd en de van toepassing zijnde regelgeving. Sinds medio 2016 lopen de subsidies van de stadsdelen via het Subsidiebeheersysteem van het Subsidiebureau Amsterdam. Het centraliseren van de subsidieadministratie en een heldere werkverdeling tussen het Subsidiebureau en de beleidsafdeling of het stadsdeel kunnen zorgen voor een verlaging van de kosten.

Verder kan worden opgemerkt dat bij kleine subsidies de beheerskosten relatief hoog zijn. De kosten zijn namelijk grotendeels afhankelijk van de tijd die daaraan wordt besteed. Een groot deel van die werkzaamheden moet standaard worden uitgevoerd voor alle ingediende subsidieaanvragen. Verder zijn de kosten voor deze 'standaardwerkzaamheden' niet of beperkt afhankelijk van de omvang van de gevraagde subsidie. Ook de kosten van het subsidiebeheersysteem zijn voor kleine en grote subsidies vrijwel gelijk. De kosten zijn dus doorgaans meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de regelgeving dan van de omvang van het aangevraagde subsidie. Ook als er voor meerdere activiteiten en doeleinden subsidie wordt aangevraagd zullen de uitvoeringskosten toenemen.

Bij grotere subsidies zullen de uitvoeringskosten relatief lager zijn dan bij kleinere subsidies. Omdat de gemeente geen actuele cijfers heeft, werken we hier met een fictief voorbeeld: Als de uitvoeringskosten van een subsidieaanvraag van € 1.000 bijvoorbeeld € 500 zijn, bedragen de uitvoeringskosten 50%. Stel dat de uitvoeringskosten bij een subsidieaanvraag van € 50.000 in absolute zin het dubbele zijn, dan zijn die kosten € 1.000 of 2%.

Deze kennis zou ervoor pleiten om alleen grotere subsidies toe te kennen en de regelgeving zo eenvoudig mogelijk te maken. Dit staat evenwel op gespannen voet met de wens om bijvoorbeeld bij de subsidieregeling bewonersinitiatieven maximaal een subsidie toe te kennen van € 5.000 en de nadere regels in de subsidieregelingen.

We hebben in ons onderzoek geen evaluatie aangetroffen waarin de kosten van het subsidieproces voor de maatschappelijke en bewonersinitiatieven inzichtelijk zijn gemaakt en waarbij een vergelijking is gemaakt met de kosten van andere subsidieregelingen. We kunnen derhalve niet vaststellen of de uitvoeringskosten in vergelijking met andere subsidieregelingen relatief hoog zijn.

Wel kunnen we ons voorstellen dat vanuit doelmatigheidsoverwegingen wordt onderzocht of subsidies tot bijvoorbeeld € 500 op een andere wijze kunnen worden gefinancierd en de regelgeving kan worden vereenvoudigd. Hierdoor kunnen de uitvoeringskosten flink worden verlaagd. Nadeel daarvan is dat wellicht de risico’s van misbruik of oneigenlijk gebruik van gemeentelijke middelen toenemen. Het is aan het bestuur om daarin afwegingen te maken. Gelet op het feit dat het over besteding van overheidsgelden gaat, gelden daarbij wel de minimale vereisten van 'prestatie' en 'transparant'.

Om de beheerskosten structureel te verlagen is het ook mogelijk om het verstrekken van financiële middelen te laten lopen via welzijnsinstellingen. Globaal ontvangen deze instellingen zo’n 10% van de verstrekte budgetten als beheerskostenvergoeding van de stadsdelen. Zonder dat we dat precies hebben berekend, denken wij dat de beheerskosten van de stadsdelen (inclusief de kosten van het subsidiebureau) bij dergelijke kleine subsidies aanzienlijk hoger zullen zijn. Echter aan deze oplossing zitten ook principiële kanten die ter beoordeling zijn van het bestuur. In hoofdstuk 5 over rechtmatigheid komen we daarop terug.

Welzijnsinstellingen
Ook zijn er welzijnsinstellingen die in de vorm van budgetten uitkeringen doen aan buurtbewoners voor het organiseren van bewonersinitiatieven. We hebben gezien dat de stadsdelen circa 10% uitvoeringskosten vergoeden. Het stadsdeel geeft aan dat deze 10% concreet bedoeld is voor de extra kosten voor administratieve verwerking. Een ander deel van de kosten voor de begeleiding van bewonersinitiatieven en de regiegroepen wordt vergoed via subsidie aan het Huis van Wijk zelf. Uit doelmatigheidsoverwegingen bespreken we hier onder enkel de kostenvergoeding voor administratieve verwerking. Bewonersorganisatie Eigenwijks onderschrijft dit.

In stadsdeel Nieuw-West is in 2017 aan de bewonersorganisatie Eigenwijks € 33.311 aan uitvoeringskosten vergoed.  Eigenwijks heeft in 2017 366 initiatieven gefinancierd. Dit betekent dat gemiddeld per initiatief de uitvoeringskosten € 91 hebben bedragen.

Aan de welzijnsinstelling Combiwel is er € 11.317 aan uitvoeringskosten vergoed via de subsidie aan bewonersorganisatie Eigenwijks.  Combiwel heeft 260 initiatieven behandeld in 2017. Dit betekent dat gemiddeld per initiatief de uitvoeringskosten zo'n € 44 hebben bedragen. Dit is in vergelijking met Eigenwijks opvallend weinig. Een verklaring hiervoor is dat de Combiwel ook initiatieven meetelt die géén aanspraak hebben gemaakt op het budget. Een andere verklaring kan zijn dat de verschillen in kosten liggen in afspraken over de begeleiding van de gezamenlijke regiegroepen.

Aan de Stichting Samenwonen Samenleven is € 8.304 aan uitvoeringskosten vergoed.  Stichting Samenwonen Samenleven heeft in 2017 circa 105 initiatieven behandeld. Dit betekent dat gemiddeld per initiatief de uitvoeringskosten zo'n € 79 hebben bedragen. Stichting Samenwonen Samenleven geeft aan dat de volgende activiteiten gefinancierd zijn met het budget voor de uitvoeringskosten:

  • Begeleiden bewoners bij aanvragen en verantwoording;
  • Beoordeling van aanvragen;
  • Administratiekosten: beheer budget bewonersinitiatieven, voorschotten verstrekken/facturen betalen, verwerking administratie en boekhouding, verwerken verantwoordingen van verslagen en archivering;
  • Bijwonen regiegroep vergaderingen.
  • Een tijdelijke oplossing voor het voorzitterschap van de regiegroep door deze in te vullen door een medewerker, kosten € 562,50.

In verhouding tot de verwachte verwerkings- en administratiekosten voor de subsidies zijn deze kosten laag. Een verklaring hiervoor is dat de beoordelingen door de bewoners zelf plaatsvinden. Zonder over actuele cijfers van de gemeente te beschikken concluderen we wel dat de werkwijze Nieuw-West op het vlak van verwerking aanmerkelijk goedkoper is dan de werkwijze via de subsidieregeling. Hierbij maken we wel de opmerking dat het de vraag is of de vergoeding die het stadsdeel hiervoor aan de instellingen geeft (10%) toereikend is om alle kosten te dekken. Er bestaat een mogelijkheid dat de welzijnsinstelling de hogere kosten voor eigen rekening neemt en dekt uit gesubsidieerde activiteiten waarvan de kosten lager uitvallen. Er is dan feitelijk sprake van kruissubsidiering binnen de welzijnsinstelling.

Verder wordt opgemerkt dat indien welzijnsinstellingen de budgetten verstrekken aan initiatieven het stadsdeel een toezichtregime moet ontwikkelen om te kunnen bijsturen op het moment dat er ontwikkelingen plaatsvinden die het stadsdeel niet wenselijk vindt. Het stadsdeel is in deze constructie wel systeemverantwoordelijke. Bij het stadsdeel Nieuw-West wordt geregeld, circa eens per twee jaar, een enquête onder regiegroepsleden gehouden. Daarbij wordt nagegaan of het systeem goed werkt, gewenste verbeteringen zijn doorgevoerd en of nieuwe kaders zouden moeten worden ontwikkeld. Doordat gebiedsmakelaars veelal ook de bijeenkomsten van de regiegroepen bijwonen, heeft het stadsdeel ook tussentijds zicht op de ontwikkelingen met betrekking tot de buurtinitiatieven. Ook aan deze taken zijn kosten verbonden die bij een doelmatigheidsbeoordeling moeten worden betrokken.

Kosten voor stimulerings- en ondersteuningsactiviteiten
Gemeente
De stadsdelen hebben de opdracht gekregen om ruimte te bieden aan maatschappelijke en bewonersinitiatieven en zo nodig ondersteuning te verlenen en initiatieven te stimuleren. Deze taak ligt voor een groot deel bij de gebiedsmakelaars van de gebiedsteams en maakt onderdeel uit van hun reguliere taak. De gebiedsmakelaars zijn voor buurtbewoners, lokale samenwerkingsverbanden en sociale ondernemers vaak het eerste aanspreekpunt binnen het stadsdeel. Hoeveel tijd er aan deze activiteiten wordt besteed en wat daar de kosten van zijn, is niet bekend. Wel hebben we in het onderzoek gezien dat stadsdelen met betrekking tot ondersteuningsactiviteiten een verschillend beleid voeren. Zo kiezen sommige stadsdelen er voor altijd direct door te verwijzen naar welzijnsinstellingen en zelf geen adviezen aan initiatiefnemers te verstrekken. Dit doet men om op een later tijdstip een onafhankelijk oordeel te kunnen vormen over de subsidieaanvraag.  Dit argument kunnen we billijken. De kosten van het stadsdeel zelf zullen vermoedelijk lager zijn als de ondersteuningstaak geheel of grotendeels uitbesteed is aan maatschappelijke organisaties. Er ontbreken echter cijfers om dit objectief vast te stellen. Het doorverwijzen naar welzijnsinstellingen heeft wellicht wel als nadeel dat de gebiedsmakelaars minder contacten hebben met potentiele initiatiefnemers waardoor de gebiedsmakelaar minder de 'ogen en de oren in het gebied' kan zijn. 

Welzijnsinstellingen
De meeste stadsdelen verstrekken aan één of enkele maatschappelijke organisaties subsidie om initiatiefnemers te ondersteunen. De gebiedsmakelaars kunnen in die gevallen voor ondersteuningsvragen doorverwijzen naar die organisaties. De volgende organisaties (tabel 4.9) kunnen door de gebiedsmakelaars worden ingeschakeld om initiatieven te ondersteunen. We kunnen ons voorstellen dat de stadsdelen soms deze opdracht geven, maar dat dat dan wel ten laste moet gaan van een bestaand budget. Hierdoor is het moeilijk inzicht te krijgen in de kosten.

Tabel 4.9 - Overzicht ondersteunende organisaties per stadsdeel
StadsdeelOndersteunende organisatieSubsidiebedrag 2017
CentrumStichting DockOnbekend, niet gespecificeerd in het activiteitenplan / begroting voor 2017.
NoordDock, Civic en DorasTezamen € 150.000 volgens ons interview met vertegenwoordigers van het stadsdeel.
OostWijkopbouworgaan Oost (€ 0 verleend dit jaar, wel actief), Dynamo (€ onbekend), Civic Post Oost (Wijkkunde) (€ 19.000 versterken vrijwillige inzet en informele netwerken + € 40.000 activering, participatie activiteitenkosten + € 30.000 activering, participatie kosten participatiecentrum = € 89.000) € 134.000
WestCombiwel / ABC Alliantie€ 10.000 
Nieuw-WestEigenwijks en Impuls (€ 33.311) , Stichting Samenwonen Samenleven (€ 8.304), Combiwel
(€ 11.317 via subsidie aan Eigenwijks) , HvA BOOT
(€ 10.000) 
€ 62.932
ZuidOnbekend 
ZuidoostPOZO (€ 317.500  waarvan een onbekend bedrag specifiek voor ondersteuning aan initiatiefnemers), PBAZO (€ 175.000) ,  en Venzo (€ 81.765 voor informatie, advies en ondersteuning waarvan een onbekend bedrag specifiek voor ondersteuning aan initiatiefnemers) , HvA BOOT (€ 5.000) € 575.500

Interessant is dat Combiwel rapporteert 3.772 uur te hebben besteed aan het ondersteunen van bewonersinitiatieven.  Dit komt neer op zo'n 14 uur per initiatief. Het stadsdeel geeft aan dat Combiwel doorgaans ook uren rapporteert die worden besteed aan het ondersteunen van initiatieven die géén financiële bijdrage krijgen. Het werkelijke aantal uren besteedt per initiatief is daarom (iets) lager. Het is niet duidelijk welke activiteiten allemaal vallen onder het 'ondersteunen van bewonersinitiatieven'. Waarschijnlijk valt onder het 'ondersteunen van bewonersinitiatieven' ook hulp bij het uitvoeren gezien het hoge aantal uren. Andere welzijnsinstellingen maken dergelijke uren niet afzonderlijk inzichtelijk.

De ondersteuning verloopt veelal via de Huizen van de Wijk. Deze stellen eventueel ook (kantoor)ruimte beschikbaar. De instellingen ondernemen geregeld ook activiteiten om initiatieven te stimuleren. Uit gesprekken met verschillende organisaties kwam naar voren dat initiatieven behoefte hebben aan uiteenlopende vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld bij het uitwerken van een plan, het betrekken van andere bewoners of partijen, communicatie, organisatie of de financiering. Het komt ook voor dat het budget voor de initiatieven wordt beheerd door een ondersteunende organisatie. De kosten zijn mede afhankelijk van de ondersteuningsactiviteiten die men verleend. Voor sommige initiatiefnemers is de drempel om bij een stadsdeel om ondersteuning te vragen te hoog. Zij willen zich dan eerst oriënteren bij zo'n ondersteunende organisatie alvorens een subsidieverzoek te doen bij het stadsdeel.

Het aanbieden van ondersteuningsfaciliteiten via welzijnsinstellingen kan doelmatig zijn omdat de ondersteuning geprofessionaliseerd kan worden en de opgebouwde kennis eenvoudiger kan worden gedeeld en toegepast. Via het activiteitenplan en de subsidiebeschikking worden tussen het stadsdeel en de organisaties die initiatiefnemers ondersteunen afspraken gemaakt over de aard en de omvang van die ondersteuningsfaciliteit. Dit inzicht biedt elk stadsdeel mogelijkheden om de doelmatigheid van de dienstverlening te beoordelen, bijvoorbeeld door de omvang en kwaliteit van de dienstverlening van de verschillende organisaties met elkaar te vergelijken. Voor zover we konden nagaan, is dit nog niet gebeurd.

Deelconclusie

Ambtelijke kosten voor subsidieverstrekking onbekend
De gemiddelde ambtelijke kosten voor subsidieverstrekkingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven zijn niet bekend. Omdat het om relatief veel kleine subsidies gaat zullen de uitvoeringskosten relatief hoog zijn. Uit doelmatigheidsoverwegingen zou bekeken kunnen worden of door een andere werkwijze de uitvoeringskosten niet zouden kunnen worden verlaagd, bijvoorbeeld door verstrekking via welzijnsinstellingen. Echter aan iedere werkwijze kleven voor- en nadelen en zonder objectieve gegevens over de uitvoeringskosten bij verschillende varianten is het moeilijk om een verantwoorde keuze te maken.

Welzijnsinstelling versus ambtelijk apparaat
Ook ten aanzien van de ondersteuning van initiatiefnemers zien we dat de stadsdelen dit voor een deel onderbrengen bij maatschappelijke organisaties. Dit kan doelmatig zijn omdat hierdoor specialisatie mogelijk is. Ook heeft dat als voordeel dat bij de subsidiebeoordeling de gemeente meer onafhankelijk is. Door de prestaties van maatschappelijke organisaties met elkaar te vergelijken is het mogelijk om de doelmatigheid te beoordelen. Dergelijke beoordelingen hebben we in ons onderzoek echter niet aangetroffen.

Doelmatigheidsbeoordeling op niveau van het initiatief

Inleiding

De vraag of de activiteiten voldoende bijdragen aan de doelen van de gemeente en het stadsdeel is behandeld in hoofdstuk 3. In deze paragraaf stellen we de vraag of het stadsdeel aandacht besteedt aan de kosteneffectiviteit van een initiatief, dat willen zeggen beoordeelt zij of het aangevraagde subsidiebedrag in redelijke verhouding staat tot de uit te voeren activiteiten.  Om deze vraag te beantwoorden hebben we eerst gekeken naar welke activiteiten en kosten in aanmerking komen voor subsidie. De stadsdelen hebben daarin verschillende keuzes gemaakt. Vervolgens zijn we nagegaan of de stadsdelen (bij subsidie) of welzijnsinstellingen (bij budgetten) procedures hebben om te borgen dat er een goede doelmatigheidsbeoordeling plaatsvindt.

Kosten die (niet) voor vergoeding in aanmerking komen

De stadsdelen hebben in de subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven regels opgenomen ten aanzien van welke kosten niet in aanmerking komen voor vergoeding.

Kosten maatschappelijke initiatieven
Vijf stadsdelen hebben inmiddels een subsidieregeling maatschappelijke initiatief.  In algemene termen kan worden gesteld dat kosten subsidiabel zijn als ze samenhangen met een subsidiabele activiteit. De stadsdelen Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost hebben in de subsidieregeling aangegeven dat een aanvraag die is bedoeld om alleen het duurzame voortbestaan van een organisatie te garanderen niet in aanmerking komt voor subsidie. Ook hebben de stadsdelen geregeld dat maatschappelijke initiatieven geen subsidie ontvangen als de activiteiten slechts commerciële doeleinden hebben (Noord, Oost, West en Zuidoost). Bij stadsdeel Zuid wordt subsidie geweigerd als de activiteiten slechts of voor het overgrote deel commerciële doeleinden hebben. Verder vergoeden stadsdelen geen activiteiten als de activiteiten slechts gericht zijn op vermaak. Daarnaast kan een subsidie worden geweigerd als voor de financiering van de activiteit een andere gemeentelijke regeling bestaat.

Stadsdeel Oost stelt als aanvullende weigeringsgrond dat als het aangevraagde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de duur, het bereik en het te verwachten effect of resultaat van de activiteit, de subsidie gedeeltelijk geweigerd kan worden.

Kosten bewonersinitiatieven -subsidies
Met uitzondering van stadsdeel Nieuw-West hebben alle stadsdelen inmiddels een subsidieregeling bewonersinitiatieven. In alle subsidieregelingen is aangegeven welke activiteiten subsidiabel zijn.  Over het algemeen zijn veel kosten die samenhangen met die activiteit subsidiabel, tenzij voor de financiering van deze activiteit een andere gemeentelijke regeling bestaat.  Bij vijf van de zes stadsdelen zijn de kosten van professionals vaak slechts subsidiabel als de activiteit professionele inzet vereist. Stadsdeel Zuid kan de subsidie (deels) Niet-subsidiabele kosten bewonersinitiatieven weigeren als meer dan 10% van het gevraagde bedrag bestemd is voor professionele ondersteuning.  De stadsdelen hebben daarnaast nog andere kosten uitgezonderd (zie informatiekader).

Niet-subsidiabele kosten bewonersinitiatieven
  • personele kosten, tenzij de uitvoering van de activiteit professionele inzet vereist. (Centrum, Noord, Oost, West, Zuidoost); 
  • kosten van een professional met een commercieel uurtarief in plaats van een maatschappelijk uurtarief (Noord); 
  • organisatiekosten waarvoor meer dan 20% van het aangevraagde bedrag begroot is (Noord); 
  • excursiekosten zonder een educatief doel (Noord); 
  • kosten voor sport- of kunstbeoefening, of fysieke of groene kostenposten, tenzij deze onderdeel uitmaken van een sociale activiteit en dit is afgestemd met de gebiedsmakelaar of wijkbeheer (Noord); 
  • vrijwilligersvergoedingen (Noord); 
  • kosten voor beheer en onderhoud (Noord); 
  • huisvestingskosten (Oost); 
  • kosten voor de aanschaf voor duurzame materialen (Zuidoost).

Kosten bewonersinitiatieven – budgetten
Stadsdeel Nieuw-West heeft geen subsidieregeling bewonersinitiatieven, maar subsidieert de welzijnsinstellingen om budgetten te verstrekken aan buurtinitiatieven. Voor deze activiteit heeft het stadsdeel het kader bewonersinitiatieven 2013 vastgesteld, waarin onder meer is geregeld dat geen financiële bijdrage kan worden verstrekt voor vrijwilligersvergoedingen.
Welke kosten wel en welke kosten niet voor een financiële bijdrage in aanmerking komen, hangt verder af van de criteria die zijn vastgesteld door de regiegroepen.  Veelal wordt de eis gesteld dat de gevraagde bijdragen reëel zijn en in verhouding staan tot de duur, het bereik en het te verwachten effect of resultaat van de activiteit (Osdorp, Osdorp West De Aker, Slotermeer, Slotervaart Zuid, Sloten en Nieuw Sloten).  Afhankelijk van de regiegroep zijn vergoedingen voor consumpties, Niet of gedeeltelijk subsidiabele kosten bewonersinitiatieven vrijwilligers, professionals en huisvestiging uitgesloten, gemaximeerd of aan regels verbonden. Daarnaast hebben specifieke regiegroepen nog specifieke kostensoorten uitgezonderd (zie informatiekader).

Niet of gedeeltelijk subsidiabele kosten bewonersinitiatieven

Met behulp van de vaststellingsdocumenten van de regiegroepen en de aanvraagformulieren die per regiegroep kunnen verschillen, is het volgende overzicht samengesteld. 

Consumpties, tenzij de regiegroep anders beslist (Geuzenveld, Slotermeer, Osdorp West en De Aker).  Kosten voor eten en drinken moeten een reëel onderdeel uitmaken van de aanvraag (Osdorp, Osdorp West De Aker).  Eten en drinken in een aanvraag wordt enkel gehonoreerd als het eten een middel is om een doel te bereiken en niet het doel op zich (Slotermeer).  Kosten voor eten en drinken moeten functioneel en redelijk zijn en mogen in principe niet meer dan 7% van het aangevraagde bedrag zijn, met een maximum van 200 euro (Slotervaart Noord).  De regiegroep bepaalt hoeveel procent van het bedrag aan eten en drinken mag worden besteed, tot een maximum van €250 (Slotervaart Zuid).  Geen koffie/thee vergoedingen, met uitzondering van leider / docent activiteit (Sloten en Nieuw-Sloten). 

Verbruiksartikelen of hobbymateriaal, tenzij de regiegroep anders beslist (Osdorp en De Aker). 

Promotiemateriaal wordt tot maximaal € 75 vergoed (Slotervaart Zuid). 

Vrijwilligersvergoedingen worden niet gefinancierd (Slotervaart Zuid).  Vrijwilligersvergoedingen in de vorm van geld worden niet gefinancierd, in de vorm van een cadeaubon wel, mits de naam van de vrijwilliger vooraf bekend is bij de opbouwwerker (Slotermeer).  Vrijwilligersvergoedingen zijn niet subsidiabel, een reële onkostenvergoeding wel (Osdorp, Osdorp West De Aker).  Vrijwilligersvergoeding van € 4,50 per dagdeel voor vrijwilligers of docenten (Sloten en Nieuw-Sloten).  Cadeaubonnen aan professionals en vrijwilligers, max. € 20 (Slotervaart Noord).  Professionals mogen maximaal € 35 per uur (incl. BTW) declareren (Slotervaart Noord). Maximum uurtarief voor inhuur professional is €50,- per uur (Slotervaart Zuid). 

Huisvestingskosten, tenzij er een gegronde reden is waarom de activiteit niet in het Huis van de Wijk kan plaatsvinden (Osdorp, Osdorp West De Aker, Sloten en Nieuw Sloten, Slotermeer, Slotervaart Zuid). 

Overheadkosten (Osdorp, Osdorp West De Aker). 

Commerciële activiteiten (Slotervaart Noord). 

Bijdrage van maximaal € 10 per deelnemer bij een eenmalige activiteit, bij een doorlopende activiteit maximaal € 100 per deelnemer per jaar. In uitzonderlijke gevallen kan de regiegroep hiervan afwijken (Sloten en Nieuw-Sloten). 

Bijdrage buurtfeest, maximaal € 350 (Slotervaart Noord)  of maximaal € 500 (Slotervaart Zuid). 

Uit het kader blijkt dat in afwijking van het kader bewonersinitiatieven 2013 het in de meeste wijken toch mogelijk is om een financiële bijdrage te krijgen voor vrijwilligersvergoedingen.

Deelconclusie
In de subsidieregelingen hebben de stadsdelen voor zowel maatschappelijke als bewonersinitiatieven aangegeven welke activiteiten voor een subsidie in aanmerking komen. Voor beide initiatieven geldt dat deze niet subsidiabel zijn als er een andere gemeentelijke regeling bestaat, ze slechts gericht zijn op vermaak of een commercieel doel hebben.

Voor bewonersinitiatieven hebben alle stadsdelen voor de kostencategorie professionals regels gesteld in hoeverre deze kosten subsidiabel zijn. Ook voor andere kostencategorieën zijn door individuele stadsdelen voor bewonersinitiatieven nog een aantal regels gesteld. Stadsdeel Noord is daar het meest specifiek in. Voor maatschappelijke initiatieven worden daarentegen nauwelijks specifieke kostencategorieën voor subsidies uitgesloten.

Bewoners van Nieuw-West hebben met meer gedetailleerdere regels te maken als het gaat om welke kosten voor een financiële bijdrage in aanmerking komen. Afhankelijk van de regiegroep zijn de vergoedingen voor consumpties, vrijwilligers, professionals en huisvestiging uitgesloten, gemaximeerd of aan regels verbonden.

De manier van beoordelen

In deze paragraaf gaan we na of de stadsdelen (bij subsidie) of welzijnsinstellingen (bij budgetten) procedures hebben om te borgen dat er een goede doelmatigheidsbeoordeling plaatsvindt. Hierbij gaat het om de vraag: Worden kostenposten beoordeeld naar redelijkheid ten aanzien van de omvang van het initiatief?

Beoordeling doelmatigheid van initiatieven binnen de gemeente
Alle subsidieaanvragen komen binnen bij het Subsidieloket. Het Subsidiebureau heeft vervolgens de taak om te beoordelen of alle gevraagde documenten zijn meegezonden. Zo niet dan zal het Subsidiebureau de subsidieaanvrager verzoeken de ontbrekende stukken alsnog in te zenden. Bij subsidies boven de € 50.000 voert het Subsidiebureau standaard ook een analyse uit op de financiële documenten. De resultaten van deze analyse worden in het Subsidiebeheersysteem (SBS) vastgelegd met eventueel een advies voor de beleidsinhoudelijke afdeling of het stadsdeel. Bij grotere instellingen wordt via een score ook het risicoprofiel aangegeven. Bij de aanvragen van maatschappelijke en bewonersinitiatieven gaat het grotendeels om aanvragen beneden de € 50.000. De werkzaamheden van het subsidiebureau zijn derhalve beperkt. Dit betekent dat het beoordelen van de subsidieaanvragen zowel inhoudelijk als qua kosten binnen het stadsdeel zou moeten plaatsvinden. In onze gesprekken met het subsidiebureau en de stadsdelen hebben we een beeld verkregen hoe dat veelal verloopt:

  • Het subsidiebureau kent aan alle subsidieaanvragen een uniek zaaknummer toe. Nadat het subsidiebureau heeft beoordeeld dat alle voorgeschreven documentenaanwezig zijn stuurt het de subsidieaanvraag door naar het stadsdeel.
  • Binnen het stadsdeel vindt in eerste aanleg de beoordeling van de aanvraag plaats door de betrokken gebiedsmakelaar, veelal ondersteund door een gebiedsondersteuner of medewerker uit de gebiedspool.
  • In gevallen dat er twijfel bestaat over of en in hoeverre het initiatief moet worden gesubsidieerd vindt overleg plaats met de gebiedsmanager. Bij bijzondere of principiële kwesties wordt de aanvraag besproken met een lid van het dagelijks bestuur of expliciet ter besluitvorming voorgelegd aan het dagelijks bestuur.
  • Vervolgens wordt er een beschikking opgesteld. Deze moet door een daartoe gemandateerde functionaris (veelal de gebiedsmanager of de manager van de gebiedspool) worden ondertekend.
  • Het Subsidiebureau is belast met de procesbewaking en zorgt voor verzending en de uitbetaling van de subsidie.

Het proces wordt grotendeels ondersteund door het SBS, een workflow managementsysteem. In dit systeem moeten ook alle documenten opgeslagen worden.

De werkwijze binnen de stadsdelen betekent veelal dat bij de Het vierogenprincipebeoordeling van de subsidieaanvraag het vierogenprincipe wordt toegepast. Dat wil zeggen dat de aanvragen door (tenminste) twee medewerkers worden beoordeeld.

Het vierogenprincipe

De rekenkamer acht het van groot belang dat elke subsidieaanvraag door minstens twee personen wordt beoordeeld. Pas wanneer beiden het eens zijn over de beslissing zou de subsidie verleend, deels verleend of geweigerd mogen worden. Het vierogenprincipe is niet alleen een borg op een juiste beoordeling, maar ook een maatregel die ervoor moet zorgen dat de beoordelaar niet in een gevoelige positie terecht kan komen in relatie tot de aanvrager.

De stadsdelen hebben nauwelijks specifieke procedures of instructies opgesteld voor het beoordelen van de subsidieaanvragen van de maatschappelijke en bewonersinitiatieven.  Dit betekent dat de gebiedsmakelaars- en ondersteuners het moeten doen met de regels zoals die zijn vastgelegd in de subsidieregelingen. In hoeverre dat ook altijd gebeurt, is aan de hand van de subsidiedossiers niet altijd vast te stellen.

Ter ondersteuning van de subsidiebehandelaars is het handig om handreikingen te ontwikkelen waarin tips zijn vastgelegd hoe te handelen bij een subsidieaanvraag. Aspecten die daarbij aan de orde kunnen komen zijn:

  • 'In welke gevallen schaal je een subsidieaanvraag op?'
    Hierbij gaat het om de vraag wanneer en hoe een subsidiebehandelaar het afdelingshoofd, het betrokken lid van het dagelijks of het dagelijks bestuur moet betrekken bij een subsidieaanvraag.
  • 'Hoe kan de doelmatigheid worden beoordeeld?'
    Te denken valt om de aanvraag te vergelijken met soortgelijke aanvragen of met aanvragen uit het verleden. Verder kan worden gedacht om offertes op te vragen van de grotere kostenposten. Voor de beoordeling is het ook mogelijk om bijvoorbeeld systematisch na te gaan wat de kosten per deelnemer zijn.
  • 'Wie kan worden benaderd voor specifieke vragen?
    Het is handig om over een overzicht van namen van ambtenaren te beschikken die kennis hebben van beleidsinhoudelijke, financiële en juridische zaken in relatie tot maatschappelijke en bewonersinitiatieven. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan ambtenaren binnen het stadsdeel, maar ook bij de directies.
  • 'Hoe te handelen als de beoordelaars twijfel hebben over de uitvoerbaarheid van het initiatief, terwijl de aanvraag verder wel aan alle voorwaarden voldoet?'
    Moet er een nadere onderbouwing komen? Moet in de subsidiebeschikking extra voorwaarden worden gesteld Wettelijke grondslag voor het toetsen van de deskundigheid van de aanvrager (bijvoorbeeld ten aanzien van het financieel beheer van het initiatief) of moet de subsidieaanvraag worden afgewezen? In het uitklapkader is aangegeven op welke gronden de aanvraag kan worden afgewezen.
Wettelijke grondslag voor het toetsen van de deskundigheid van de aanvrager

De Awb kent de mogelijkheid om een subsidie (preventief) te weigeren als de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.   Deze grond geldt niet alleen bij te verwachten subsidiefraude (kwade trouw), maar ook als de aanvrager te goeder trouw is, maar deze de deskundigheid, capaciteit of bekwaamheid mist om de activiteiten te verrichten of aan zijn verplichtingen te voldoen. Deze weigeringsgrond kan niet worden ingeroepen als een professionele derde kan instaan voor de nakoming van de verplichtingen. 

Aanvullend bevat de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 de bepaling dat als er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet de capaciteiten heeft om de activiteiten naar behoren uit te voeren (…) het college de subsidie geheel of gedeeltelijk kan weigeren. 

Ook andere wetten, waaronder de Wmo 2015  en de jeugdwet , kennen een bekwaamheidstoets. Zo wordt als voorwaarde voor het toekennen van een persoonsgebonden budget (pgb) gesteld dat de cliënt of zijn omgeving naar het oordeel van het college voldoende in staat zijn om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het is vervolgens aan het college om deze voorwaarden over de bekwaamheid nader te concretiseren en te beoordelen.

Subsidiering specifieke kostenposten
De subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven geven voor enkele kostenposten specifieke regels. Deze kunnen per stadsdeel en per regeling verschillen. In de praktijk blijken bij de volgende kostenposten zich soms problemen voor te doen.

  • Vergoedingen voor initiatiefnemers;
  • Vergoedingen voor professionele inzet;
  • Vrijwilligersvergoedingen;
  • Vergoedingen voor materiële zaken.

De eerste drie kostenposten gaan over hoe hoog de vergoedingen mogen zijn voor aan de initiatieven bestede tijd. De laatste gaat over de kosten van bijvoorbeeld duurzame hulpmiddelen die initiatiefnemers nodig hebben om het initiatief te kunnen ontwikkelen en uit te voeren.

Hieronder beschrijven we hoe de stadsdelen en een welzijnsinstelling in stadsdeel Nieuw-West doorgaans met deze posten omgaan.

Vergoedingen voor initiatiefnemers, professionele inzet en vrijwilligerswerk
Is het te verantwoorden dat initiatiefnemers een vergoeding voor hun eigen inzet opnemen in de begroting voor het initiatief?
In de subsidieregelingen voor bewonersinitiatieven hebben alle stadsdelen geregeld dat als uitgangspunt personeelskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Vergoeding is alleen mogelijk als professionele inzet vereist is.  Uit de gekozen formulering maken we op dat in zijn algemeenheid de initiatiefnemers en de vrijwilligers bij bewonersinitiatieven geen vergoeding ontvangen voor de door hen bestede tijd. Een expliciete vermelding dat aan initiatiefnemers geen vergoeding wordt betaald is evenwel niet in de regeling opgenomen.

De tegenstanders om initiatiefnemers voor hun inzet te belonen, wijzen erop dat het verlenen van subsidie zo verandert in een vorm van inkoop of aanbesteding. De voorstanders vinden het gerechtvaardigd dat iemand die zich inzet voor de maatschappij ook vergoed wordt voor de tijd en inspanning die het kost. Het komt dan ook voor dat stadsdelen vergoedingen verstrekken aan initiatiefnemers voor hun inzet. Als Regels van de Belastingdienst voor onbelaste vrijwilligersvergoedingen praktische oplossing heeft stadsdeel Zuidoost gekozen om eventueel de te besteden tijd te vergoeden volgens de regeling van de belastingdienst voor onbelaste vrijwilligersvergoedingen. 

Regels van de Belastingdienst voor onbelaste vrijwilligersvergoedingen

Een vrijwilliger ontvangt volgens afspraak voor zijn inzet per uur een vergoeding die niet hoger is dan € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Deze maximumbedragen gelden voor het totaal van de vergoeding voor de inzet. Voor mensen jonger dan 23 jaar, met een bestandsuitkering of situaties waarbij geen afspraken zijn gemaakt over de vergoeding per uur, gelden afwijkende regels.

Omdat het om veelal om kleinere subsidies gaat van beneden de € 5.000 is er veelal geen verplichting om na afloop van het initiatief een financiële verantwoording in te dienen. Hierdoor is het niet of beperkt mogelijk om achteraf de doelmatigheid te beoordelen.  Ook is niet bekend welk bedrag in werkelijkheid is betaald voor de inzet van de initiatiefnemers.

Bij de subsidieregelingen maatschappelijke initiatief is niets geregeld ten aanzien van het vergoeden van personeelskosten. De aanvragen komen zowel van kleine als grote samenwerkingsverbanden. De grotere maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers brengen meestal ook vergoedingen voor hun professionele inzet in rekening. Bij kleinere initiatieven wordt soms wel en soms niet een vergoeding voor de initiatiefnemers in de subsidieaanvraag opgenomen. Wanneer de initiatiefnemer voor zijn initiatief een professional inhuurt worden deze kosten uiteraard wel in de aanvraag opgenomen. Inhuur vindt bijvoorbeeld plaats omdat de initiatiefnemer zelf onvoldoende tijd of expertise heeft. Of de bestede tijd van initiatiefnemers wordt vergoed, hangt volgens de stadsdelen sterk af van de motivatie. Daarbij rijst de vraag wat de orde van grootte mag zijn voor een dergelijke vergoeding. We hebben geen richtlijnen bij de stadsdelen of op stedelijk niveau aangetroffen op basis waarvan de subsidiebeoordelaars de redelijkheid van die bedragen kunnen toetsen.

Bij initiatieven van € 5.000 en meer is er een verplichting om een verantwoordingsverslag en een financiële verantwoording in te dienen. Dit biedt aanknopingspunten om ook achteraf de doelmatigheid te beoordelen en inzicht te krijgen wat er is uitbetaald aan de initiatiefnemers. Bij initiatieven beneden de € 5.000 behoeven de initiatiefnemers geen financiële verantwoording af te leggen. De gemeente heeft derhalve geen inzicht in waar het subsidie in werkelijkheid aan is besteed en het eventuele batige saldo. 

Vergoedingen voor materiële zaken
Soms hebben initiatiefnemers bepaalde materiële zaken nodig om hun initiatief tot een succes te brengen. Denk aan camera's en apparatuur voor het maken van een reeks informatieve video's ten behoeve van de buurt. Mag dit vergoed worden onder de regelingen? Veel stadsdelen staan hier huiverig tegenover. In stadsdeel Nieuw-West mogen duurzame materiële zaken onder goede motivatie wél worden aangeschaft, onder voorwaarde dat ze na afloop van het initiatief onder het beheer van het lokale Huis van Wijk worden gebracht. Mocht er een ander initiatief plaatsvinden wat dezelfde materialen nodig heeft dan mogen ze deze van het Huis van Wijk in bruikleen nemen.

Hoewel de subsidiebeoordelaars slechts weinig richtlijnen hebben meegekregen om de doelmatigheid te beoordelen, zien we wel dat in een aantal gevallen subsidieaanvragen zijn gekort omdat aangevraagde kostenposten slechts gedeeltelijk zijn gehonoreerd. Hieruit zou de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er bij de stadsdelen naast een inhoudelijke beoordeling ook een beoordeling van de redelijkheid van de kosten plaatsvindt.

Beoordeling doelmatigheid van initiatieven door regiegroepen
Zoals vermeld beoordelen de regiegroepen de budgetaanvragen voor bewonersinitiatieven. Ze stellen zelf - binnen de kaders van het stadsdeel - nadere richtlijnen vast voor welke initiatieven in aanmerking komen voor ondersteuning en welke kosten kunnen worden vergoed. Alle regiegroepen hebben criteria vastgesteld welke kosten mogen worden vergoed. Voor de doelmatigheidsbeoordeling is veelal de bepaling opgenomen dat de kosten die gemaakt worden in verhouding moeten staan tot het aantal mensen dat wordt bereikt, de duur van de activiteit en het te verwachten resultaat. De richtlijnen kunnen per regiegroep verschillen en zijn vaak zeer gedetailleerd. Zo kennen sommige regiegroepen bijvoorbeeld de regel dat voor koffie en thee geen vergoedingen kunnen worden toegekend, terwijl dit bij andere regiegroepen wel mogelijk is, eventueel gekoppeld aan een maximum bedrag. Ook ten aanzien van vrijwilligersvergoedingen zijn er verschillende regels. De ene regiegroep heeft geregeld dat maximaal € 4,50 per dagdeel aan vrijwilligers of vrijwillige docenten kan worden toegekend, terwijl bij een ander regiegroep vrijwilligers geen vergoeding kunnen krijgen. Ook is er een regiegroep die voor de inhuur van professionals een maximum uurtarief heeft vastgesteld van € 50. Ten aanzien van inkomsten, zoals eigen bijdragen van deelnemers, is geregeld dat deze besteed dienen te worden aan de activiteit zelf. Verder hebben alle regiegroepen de eis dat achteraf een financiële verantwoording moet worden ingezonden. Op basis van onze dossieronderzoeken bij de welzijnsinstelling concluderen we dat de regiegroepen doorgaans serieus aandacht besteden aan de doelmatigheid van de initiatieven.

Volgens een gebiedsmakelaar die regelmatig de bijeenkomsten van de regiegroepen bijwoont, kent de huidige systematiek ook nadelen. In het verleden werden buurtinitiatieven met een duidelijke meerwaarde voor de buurt wel eens afgekeurd omdat de activiteit niet paste binnen de zelf gestelde regels. Dit is daarna veelal opgelost door enkele regels weer af te schaffen. Ook is het voorgekomen dat het stadsdeel graag het initiatief gehonoreerd had willen zien maar dat de regiegroep de aanvraag toch afwees. Door de besluitvorming te beleggen bij de regiegroepen kan het stadsdeel niet meer zelf bepalen welke initiatieven wel en welke initiatieven niet worden gehonoreerd.

Deelconclusie

Grote verschillen ten aanzien van regels kostenvergoedingen
Bij subsidieaanvragen beneden de € 50.000 moeten de stadsdelen c.q. beleidsafdelingen zelf de kostenonderbouwing beoordelen.  In de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief zijn geen specifieke regels opgenomen over de kostensoorten die in aanmerking komen voor vergoeding. In de subsidieregelingen bewonersinitiatieven staan wel regels over welke kosten wel en niet in aanmerking komen voor vergoeding. De belangrijkste regels gaan over het vergoeden van diensten van de initiatiefnemers en vrijwilligers en de inzet van professionals. De stadsdelen hebben niet allemaal dezelfde regels. In de praktijk worstelen de subsidiebeoordelaars met hoe de regels moeten worden toegepast. De subsidiebeoordelaars hebben geen handreiking voor hoe zij een doelmatigheidsbeoordeling zouden moeten uitvoeren. Uit het feit dat subsidieaanvragen soms lager worden vastgesteld, veronderstellen we dat er wel beoordelingen plaatsvinden.

Het vierogenprincipe wordt niet altijd zichtbaar toegepast
We vinden het belangrijk dat de beoordelingen vanwege de objectiviteit op basis van het vierogenprincipe plaatsvinden. Dat wil zeggen dat er tenminste twee medewerkers het initiatief beoordelen. Naast een inhoudelijke beoordeling van het initiatief, zal ook moeten worden gekeken of het aangevraagde subsidiebedrag voldoende is onderbouwd en in redelijke verhouding is tot de duur, het aantal deelnemers en het te verwachten effect of resultaat van de activiteit. Uit interviews blijkt dat het vierogenprincipe veelal wordt toegepast. Dit blijkt evenwel niet altijd uit het subsidiedossier.

Weinig zicht op de besteding van gelden achteraf
Bij subsidies onder de € 5.000 is het inzenden van een financiële verantwoording niet verplicht op basis van de subsidieregelingen of ASA (het inzenden van een inhoudelijk verslag wel). Ook in de subsidiebeschikking wordt deze verplichting veelal niet opgelegd. Dit betekent dat er geen zicht is op de werkelijke besteding van de gelden. Dit vergroot het belang van de doelmatigheidsbeoordeling vooraf.

Conclusies ten aanzien van het systeem in Nieuw-West
In stadsdeel Nieuw-West beslissen regiegroepen, waarin bewoners zitting hebben, over het toekennen van budgetten aan bewonersinitiatieven. Iedere regiegroep heeft regels vastgesteld over welke kostensoorten vergoed kunnen worden. Deze regels zijn soms zeer gedetailleerd. Bij de budgetaanvragen voor buurtinitiatieven kijken de regiegroepen ook of de kosten in redelijke verhouding staan tot het aantal deelnemers, het te verwachten effect of resultaat van de activiteit én of voldaan wordt aan de specifieke regels voor de vergoedingen van de kosten. Achteraf moeten de initiatiefnemers zich ook financieel verantwoorden. De huidige systematiek met regiegroepen biedt een redelijke borg dat de budgetmiddelen doelmatig worden ingezet.

Het inzetten van regiegroepen heeft consequenties voor het stadsdeel. Doordat de besluitvorming over het toekennen van de buurtinitiatieven door de regiegroepen plaatsvindt, kan het stadsdeel niet meer zelf bepalen welke initiatieven zij wil honoreren via het budgetverstrekkingsproces. Wél kunnen initiatieven financieel ondersteund worden via andere middelen, indien deze beschikbaar zijn.

Inzet andere financieringsmiddelen

Inleiding

In notitie Ruimte voor maatschappelijk initiatief geeft de gemeente aan initiatiefnemers te willen ondersteunen bij het vinden van cofinanciering. Bij cofinanciering gaan initiatiefnemers op zoek naar andere geldbronnen (geen overheid). Dit kunnen corporaties zijn, crowdfunding, sponsoring, fondsen etc. Indien initiatiefnemers hun activiteiten gedeeltelijk op een andere wijze kunnen financieren, kan de gemeente meer initiatieven financieren. We gaan hierna in op de vraag: Wat zijn de mogelijkheden om initiatieven met andere dan gemeentelijke middelen te financieren en wat zijn daarvan de consequenties?

Hierbij zien we vier opties:

  • (Gedeeltelijke) financiering via het eigen vermogen van de initiatiefnemer
  • (Gedeeltelijke) financiering met bijdragen van andere organisaties
  • (Gedeeltelijke) financiering met bijdragen van de deelnemers
  • (gedeeltelijke) financiering via crowdfunding en sponsoring
Alternatieve financieringsmogelijkheden
  • (Gedeeltelijke) financiering via het eigen vermogen van de initiatiefnemers
    Artikel 9 lid 2.d van ASA maakt het mogelijk om een subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren als de subsidieaanvrager over voldoende gelden beschikt.
  • "Het college kan geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen als:
  • d. de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de activiteit te realiseren."
  • Het is van belang te realiseren dat het hier om een zogenoemde 'kan-bepaling' gaat. Het college hoeft de regel niet toe te passen. Ook al beschikt een subsidieaanvrager over (vrij) eigen vermogen, dan wil dat nog niet zeggen dat hij of zij bereid is om initiatief geheel of gedeeltelijk zelf te financieren. Indien van deze bepaling gebruikgemaakt wordt zal dit veelal vooraf moeten worden afgestemd met stadsdeelbestuur.
  • (Gedeeltelijke) financiering met bijdragen van andere organisaties
    Alle subsidieaanvragers zijn verplicht om te melden of er voor het initiatief ergens anders financiering is aangevraagd en voor welk bedrag (ASA, artikel 5.2c).  In het dossieronderzoek is de rekenkamer geen enkel dossier tegengekomen waarin een initiatief is geweigerd op basis van het verkrijgen van financiering elders. Gelet op de ontwikkeling van de charitatieve Vermogensfondsen bij de stadsdelen kunnen wij ons voorstellen dat in de toekomst deze fondsen ook initiatieven financieel ondersteunen.
  • (Gedeeltelijke) financiering met bijdragen van de deelnemers
    Bij bepaalde initiatieven zou het passend kunnen zou als aan de deelnemers van het initiatief een redelijke vergoeding wordt gevraagd. Dit kan het benodigde subsidiebedrag verlagen. Bij één van de regiegroepen hebben we een regel aangetroffen waarin expliciet is vermeld dat dergelijke inkomsten moeten worden besteed aan het initiatief zelf.
  • (Gedeeltelijke) financiering via crowdfunding en sponsoring
    In de bestuurlijke ambitie is toegelicht dat hiervoor in 2013 het crowdfunding- en crowdsoursingplatform voorjebuurt.nl is gelanceerd met steun van onder andere het ministerie van BZK en de gemeente Amsterdam. In ons dossieronderzoek hebben we geen initiatieven aangetroffen die op deze wijze gedeeltelijk zijn gefinancierd.

Om erachter te komen of een initiatief zou hebben plaatsgevonden zonder een financiële bijdrage van de gemeente of regiegroep, hebben we daarover in onze enquête onder initiatiefnemers een vraag gesteld. In tabel 4.10. zijn de uitkomsten samengevat.

Tabel 4.10 - 'Had uw initiatief ook door kunnen gaan zonder verleende subsidie of budget?'
 FrequentiePercentage
Ja31,9
Deels3220,6
Nee11674,8
Weet ik niet42,6
TOTAAL155 (n)100,0


Slechts 3 (1,9%) van de 155 respondenten geeft 'ja' als antwoord op de vraag of hun initiatief ook door had kunnen gaan zonder de verleende subsidie of het verleende budget. 32 respondenten (20,6%) geven aan dat hun initiatief 'deels' had kunnen doorgaan en bijna 75% van de respondenten geeft aan dat hun initiatief niet had kunnen bestaan of plaatsvinden zonder de verleende gelden.

Een relatief groot deel van de initiatiefnemers geeft aan dat de activiteit in een andere vorm doorgezet had kunnen worden. Daarbij speelt wellicht dat er in Amsterdam een groot scala aan charitatieve vermogensfondsen actief is waar het óók mogelijk is om budget te genereren voor een initiatief.

Als de initiatiefnemers ook andere fondsen hadden aangesproken, was er wellicht minder geld nodig geweest van de gemeente om de initiatieven te financieren. Daarbij komt als tweede voordeel dat de afhankelijkheidsrelatie tussen het stadsdeel en de initiatiefnemer wordt verkleind en het 'ecosysteem' wordt versterkt.  Behalve (sociaal)ondernemers, investeerders en kennisinstellingen beginnen de Vermogensfondsen een grote rol te krijgen in dit ecosysteem. Nadeel van deze ontwikkeling zou kunnen zijn dat initiatiefnemers met extra administratieve lasten wordt opgezadeld: het indienen van meerdere subsidieaanvragen en verantwoordingsverslagen.

Deelconclusie

Alternatieve financieringsmogelijkheden
Als initiatiefnemers er inslagen ook andere financieringsmiddelen te genereren, kunnen de stadsdelen met hetzelfde budget meer initiatieven financieel ondersteunen. Voor de initiatiefnemers heeft dat als voordeel dat zij minder afhankelijk worden van de gemeente. Nadeel kan zijn dat de administratieve lasten voor de initiatiefnemers toenemen als ze gebruik maken van meerdere financiële bronnen. De initiatiefnemers zullen hierdoor minder tijd kunnen besteden aan het organiseren van het initiatief zelf. De eis voor het verkrijgen van cofinanciering kan ook demotiverend werken.

Conclusies over doelmatigheid

Basisinformatievoorziening redelijk op orde
Uit onze enquête blijkt dat initiatiefnemers de benodigde subsidieregelingen kennen. Ook zoekt men informatie op via de bedoelde kanalen, en wordt deze informatie als nuttig bevonden.

Informatie is niet altijd vindbaar of begrijpelijk
Deze informatie is echter nog lang niet altijd even vindbaar of begrijpelijk. Onze respondenten ondervonden weleens problemen met het vinden en begrijpen van informatie. Initiatiefnemers in Nieuw-West ervaren minder (en minder grote) problemen met het vinden van informatie dan in de andere stadsdelen.

Hulpzoekers vinden de weg naar geboden ondersteuning
Initiatiefnemers lijken weinig moeite te hebben met het vinden van geboden ondersteuning. Onze respondenten vonden hulp bij het opstellen en formuleren van de aanvraag en hulp bij de begroting het meest nuttig, maar misten concrete hulpmiddelen zoals een voorbeeldaanvraag en beschikbaarheid van ondersteuning buiten kantooruren. Ook mist men hulp bij het invullen van de formulieren tijdens het insturen van de aanvraag.

Negatieve ervaringen gevoed door werkwijze stadsdelen
Twee derde van de respondenten kijkt (zeer) positief terug op de ervaring met het gehele subsidieproces, een derde kijkt (zeer) negatief terug. Interesse vanuit het stadsdeel wordt erg gewaardeerd. Negatieve ervaringen worden met name gevoed door de ervaren complexiteit van het proces, weinig interesse vanuit het stadsdeel en langzame besluitvorming door het stadsdeel. Ook tegenstrijdigheid in ontvangen informatie vanuit het stadsdeel draagt bij aan de negatieve ervaring. Initiatiefnemers in Nieuw-West kijken over het algemeen positiever terug op hun ervaringen en inspanningen dan initiatiefnemers uit de andere stadsdelen.

Op niveau van het initiatief: beoordeling van het initiatief
Ten aanzien van welke kosten wel of niet vergoed worden, bestaat enige verwarring. De stadsdelen hebben niet allemaal dezelfde regels. In de praktijk worstelen de subsidiebeoordelaars met de wijze waarop de regels moeten worden toegepast. De subsidiebeoordelaars hebben geen handreikingen van hoe zij een doelmatigheidsbeoordeling zouden moeten uitvoeren. Dit gebeurt momenteel op basis van ervaring. Uit het feit dat subsidieaanvragen soms lager worden vastgesteld, veronderstellen we dat er wel beoordelingen plaatsvinden. Uit interviews blijkt dat het vierogenprincipe veelal wordt toegepast. Dit blijkt evenwel niet altijd uit het subsidiedossier.

Financiële verantwoording
Bij subsidies onder de € 5.000 is het inzenden van een financiële verantwoording niet verplicht op basis van de subsidieregelingen of ASA. Ook in de subsidiebeschikking wordt deze verplichting veelal niet opgelegd. Dit betekent dat er geen zicht is op de werkelijke besteding van de gelden. Dit vergroot het belang van de doelmatigheidsbeoordeling vooraf.

Borg op doelmatig inzetten van middelen in Nieuw-West
In stadsdeel Nieuwe-West beslissen regiegroepen, waarin bewoners zitting hebben, over het toekennen van budgetten aan bewonersinitiatieven. Iedere regiegroep heeft regels vastgesteld over welke kostensoorten vergoed kunnen worden. Deze regels zijn soms zeer gedetailleerd. Bij de budgetaanvragen voor buurtinitiatieven kijken de regiegroepen ook of de kosten in redelijke verhouding staan tot het aantal deelnemers, het te verwachten effect of resultaat van de activiteit én of er voldaan wordt aan de specifieke regels voor de vergoedingen van de kosten. Achteraf moeten de initiatiefnemers zich ook financieel verantwoorden. De huidige systematiek met regiegroepen biedt een redelijke borg dat de budgetmiddelen doelmatig worden ingezet.

Nieuw-West: de invloed van regiegroepen op primaat van het stadsdeel
Het inzetten van regiegroepen heeft consequenties voor het stadsdeel. Doordat de besluitvorming over het toekennen van de buurtinitiatieven door de regiegroepen plaatsvindt, kan het stadsdeel niet meer zelf bepalen welke initiatieven zij wil honoreren via het budgetverstrekkingsproces. Wél kunnen initiatieven financieel ondersteund worden via andere middelen, indien deze beschikbaar zijn.

Alternatieven mogelijk voor financiering
Als initiatiefnemers erin slagen ook andere financieringsmiddelen te genereren, kunnen de stadsdelen met hetzelfde budget meer initiatieven financieel ondersteunen Voor de initiatiefnemers heeft dat als voordeel dat zij minder afhankelijk worden van de gemeente. Nadeel kan zijn dat de administratieve lasten voor de initiatiefnemers toenemen als ze gebruikmaken van meerdere financiële bronnen. De initiatiefnemers zullen hierdoor minder tijd kunnen besteden aan het organiseren van het initiatief zelf.

Rechtmatigheid maatschappelijke en bewonersinitiatieven

In dit hoofdstuk wordt de volgende vraag beantwoord:

In hoeverre worden de beschikbare middelen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven rechtmatig besteed?

Het rechtmatigheidsonderzoek - is het geld toegekend en besteed overeenkomstig het geldend recht - beperkt zich tot de financiële middelen die door of namens de gemeente ter beschikking zijn gesteld aan initiatiefnemers voor het realiseren van maatschappelijke en bewonersinitiatieven voor het jaar 2017. Initiatiefnemers kunnen zowel burgers zijn of (vrijwilligers)organisaties. Financiële middelen kunnen worden onderscheiden in subsidies en budgetten (zie Figuur 5.1). In het merendeel van de stadsdelen (5 van de 7) zijn in 2017 de financiële middelen aan de initiatiefnemers in de vorm van een subsidie ter beschikking gesteld.  Nieuw-West subsidieert welzijnsinstellingen die vervolgens regiegroepen laten beslissen over de toekenning van een budget aan een initiatiefnemer (zie paragraaf 2.3). Ook in de stadsdelen Noord en West wordt een deel van de financiële middelen voor bewonersinitiatieven via welzijnsinstellingen verstrekt.  

Figuur 5.1 - financiering initiatieven via subsidie of budget

Het onderscheid tussen beide vormen van financiering is relevant voor de rechten en de plichten die gelden voor de initiatieven. In paragraaf 5.1 zijn de regels uiteengezet die van toepassing zijn op subsidies (5.1.1) en budgetten (5.1.2). Voor de toetsing van de rechtmatige toekenning en besteding van de financiële middelen hebben 120 dossiers onderzocht en interviews afgenomen.

Voor wat betreft de aanvraagfase voor financiële middelen voor een initiatief hebben wij onderzoek gedaan naar het activiteitenplan respectievelijk het aanvraagformulier en het genomen besluit (zie paragraaf 5.2.1 en 5.2.2). Voor de verantwoordingsfase hebben wij het activiteitenverslag en de controle van verantwoorde kosten nader onderzocht (zie 5.2.3 en 5.2.4).

Van toepassing zijnde regels

Financiële middelen voor initiatieven zijn beschikbaar gesteld in de vorm van subsidies en in de vorm van een budget.

De regels voor het aanvragen, toekennen, uitvoeren, besteden en verantwoorden van de activiteiten en de financiële middelen hangen af van de vraag of de financiële middelen de vorm van een subsidie of budget aangevraagd zijn. In beide gevallen is er sprake van een gelaagde structuur van subsidieregels (zie Figuur 5.2).

Figuur 5.2 - van toepassing zijnde regels op subsidies en budgetten

Uit de figuur kan worden afgeleid dat initiatieven die via budget worden gefinancierd niet onderworpen zijn aan de Awb en de ASA. Deze regelgeving is voor de budgetten dus niet van toepassing.

Subsidieregels

Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat algemene regels van bestuurs(proces)recht, waaronder regels over subsidies. Hieruit volgen de rechten en verplichtingen voor zowel het college van B en W (of het algemeen bestuur van de bestuurscommissies tot 21 maart 2018  ) en zij die een subsidie hebben aangevraagd voor een activiteit. Op basis van een algemene overdrachtsbepaling ligt vanaf 21 maart 2018 de bevoegdheid bij het dagelijks bestuur van de stadsdelen.  Het is overigens juridisch nog wel aanvechtbaar of de bevoegdheid via deze weg toereikend is geregeld. Er is namelijk ook vastgelegd dat de bevoegdheid om subsidie te verlenen via een aparte stedelijk kader moet worden geregeld en dat is nog niet gebeurd.  Zonder de stelling te willen verdedigen dat er nu sprake is van een onrechtmatigheid, lijkt het ons toch netter om de bevoegdheden om subsidie te verlenen ook nog via die weg vast te leggen.

Deze rechten en plichten voor aanvragers en algemeen bestuur van de stadsdelen hebben betrekking op het aanvragen, verlenen, Awb: rechten en plichten verantwoorden, vaststellen en uitbetalen van subsidies. Ook regelt de Awb de rechtsbescherming in de vorm van bezwaar, (hoger) beroep en het klachtenrecht (zie informatiekader).

Awb: rechten en plichten

De Awb bepaalt wat een subsidie is (artikel 4:21 Awb) en onder welke voorwaarden een subsidieplafond kan worden ingesteld (artikel 4:22 en 4:25 ev Awb).

De Awb bevat tevens specifieke bepalingen over de voorwaarden waaraan het bestuursorgaan (in Amsterdam het college van B en W, algemeen bestuur van de bestuurscommissies of het dagelijks bestuur van een stadsdeel) moet voldoen om een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) te weigeren of te verlenen (artikelen 4:5 en 4:7 ev Awb, 4:23 ev, 4:29 ev, 4:66 ev Awb), de termijn waarbinnen beslist moet worden (artikel 4:13 ev Awb), de regels die gelden voor subsidievaststelling (artikel 4:42 ev en 4:73 ev Awb), het intrekken en wijzigen van de subsidie (artikel 4:48 ev Awb) en de uitbetaling en terugvordering van een subsidie (artikel 4:52 ev Awb).

Ook voor de subsidieaanvrager en -ontvanger gelden verplichtingen voor wat betreft het aanvragen, uitvoeren en het verantwoorden over de subsidie (artikel 4:2, 4:4 , 4:37 ev, 4:50ev, 4:68 ev Awb). Deze verplichtingen kunnen worden uitgebreid via wettelijke voorschriften (bijvoorbeeld een verordening) en subsidiebeschikkingen (artikel 4:38 en 4:40 Awb).

Ook regelt de Awb de rechtsbescherming. Niet alleen wie die rechtsbescherming geniet (de belanghebbende), veelal zijn dit de subsidieaanvrager of -ontvanger. Maar ook hoe en onder welke voorwaarden kan worden opgekomen tegen het (gedeeltelijk) weigeren of het lager vaststellen van de subsidie in een bezwaar of in een (hoger) beroepsprocedure (hoofdstukken 6 en 8 Awb). Tot slot regelt de Awb nog het klachtenrecht tegen gedragingen van het bestuursorgaan (hoofdstuk 9 Awb).

Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA)
De Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA) heeft tot doel een algemeen kader te geven voor alle subsidieverstrekkingen binnen de stad in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een bijzondere subsidieverordening - zoals de subsidieregeling maatschappelijke initiatief - of in nadere regels kan van dit algemene kader worden afgeweken.

De ASA regelt onder meer de bevoegdheid van het college om subsidies te verstrekken, nadere regels te stellen en om subsidieplafonds vast te stellen. Ook bepaalt de ASA welke gegevens, wanneer moeten worden ingediend als een subsidie wordt aangevraagd. Tevens regelt de ASA wanneer het college moet beslissen over de aanvraag en op welke gronden het college de subsidie (gedeeltelijk) kan weigeren. Tevens stelt de ASA eisen aan de uit te voeren activiteiten en is geregeld in welke situaties het college tussentijds moet worden geïnformeerd door de subsidieontvanger. 

De regels voor de verantwoording en het vaststellen van de subsidie hangen samen met de omvang de subsidie. Voor subsidies boven de € 5.000 geldt dat de subsidieontvanger binnen 8 weken na afloop van de activiteit een activiteitenverslag en een financieel verslag moet indienen bij het college, zodat het college de subsidie kan vaststellen.  Voor subsidies tot en met € 5.000 geldt deze verplichting niet, het college stelt deze subsidies direct vast.  Dit betekent dat een eventueel batig saldo achteraf niet wordt afgerekend.

Met de ASA heeft het college van B en W de bevoegdheid van de gemeenteraad gekregen om subsidies te verstrekken en nadere regels vast te stellen. Deze nadere regels kunnen betrekking hebben op de te subsidiëren activiteiten, wie in aanmerking komt, te overleggen stukken, beslistermijnen, verdeelmaatstaf, criteria en verplichtingen, weigeringsgronden, vaststelling en betaling van de subsidie (art 3). Ook kan het college subsidieplafonds vaststellen (art 4).

Tenzij een bijzondere subsidieverordening of nadere regels anders bepalen schrijft de ASA voor welke gegevens bij de aanvraag moeten worden ingediend, waaronder een beschrijving van de activiteiten, doelstelling en nagestreefde resultaten en een begroting met daarin geraamde inkomsten en uitgaven. Wordt de subsidie aangevraagd door een niet-natuurlijk persoon, bijvoorbeeld een stichting, dan moet aanvullend het KVK-nummer, het jaarverslag, de jaarrekening en de hoogte van de bezoldiging van topfunctionarissen (Wet normering topinkomens) worden overlegd (art 5). Periodieke subsidies moeten worden aangevraagd voor 1 oktober van het jaar voorafgaand van het subsidiejaar, voor eenmalige subsidies geldt geen vaste datum (art 6). Op de aanvraag voor een periodieke subsidie beslist het college in de regel voor 1 januari, op een aanvraag voor een eenmalige subsidies beslist het college binnen acht weken (art 8). De weigeringsgronden zijn limitatief beschreven (art 9).

De gemeenteraad heeft met de ASA eisen gesteld aan de uit te voeren activiteiten. Deze moeten openstaan voor alle groeperingen, er mag niet gediscrimineerd worden, ze mogen niet in strijd zijn met Internationale verdragen van de mens en het kind en met de Wet dieren. De te gebruiken accommodatie moet geschikt zijn voor lichamelijk gehandicapten (art 11). Voorts is bepaald in welke situaties de subsidieontvanger het college tussentijds moet informeren, waaronder het (gedeeltelijk) niet uitvoeren van de activiteiten (art 10).

Subsidieregelingen bewonersinitiatieven en maatschappelijke initiatief 
Met het raadsbesluit van 1 juni 2016 hebben de algemene besturen van de bestuurscommissies de bevoegdheid gekregen om zelf een subsidieregeling bewonersinitiatieven en een subsidieregeling maatschappelijk initiatief vast te stellen onder de voorwaarde dat hierbij gebruik wordt gemaakt van een door het college op te stellen format. 

Niet alle dagelijkse besturen hebben van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. Voor het subsidiejaar 2017 hebben de algemene besturen van stadsdelen Noord, Oost, West en Zuidoost de subsidieregeling maatschappelijk initiatief vastgesteld. Vanaf 1 januari 2018 heeft ook Stadsdeel Zuid een subsidieregeling maatschappelijk initiatief. Centrum en Nieuw-West hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt.

De subsidieregeling bewonersinitiatieven is in 2016 vastgesteld door de stadsdelen Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost, maar niet door Centrum en Nieuw-West. Door stadsdeel Centrum is er op 15 mei 2018 alsnog een subsidieregeling bewonersinitiatieven vastgesteld.

De subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven kennen een zelfde opbouw. Achtereenvolgens wordt in de regelingen ingegaan op de subsidiabele activiteiten, de aanvrager, de bij de aanvraag in te dienen gegevens en de weigeringsgronden en de aanvullende verplichtingen.

Alleen stadsdeel Noord heeft twee aanvullende bepalingen in de subsidieregeling maatschappelijk initiatief, één die de verdeelsleutel van het subsidieplafond regelt en ander die de aanvraagtermijn bepaalt. 

Hoewel de opbouw van de regelingen grotendeels overeen komt, kan de Voorbeelden verschillen subsidieregelingen bewonersinitiatieven inhoud van de regelingen afwijken. Niet alleen tussen stadsdelen, maar ook wanneer beide regelingen met elkaar worden vergeleken (zie informatiekaders).

Voorbeelden verschillen subsidieregelingen bewonersinitiatieven
  • Alle stadsdelen verlenen eenmalige subsidies. De subsidie is alleen in West niet gemaximeerd. In Centrum, Noord en Oost kan per activiteit € 5.000 worden aangevraagd en in Zuid tot € 3.000.  Zuidoost maximeert de te verlenen subsidie (€ 5.000) die een organisatie per jaar kan ontvangen. Voor particulieren geldt geen plafond.
  • In de stadsdelen kan de subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband tussen bewoners (en ondernemers). Voor Noord en Zuidoost is expliciet vermeld dat subsidie kan worden aangevraagd door bewoners en vrijwilligersorganisatie die wonen of zijn gevestigd in het stadsdeel. Voor Zuidoost geldt dat ook ondernemers die zijn gevestigd in het stadsdeel een aanvraag kunnen doen. In Centrum geldt dat bewoners, bewonersgroepen, (vrijwilligers-)organisaties en/of ondernemers binding moeten hebben met de buurt.
  • In alle stadsdelen moet een activiteitenplan worden ingediend bij de aanvraag. De elementen komen overeen. In Zuid wordt aanvullend verlangd dat in het activiteitenplan ook aandacht wordt besteed aan hoe de activiteit bekend wordt gemaakt, de wijze waarop bewoners betrokken zijn bij het project en hoe draagvlak wordt georganiseerd. Ook Centrum stelt deze laatste voorwaarde..
  • De weigeringsgronden van de stadsdelen om een subsidie in zijn geheel te weigeren komen grotendeels overeen. Zuid heeft als weigeringsgronden toegevoegd dat een subsidie in zijn geheel kan worden geweigerd wanneer meer dan 10% van de subsidie bestemd is voor professionele ondersteuning of het bewonersinitiatief een politiek of religieus oogmerk heeft. Bij Zuidoost gaat het om de vraag over de meerwaarde van activiteiten.
  • Ook de weigeringsgronden om een subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren vertonen overeenkomsten, bijvoorbeeld op het punt van de mate waarin de activiteit bijdraagt aan opgave in de buurt. Deels wijken deze af, op het punt of voor dezelfde activiteit al een andere subsidie is verleend. Noord heeft meer aanvullende weigeringsgronden toegevoegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om weigering als de kosten voor een consumptie meer dan € 1 per persoon bedraagt of als om een bijdrage voor vrijwilligersvergoeding of kosten voor beheer en onderhoud wordt verzocht.
  • Alle stadsdelen leggen aanvullende verplichtingen op voor het bekend maken van de activiteit, zorgdragen voor vergunningen en verzekeringen en indienen van een activiteitenverslag. Alleen in Zuid wordt expliciet de verplichting opgelegd om een VOG bij kinderactiviteiten te overleggen.

Als we de subsidieregelingen bewonersinitiatieven van Noord, Oost, West, Zuid, Zuidoost en Centrum (vanaf 2018) vergelijken, valt op dat ze van elkaar afwijken op de punten van de maximale subsidie per activiteit en soms wie de aanvragen kan zijn (natuurlijk persoon, Voorbeelden verschillen subsidieregelingen maatschappelijk initiatiefsamenwerkingsverband of organisatie), waar de aanvrager moet zijn gevestigd, welke weigeringsgronden worden gehanteerd en welke aanvullende verplichtingen worden opgelegd.

Voorbeelden verschillen subsidieregelingen maatschappelijk initiatief
  • In Zuid en Zuidoost moeten bewoners (groepen) of ondernemers die subsidie aanvragen aantoonbaar gevestigd of werkzaam zijn in het stadsdeel. In de overige stadsdelen ontbreekt dit voorschrift.
  • Stadsdeel Noord heeft geen aanvullende verplichtingen opgelegd voor de bij de aanvraag in te dienen gegevens. Stadsdeel Zuid stelt informatie over het samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt verplicht, terwijl de stadsdelen Oost, West en Zuidoost een activiteitenplan voorschrijven.
  • Alle stadsdelen hebben weigeringsgronden. Die van Noord, Oost, en Zuid komen in grote mate overeen. Noord heeft aanvullende weigeringsgronden voor zelfbeheer van buurthuizen. Zuid heeft een aanvullende bepaling over (ontbreken van) meerwaarde van de activiteit. West kent twee weigeringsgronden niet: als er al voldoende in het aanbod wordt voorzien en de gevraagde bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de duur, het bereik en te verwachtten effect of resultaten. Zuidoost kent twee aanvullende weigeringsgronden die samenhangen met beschikbaarheid van cofinanciering en de meerwaarde van het maatschappelijk initiatief.
  • Alle stadsdelen leggen aanvullende verplichtingen op aan de subsidieontvanger. Op hoofdlijnen komen die Noord, Oost, Zuid en Zuidoost overeen. In Noord geldt een aanvullende verplichting voor de bezettingsgraad van een buurthuis. In Zuid ontbreekt de verplichting van een activiteitenverslag voor activiteiten onder de € 5.000.
  • In Noord moeten de subsidies voor het zelfbeheer van buurthuizen worden aangevraagd voor 15 november van het jaar voorafgaand aan de activiteiten. Subsidies ten behoeve van overige maatschappelijke initiatieven kunnen het hele jaar door worden aangevraagd, totdat het subsidiebedrag voor het jaar op is. De andere stadsdelen kennen deze verplichting niet.

Stadsdeel Zuid heeft met ingang van 1 januari 2018 een subsidieregeling maatschappelijk initiatief vastgesteld. In tegenstelling tot bij de andere stadsdelen is het te subsidiëren bedrag volgens artikel 5 lid 3 van de subsidieregeling beperkt tot € 15.000 per jaar en over drie jaar achtereen gezien niet meer dan € 50.000. ,  In 2018 zijn er bij het afsluiten van ons onderzoek op basis van deze regeling in totaal vier aanvragen gedaan voor een totaalbedrag van € 96.680. Opvallend genoeg twee subsidies boven de € 15.000 verleend, terwijl dit in strijd is met de subsidieregeling.

Als we de subsidieregelingen maatschappelijk initiatief van Noord, Oost, West en Zuidoost en Zuid (vanaf 2018) vergelijken, valt op dat ze van elkaar afwijken op de punten van waar de aanvrager moet zijn Voorbeelden verschillen bewonersinitiatieven en maatschappelijk iniatief gevestigd, welke aanvullende gegevens en stukken bij de aanvraag moeten worden ingediend, welke weigeringsgronden worden gehanteerd en welke aanvullende verplichtingen worden opgelegd.

Voorbeelden verschillen bewonersinitiatieven en maatschappelijk initiatief
  • Subsidies voor bewonersinitiatieven zijn in de stadsdelen Noord, Oost, West en Zuidoost gemaximeerd. Maatschappelijk initiatief kent geen plafond per individuele subsidie.
  • Voor bewonersinitiatieven moet in alle stadsdelen een activiteitenplan worden ingediend bij de aanvraag. Voor maatschappelijke initiatieven geldt dit voor Oost, West en Zuidoost. Stadsdeel Zuid verlangt op grond van de ASA artikel 5 lid 2 een beschrijving van de activiteiten.
  • De weigeringsgronden verschillen op onderdelen.
  • De verplichting tot het aanleveren van een activiteitenverslag ontbreekt alleen in Zuid bij maatschappelijke initiatieven.
  • Alleen in Zuid wordt bij bewonersinitiatieven expliciet de verplichting opgelegd om een VOG bij kinderactiviteiten te overleggen aan het stadsdeel.
  • Alleen in Noord moeten subsidies voor maatschappelijke initiatieven voor zelfbeheer van buurthuizen worden aangevraagd voor 15 november voorafgaand aan het subsidiejaar. Voor alle andere activiteiten en stadsdelen geldt dat de aanvraag kan plaatsvinden gedurende het betreffende subsidiejaar.

Als we de subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven onderling vergelijken valt op dat bij de subsidieregeling maatschappelijk initiatief de subsidie per activiteit niet gemaximeerd  is (anders dan wanneer het subsidieplafond wordt bereikt), dat de weigeringsgronden afwijken en dat in Noord de subsidie voor zelfbeheer van buurthuizen voor 15 november voorafgaand aan het subsidiejaar moet worden aangevraagd. In de subsidieregeling van Zuid is niet de aanvullende verplichting opgenomen om een activiteitenverslag in te leveren. Op basis van ASA is de subsidieontvanger evenwel verplicht een activiteitenverslag én een financieel verslag in te zenden bij subsidies boven de € 5.000.

Beschikkingen
In de subsidieverleningsbeschikking kunnen aanvullende verplichtingen worden opgenomen die niet expliciet uit de Awb, de ASA of de subsidieregeling blijken.  Voor subsidies onder de € 5.000 constateren wij dat in een aantal beschikkingen de verplichting is opgelegd om een activiteitenverslag op te stellen en mee te zenden, terwijl deze verplichting ook al volgt uit de subsidieregeling. 

Regels voor budgetten

Welzijnsinstellingen ontvangen van stadsdeel Nieuw-West een subsidie voor bewonersinitiatieven. Vervolgens beslissen bewoners, verenigd in regiegroepen, binnen het budget per wijk, over een financiële bijdrage voor activiteiten die door bewoners of vrijwilligersorganisaties worden georganiseerd. Deze financiële bijdrage wordt een budget genoemd.

De subsidieregels, zoals beschreven in paragraaf 5.1.1, zijn niet van toepassing hierop, omdat de welzijnsinstellingen en de regiegroepen geen bestuursorgaan zijn en hun beslissingen over het wel of niet toekennen van een budget daarmee geen besluit vormen in de zin van de Awb. 

Welke regels gelden dan wel voor deze budgetten?

Kader bewonersinitiatieven 2013
Het dagelijks bestuur van Stadsdeel Nieuw-West heeft in het kader bewonersinitiatieven 2013 (verder: het kader 2013) bepaald op welke wijze de regeling voor bewonersinitiatieven door de Huizen van de Wijk en de regiegroepen dient te worden uitgevoerd.  Zo bevat het kader 2013 verplichtingen voor het aanvragen van het budget en de verantwoording daarover en de procedure die gevolgd moet worden bij het toekennen van de aanvraag. Ook moet de klachtenregeling zo worden aangepast dat deze de aanvrager de mogelijkheid biedt om te Kader bewonersinitiatieven 2013 budget en klachtenregeling klagen over een goed- of afkeuring van een initiatief. Het kader 2013 geeft de regiegroep de bevoegdheid om toe- en afwijzingscriteria op te stellen (zie informatiekader).

Kader bewonersinitiatieven 2013 - verplichtingen aanvragen en verantwoorden budget en klachtenregeling

Aanvragen bewonersinitiatief

  • Een bewonersinitiatief is in te dienen door natuurlijke personen en vrijwilligersorganisaties uit Nieuw-West;
  • Het stadsdeel levert een voorbeeldformulier bewonersinitiatieven en voorbeeld begroting;
  • Het formulier wordt aangepast aan de hand van de door de regiegroep opgestelde criteria;
  • Bij ieder initiatief dat wordt beoordeeld, is een standaard begroting meegeleverd, waaruit duidelijk af te lezen valt wat waaraan wordt uitgegeven; de medewerker van het Huis van de Wijk, de regiegroep dan wel de bewonersvergadering gebruikt deze begroting voor de beoordeling van het initiatief;
  • De initiatiefnemer geeft in het formulier aan welke meerwaarde het initiatief heeft voor de wijk en haar bewoners;
  • Het formulier wordt door minimaal drie bewoners ondertekend;
  • Bewoners dienen het initiatief in;
  • Bewoners steken er energie en tijd in;
  • Bewoners hebben de regie op de planvoorbereiding en uitvoering;
  • Religieuze activiteiten zijn uitgesloten. Een religieuze activiteit is aan de orde als de eredienst beleden wordt en als evangelisatie een doel of nevendoel is van de activiteit; Sociale activiteiten met een van oorsprong religieuze achtergrond kunnen wel gefinancierd worden als de activiteit bijdraagt aan het realiseren van doelen, de activiteit open staat voor iedereen, en de activiteit een breed maatschappelijk karakter heeft;
  • Vrijwilligersvergoedingen kunnen vanuit dit budget niet gefinancierd worden;
  • Bewonersinitiatieven tot en met € 500 kunnen met toestemming van de regiegroep door de staf / het team van het Huis van de Wijk worden behandeld binnen de criteria die de regiegroep heeft vastgesteld; de regiegroep kan hiervoor ook een maximum totaalbedrag voor een bepaalde periode vaststellen; behandeltermijn is maximaal 4 weken;
  • Bewonersinitiatieven tot en met € 5.000 kunnen door de regiegroep worden behandeld; behandeltermijn is maximaal 10 weken (initiatieven dienen uiterlijk twee weken voorafgaand aan de eerstvolgende regiegroepvergadering te worden ingediend);
  • Bewonersinitiatieven vanaf € 5.000 worden minimaal twee keer per jaar tijdens de bewonersvergadering beoordeeld;
  • De staf / het team van het Huis van de Wijk houdt goed bij wat het beschikbare budget is en deelt dit voorafgaand aan een regiegroepvergadering of bewonersvergadering mee aan de betrokkenen;
  • Als er meer initiatieven zijn die aan de criteria voldoen dan er budget beschikbaar is, zal er een beargumenteerde keuze gemaakt moeten worden tussen de initiatieven;
  • Na goedkeuring ontvangt de initiatiefnemer een brief met het toegekende bedrag en de voorwaarden; bij afkeuring krijgt de initiatiefnemer een brief met motivering;
  • Een lijst van goed- en afgekeurde initiatieven komt op de website van het Huis van de Wijk te staan, inclusief bedragen.

Verantwoording bewonersinitiatief

  • Van ieder initiatief wordt een verslag (met foto’s) ingeleverd en een financiële verantwoording middels originele facturen en kassabonnen die te herleiden zijn naar de activiteit;
  • Een medewerker van het Huis van de Wijk houdt deze documenten in het dossier van het initiatief en bewaart deze;
  • Ieder kwartaal wordt een lijst met goed- en afgekeurde initiatieven bij het stadsdeel aangeleverd (format wordt geleverd).

Klachtenregeling

Bewoners die het oneens zijn met de procedure van een goed- of afkeuring van een bewonersinitiatief kunnen gebruikmaken van de klachtenregeling van het Huis van de Wijk; de klachtenregeling wordt hierop aangepast, indien dit noodzakelijk is.

Het kader 2013 bepaalt tevens welke activiteiten door medewerkers van het Huis van de Wijk moeten worden ondernomen om de Kader bewonersinitiatieven 2013 werving en ondersteuning bewonersactiviteiten bekend te maken (werving) en welke ondersteuning moet worden geboden aan bewoners en vrijwilligers (zie informatiekader).

Kader bewonersinitiatieven 2013 - richtlijnen voor de Huizen van de Wijk - werving en ondersteuning

Werving

  • Minimaal twee keer per jaar huis aan huis verspreiding van activiteitenkalender (bijvoorbeeld via buurtkrant of Westerpost);
  • Doorlopende plaatsing van de activiteitenkalender op de website van het Huis van de Wijk; dit kan ook via jekuntmeer.nl als dat voldoende mogelijkheden biedt om alle activiteiten te plaatsen;
  • Duidelijke en goed vindbare vermelding van de procedures op de website van het Huis van de Wijk;
  • Op bewonersvergaderingen en andere wijkmanifestaties bekend maken dat de mogelijkheid bestaat om initiatieven in te dienen.

Ondersteuning

  • Bewoners hulp bieden bij het indienen van het initiatief en het leggen van verbindingen, maar niet alle werk uit handen nemen;
  • Ervaren bewoners in de wijk koppelen aan nieuwkomers/bewoners die nog hulp nodig hebben;
  • Bij de uitvoering van het initiatief ervan uitgaan dat de bewoner het merendeel zelf kan doen en als hulp nodig is zo veel mogelijk proberen dit door andere bewoners te laten doen;
  • Werken aan expertisebevordering bij bewoners;
  • Hulp bieden bij het verwerven van aanvullende middelen (bijvoorbeeld kijken naar de mogelijkheden voor verdubbelaars en andere fondsen); hierover zou kennisuitwisseling kunnen plaatsvinden tussen de vier exploitanten, omdat niet overal dezelfde expertise aanwezig is.

Kader bewonersinitiatieven 2013 regiegroep en bewonersvergaderingTot slot bevat het kader 2013 richtlijnen over de samenstelling, samenkomst en werkzaamheden van de regiegroepen en de bewonersvergaderingen (zie informatiekader).

Kader bewonersinitiatieven 2013 - richtlijnen voor de Huizen van de Wijk - regiegroep en bewonersvergadering

Regiegroep

  • In ieder Huis van de Wijk wordt een regiegroep voor bewonersinitiatieven opgericht; deze stemt haar activiteiten af met gebruikersraad van het Huis van de Wijk of kan daarmee samenvallen;
  • De regiegroep bestaat uit minimaal 8 bewoners; daarnaast kan de regiegroep uitgebreid worden met andere partijen in de buurt, zoals een buurtondernemer, een corporatiemedewerker, de wijkcoördinator en/of de gebiedsnetwerker; deze hebben geen stemrecht, maar kunnen meedenken met de regiegroep;
  • De leden van de regiegroep zitten maximaal 2 jaar in de regiegroep en ieder jaar wisselt de helft van de bewoners uit de regiegroep;
  • De leden voor de regiegroep worden zo breed mogelijk geworven; een medewerker van het Huis van de Wijk ziet erop toe dat niet alleen de ‘gevestigde’ vrijwilligers in de regiegroep zitting nemen, maar dat een gemengde groep ontstaat, die een afspiegeling van de wijk vormt;
  • De voorgestelde regiegroep wordt door de bewoners tijdens een bewonersvergadering vastgesteld;
  • Minimaal iedere twee maanden vindt er een vergadering van de regiegroep plaats, ondersteund door een professional van het Huis van de Wijk;
  • De regiegroep stelt één keer per jaar de criteria vast waaraan de bewonersinitiatieven getoetst zullen worden; de criteria sluiten inhoudelijk aan bij de thema’s die tijdens de bewonersvergadering benoemd zijn;
  • Belanghebbenden bij een bewonersinitiatief melden dit vooraf en stemmen niet mee over het betreffende initiatief.

Bewonersvergadering

  • Minimaal twee keer per jaar vindt er een bewonersvergadering plaats, die vooraf breed bekend is gemaakt in de wijk;
  • Tijdens de bewonersvergadering wordt er gestemd over de initiatieven boven de € 5.000 en wordt er terugkoppeling gegeven van de initiatieven die in voorgaande periode zijn goedgekeurd en afgekeurd;
  • Tijdens de bewonersvergadering wordt één keer per jaar gereflecteerd op de thema’s van de wijk en worden deze zo nodig aangepast of aangevuld.

De vraag is of het kader 2013 van toepassing is op de subsidie die in 2017 is verleend aan de welzijnsinstellingen. Het stadsdeel kan de standaard verplichtingen van artikel 4:37 Awb opleggen aan de subsidieontvanger. Aanvullend kunnen aan de subsidieontvanger andere verplichtingen worden opgelegd.  Deze verplichtingen moeten dan worden opgenomen in een wettelijk voorschrift of expliciet worden vermeld in de subsidiebeschikking.  Nu in de subsidiebeschikking 2017, anders dan in de subsidiebeschikking 2013 , het kader 2013 niet expliciet is vermeld, is het kader 2013 niet van toepassing op de subsidie 2017 en daarmee ook niet op de Huizen van de Wijk, de regiegroepen en de aanvragers van budgetten van bewonersinitiatieven.

Ten aanzien van de conclusie van de rekenkamer, dat het kader 2013 niet van toepassing is op de subsidie 2017, meldde het stadsdeel Nieuw-West deze niet te delen. Het stadsdeel droeg daar drie argumenten voor aan (in willekeurige volgorde): 1. het stadsdeel heeft het kader 2013 niet ingetrokken, 2. de welzijnsinstellingen zouden het kader nog toepassen en 3. het stadsdeel in andere stukken indirect refereert aan het kader 2013.  Als reactie op dezelfde conclusie meldt bewonersorganisatie Eigenwijks ons dat het kader 2013 hen volledig uit beeld is geraakt. Verder geeft Eigenwijks aan dat het nieuwe kader (2017) in hun ogen deels in strijd is met het kader 2013, onder andere omdat er hierin meer ruimte is gekomen voor regiegroepen om eigen invulling te geven aan hun werkwijzen. In de praktijk wordt het kader 2013 daarom niet meer door Eigenwijks gebruikt.

Kader Bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018
Wel moeten de welzijnsinstellingen, Huizen van de Wijk en regiegroepen in 2017 voldoen aan het kader Bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018 (verder: het kader 2017-2018) , omdat dit kader onderdeel uitmaakt van de subsidievoorwaarden in de subsidiebeschikking aan de welzijnsinstellingen.  Uitgangspunt is dat de regiegroepen bepalen voor welke door bewoners(groepen) en ondernemers geïnitieerde activiteiten het budget wordt ingezet. De mening of een activiteit bijdraagt aan de opgave in de buurt is specifiek voorbehouden aan de regiegroepen.

Kader bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018 regiegroep en gezamenlijk regiegroepoverleg Het kader 2017-2018 bevat minder voorschriften en verplichtingen dan het kader 2013. Voor wat betreft de regiegroepen gaat het kader met name in op de rol van de regiegroep en het regiegroepenoverleg (zie informatiekader).

Kader bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018 - regiegroep en gezamenlijk regiegroepoverleg

Regiegroep

  • Elke regiegroep is vertegenwoordigd in het gezamenlijke regiegroepenoverleg. Ook het stadsdeel heeft hierin zitting. Dit overleg heeft een nadrukkelijk rol in de aanpak van de verbeterpunten waaronder:
  • afspiegeling van de wijk en democratisch proces in de regiegroepen;
  • trainingen en bijscholing;
  • rol van de professionele ondersteuners vanuit het stadsdeel en het Huis van de Wijk;
  • actualisering van de richtlijnen;
  • aansluiting bij de thema’s uit de gebiedsagenda.

Gezamenlijk regiegroepenoverleg
Het gezamenlijke regiegroepenoverleg geeft tevens een (dwingend) advies aan individuele regiegroepen bij aanvragen boven € 5.000,- en bij klachten over het (niet) ondersteunen van een advies of het verzoek om heroverweging van een besluit. Het stadsdeel heeft hierin een adviserende rol. De begeleiding vindt plaats vanuit de Huizen van de Wijk.

Tevens vermeldt het kader 2017-2018 dat in de subsidiebeschikking aanvullende verplichtingen worden opgenomen. Deze aanvullende verplichtingen hebben betrekking op 1. de spelregels hoe om te gaan met de regiegroepen en het gezamenlijk regiegroepenoverleg; 2. welke Kader bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018 subsidieontvangerregels door de welzijnsinstelling in acht moeten worden genomen wanneer een bewonersinitiatief wordt aangevraagd en wanneer daarover wordt verantwoord (zie informatiekader).

Kader bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018 - subsidieontvanger

Aanvragen bewonersinitiatief

  • De subsidieontvanger zorgt dat de keuze van de regiegroep leidend is bij de verdeling van het budget;
  • De subsidieontvanger houdt een register bij van alle verzoeken om een financiële bijdrage. In dit register staan in elk geval de naam van de aanvrager, de activiteit, het gevraagde bedrag, het verleende bedrag en het definitieve bedrag. Dit register is openbaar en op elk moment door iedereen in te zien;
  • De subsidieontvanger zorgt dat activiteiten die enkel bedoeld zijn om het duurzaam voortbestaan van één organisatie te financieren of die slechts commerciële doeleinden en karakter hebben niet voor financiering in aanmerking komen;
  • De subsidieontvanger zorgt dat initiatieven waarvoor financiering op grond van een gemeentelijke subsidieregeling mogelijk is en waarvan de initiatiefnemers in staat zijn het subsidieproces te doorlopen, naar de betreffende regeling worden doorverwezen. Wanneer financiering op grond van een subsidieregeling is verleend, kan niet tevens voor dezelfde activiteit(en) een bijdrage worden verleend uit het bewonersbudget.

Verantwoorden bewonersinitiatief
De subsidieontvanger bevordert dat van de activiteiten een kort verslag beschikbaar komt nadat de activiteiten hebben plaatsgevonden. Hierbij wordt in ogenschouw genomen dat niet alle initiatiefnemers even goed in staat zijn om een verslag op te stellen. De verslagen zijn openbaar en op elk moment door iedereen in te zien. Indien geen verslag is ingediend, volstaat inzichtelijk maken hoe dit is bevorderd.

Doordat in de subsidiebeschikkingen 2017 voor de welzijnsinstellingen niet expliciet wordt verwezen naar het kader bewonersinitiatieven 2013 en het kader bewonersinitiatieven stadsdeel Nieuw-West 2017-2018, zijn de daarin opgenomen verplichtingen ook niet van toepassing op de Huizen van de Wijk, de regiegroepen en de aanvragers van budgetten van bewonersinitiatieven.

De subsidiebeschikkingen bevatten geen andere verplichtingen voor bewonersinitiatieven.

Criteria regiegroepen
Wanneer het kader 2013 van toepassing is, zijn regiegroepen bevoegd en verplicht jaarlijks criteria vast te stellen waaraan de bewonersinitiatieven getoetst zullen worden. Volgens het kader 2013 moeten de criteria inhoudelijk aansluiten bij de thema's die tijdens de bewonersvergadering worden benoemd. 

De regiegroep Slotermeer heeft de voorwaarden voor het laatst vastgesteld in 2015.  De regiegroepen Slotervaart Zuid , Osdorp West en De Aker  en Sloten en Nieuw-Sloten  hebben de criteria in 2017 vastgesteld. Onbekend is of de criteria zijn vastgesteld voor de Overeenkomsten en verschillen in criteria regiegroep Osdorp voor het jaar 2017, duidelijk is wel dat de criteria voor het jaar 2018 zijn vastgesteld.  In het informatiekader hieronder worden enkele overeenkomsten en verschillen in criteria zoals de regiegroepen die hanteren weergegeven.

Overeenkomsten en verschillen in criteria

Enkele overeenkomsten in criteria

  • Een bewoner van de wijk kan de aanvraag indienen;
  • De aanvraag moet open toegankelijk zijn voor bewoners uit de wijk;
  • De aanvrager dient na afloop van de activiteit een verslag (met foto's) in te leveren.

Enkele verschillen in criteria

  • In de wijken Slotermeer en Slotervaart Zuid kan de aanvraag ook worden ingediend door een vrijwilligersorganisatie;
  • In Slotermeer, Slotervaart Zuid en (Nieuw) Sloten komen religieuze activiteiten niet in aanmerking voor een budget. De wijken Osdorp West en De Aker, en Osdorp kennen dit criterium niet;
  • Het minimale aantal buurtbewoners dat moet mee onderteken verschilt per wijk. In Osdorp West en De Aker, (Nieuw) Sloten en Osdorp zijn dat er twee. In Slotermeer zijn dat er drie en in Slotervaart ontbreekt dit criterium;
  • Bij Slotermeer ontbreekt het criterium dat een VOG noodzakelijk bij activiteiten met kinderen (tot 18 jaar);
  • Slotervaart Zuid kent als enige wijk het criterium dat voor een tweede aanvraag eerst de voorgaande aanvraag financieel afgehandeld moet zijn;
  • In Slotervaart Zuid, (Nieuw) Sloten, Osdorp West en De Aker en Osdorp moet naast het verslag een deelnemerslijst worden ingediend;
  • Aan de financiële verantwoording zijn in Slotervaart Zuid geen eisen gesteld. In de wijken Slotermeer, Osdorp West en De Aker en Osdorp, moet de financiële verantwoording zijn voorzien van originele bonnen. (Nieuw) Sloten verlangt een kopie paspoort als op de offerte het KVK of BTW nummer ontbreekt.

De regiegroepen Slotervaart Noord  en Geuzenveld  hebben geen voorwaarden vastgesteld. Uit het aanvraagformulier van Slotervaart Noord kan worden afgeleid wie het budget mag aanvragen (bewoner of vrijwilligersorganisatie), dat het budget door twee buurtbewoners mede moet worden aangevraagd, welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en welke niet en dat de aanvraag moet zijn voorzien van offertes of een gedetailleerd overzicht van de geschatte kosten.  De voorwaarden voor Geuzenveld zijn nagenoeg gelijk. Alleen moet het formulier door vijf buurtbewoners worden ondertekend in plaats van twee buurtbewoners. 

Uit een analyse van de door de regiegroepen opgestelde criteria blijkt dat ook aan een aantal Afwijkingen criteria regiegroepen van Kader bewonersinitiatieven 2013andere verplichtingen uit het kader 2013 niet is voldaan. Indien een regiegroep naast het aanvraagformulier geen criteria heeft opgesteld, zijn wij uitgegaan van de criteria die zijn vermeld op het formulier (zie kader).

Afwijkingen criteria regiegroepen van Kader bewonersinitiatieven 2013

Niet in alle wijken:

  • is het mogelijk dat een bewonersinitiatief ook door een vrijwilligersorganisatie kan worden ingediend (Osdorp West en De Akker, (Nieuw) Sloten, Slotervaart Noord en Geuzenveld);
  • zijn religieuze activiteiten uitgesloten (Osdorp West en De Aker, en Osdorp, Slotervaart Noord en Geuzenveld);
  • zijn vrijwilligersvergoedingen uitgesloten van financiering ( Slotervaart Noord, Geuzenveld, (Nieuw) Sloten). In de wijken Osdorp West en De Aker en Osdorp wordt een vrijwilligersvergoeding niet vergoed, maar een reële onkostenvergoeding behoort wel tot de mogelijkheden.

Verder hebben we geconstateerd dat niet alle Huizen van de Wijk de klachtenregeling zo hebben aangepast dat expliciet is vermeld dat bewoners die het oneens zijn met een goed- of afkeuring van hun aanvraag gebruik kunnen maken van deze klachtenregeling (Slotervaart Zuid, Osdorp, Slotermeer, Geuzenveld en Slotervaart Noord). 

Besluiten regiegroepen
De bewonersondersteuners beschikken over een vast format voor het opstellen een besluit. In de praktijk wordt het besluit per brief of email verzonden of mondeling door de bewonersondersteuner meegedeeld aan de aanvrager. De door de rekenkamer onderzochte besluiten bevatten geen aanvullende verplichtingen.

Deelconclusies

Rechten en plichten verschillen per stadsdeel en soms per wijk
Voor initiatiefnemers die een financiële bijdrage vragen voor een initiatief variëren de rechten en plichten sterk. Dit hangt af van het stadsdeel waar de initiatiefnemer woont of is gevestigd (bij subsidies) en in sommige gevallen van de wijk waarin de initiatiefnemer woont of is gevestigd (bij budgetten).

Uitgebreide en verschillende subsidieverplichtingen
Voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven geldt een uitgebreide gelaagde structuur van subsidieregels. Afhankelijk van hoe het initiatief wordt gelabeld (maatschappelijk of bewonersinitiatief) en in welk stadsdeel het initiatief plaatsvindt, variëren de regels voor welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie, hoeveel subsidie maximaal wordt toegekend aan een subsidieaanvrager, of alleen natuurlijke personen of ook organisaties voor subsidie in aanmerking komen, welke gegevens bij de aanvraag moeten worden ingediend, wat de weigeringsgronden zijn en welke aanvullende verplichtingen op de subsidieaanvrager rusten.

Bevoegdheden dagelijkse besturen alleen geregeld via algemene overgangsbepaling
Vanaf 21 maart 2018 zijn de dagelijkse besturen van de stadsdelen bevoegd om nieuwe subsidieregelingen vast te stellen of bestaande subsidieregelingen voor maatschappelijke of bewonersinitiatieven te wijzigen op basis van een algemene overgangsbepaling. Deze bevoegdheid is echter nog niet vastgelegd via een apart stedelijk kader. Het is vanuit juridisch perspectief verstandig om dat wel te gaan doen.

Vormvrije criteria voor een budget
Voor bewoners uit het stadsdeel Nieuw-West die een budget aanvragen voor een bewonersactiviteit, geldt niet het uitgebreide subsidiekader, maar de criteria die zijn vastgesteld door de regiegroepen. De regiegroepen hebben de vrijheid gekregen om de criteria zo vast te stellen dat ze goed aansluiten bij de behoefte van de wijk. Van deze bevoegdheid is gebruikgemaakt. De overzichten met criteria verschillen inhoudelijk. Variaties zijn te vinden in wie de aanvraag mag indienen(bewoner of ook een vrijwilligersorganisatie), hoeveel (mede)bewoners de aanvraag moeten ondertekenen, welke weigeringsgronden er zijn (bijvoorbeeld afwezigheid van VOG bij kinderactiviteiten) en welke (financiële) informatie moet worden overlegd na afronden van de activiteit (wel of geen deelnemerslijst en in een enkel geval een kopie van het ID-bewijs in verband met het vergoeden van kosten).

Het stadsdeel heeft minimum voorwaarden voor de criteria van de regiegroepen willen meegeven in het kader bewonersinitiatieven 2013. Dit kader is echter in 2017 niet van toepassing, doordat een expliciete verwijzing naar dit kader in de subsidiebeschikking van het stadsdeel Nieuw-West aan de welzijnsinstellingen ontbreekt. Niet alle regiegroepen hebben de criteria voor 2017 (herziend) vastgesteld of opgesteld en waar deze wel zijn vastgesteld voldoen niet ze niet aan de minimum voorwaarden uit het kader bewonersinitiatieven 2013.

Minder toegankelijke rechtsbescherming bij budgetten dan bij subsidies
Bij de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost vragen de bewoners een subsidie aan. Daarbij hoort de rechtsbescherming die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt: bezwaar, (hoger) beroep en daarnaast het klachtenrecht. Voor bewoners uit het stadsdeel Nieuw-West geldt dat ze geen subsidie aanvragen maar een budget. Voor deze initiatiefnemers geldt de rechtsbescherming van de Awb niet. Zijn zij het niet eens met de gedeeltelijke toekenning of weigering van het budget, dan zijn hun mogelijkheden beperkt om hier tegenin te gaan. In het beste geval biedt de klachtenregeling van het Huis van de Wijk de mogelijkheid om te klagen. Anders zullen zij de regiegroep moeten overtuigen van hun gelijk, of zich tot de civiele rechter moeten wenden. Hierbij bestaat het risico veroordeeld te worden in de proceskostenvergoeding voor de tegenpartij, waardoor het financiële risico niet opweegt tegenover de verkrijgen budget

Toetsing aan regels

Wij hebben het rechtmatig handelen van de ambtelijke organisatie (de beleidsafdeling bij het stadsdeel ) en van enkele regiegroepen in Nieuw-West  beoordeeld. In totaal hebben wij 120 dossiers onderzocht (20 per stadsdeel). Verdeeld over subsidies voor maatschappelijke initiatieven (56) en bewonersinitiatieven (44) en budgetten voor bewonersinitiatieven in Nieuw-West (20). Tevens hebben wij gesproken met beleidsmedewerkers, medewerkers van het Subsidiebureau en bewonersondersteuners. In bijlage 3 en 4 hebben wij ons dossieronderzoek toegelicht.

Voor de aanvraagfase hebben wij dit handelen onderzocht voor het activiteitenplan respectievelijk het aanvraagformulier en voor het nemen van een besluit. Paragraaf 5.2.1 bevat de onderzoeksresultaten voor subsidies, paragraaf 5.2.2 bevat de onderzoeksresultaten voor budgetten. Voor de verantwoordingsfase hebben wij het handelen onderzocht met betrekking tot het activiteitenverslag en de controle van verantwoorde kosten. De onderzoeksresultaten voor subsidies (zie 5.2.3) en budgetten (zie 5.2.4) zijn afzonderlijk weergegeven.

Aanvraagfase subsidies

Een subsidie voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven moet worden ingediend via het subsidieloket van het subsidiebureau. Bij het behandelen van de subsidieaanvraag moet het activiteitenplan worden beoordeeld. De beoordeling mondt uit in een beschikking over het (gedeeltelijk) toekennen of weigeren van de subsidie.

In te dienen stukken bij de subsidieaanvraag
Op grond van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA) en de subsidieregelingen voor maatschappelijke en bewonersinitiatieven geldt voor de subsidieaanvrager de plicht om stukken in te dienen bij de subsidieaanvraag. Uit de ASA volgt voor de aanvrager de plicht om een beschrijving van de activiteiten en een begroting in te dienen. En is de subsidieaanvrager een organisatie, in Verplichtingen ASA plaats van een natuurlijk persoon, dan gelden aanvullende verplichtingen (zie informatiekader).

Verplichtingen ASA 

Voor alle subsidieaanvragers geldt de verplichting om de volgende stukken in te dienen:

  • een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd waarin staat welke doelstellingen en resultaten worden nagestreefd en in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen;
  • een begroting.

Indien de aanvrager geen natuurlijk persoon is, moeten aanvullend de volgende stukken worden ingediend:

  • een recent jaarverslag;
  • een recente jaarrekening;
  • een recente balans;
  • een uittreksel uit het handelsregister (KvK inschrijving), tenzij in het voorafgaande jaar ook een subsidie is verstrekt;
  • een afschrift van de statuten, tenzij in het voorafgaande jaar ook een subsidie is verstrekt.

Activiteitenplan
Uit subsidieregelingen maatschappelijke en bewonersinitiatieven volgt de plicht om een activiteitenplan in te dienen. In dit plan moeten zeven Verplichtingen subsidieregelingen - activiteitenplanvoorgeschreven onderwerpen worden behandeld (zie informatiekader: Verplichtingen subsidieregelingen - activiteitenplan).

Verplichtingen subsidieregelingen - activiteitenplan

De subsidieaanvrager moet een activiteitenplan indienen als onderdeel van de subsidieaanvraag. De subsidieregelingen verschillen onderling, maar in elk van de regelingen staat dat de volgende zeven onderwerpen in het activiteitenplan behandeld moeten worden:

  • de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
  • welke resultaten bereikt gaan worden;
  • wie bereikt gaat worden en om hoeveel mensen het gaat;
  • waar het initiatief plaatsvindt;
  • met welke bewoners of organisaties wordt samengewerkt;
  • wie de andere initiatiefnemers zijn met vermelding van hun naam- en adresgegevens;
  • of er voor dit initiatief ergens anders financiering is aangevraagd en voor welk bedrag.

In 8 van de 100 onderzochte subsidiedossiers heeft de subsidieaanvrager volledig voldaan aan alle verplichtingen die volgen uit de ASA én de subsidieregeling. In 86 dossiers werd niet (volledig) voldaan aan de opgelegde verplichtingen (zie tabel 5.1). Daarnaast voldeden meer dossiers aan de verplichten uit de ASA (61%) dan aan de verplichtingen uit de subsidieregeling (14%)

Tabel 5.1 -Verplichtingen ASA en subsidieregeling in onderzochte dossiers
Verplichtingen uit:Niet voldaanVoldaanIngetrokken Cumulatief
de ASA33 (33%)61 (61%)6 (6%)100 (100%)
de subsidieregeling80 (80%)14 (14%)6 (6%)100 (100%)
de ASA en de subsidieregeling86 (86%)8 (8%)6 (6%)100 (100%)


Verplichtingen ASA
Bijna twee-derde van subsidieaanvragers (61) heeft alle gevraagde stukken ingediend bij de aanvraag. Bij één derde van de aanvragen (33) ontbreken één of meerdere stukken. Over het algemeen zijn de activiteiten beschreven en is de begroting aangeleverd, maar ontbreekt bij organisaties een recent jaarverslag en een afschrift van de statuten.    Toch heeft dit maar beperkte consequenties. Bij 25 van deze dossiers ging het stadsdeel alsnog over tot (gedeeltelijke) toekenning van de subsidie en werden acht aanvragen geweigerd. In slechts één beschikking werd vermeld dat de aanvraag was afgewezen op grond van het niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in de ASA.

Verplichtingen subsidieregeling
Van een groot deel van de onderzochte subsidieaanvragen (80) is het activiteitenplan niet compleet. Een beschrijving van de activiteiten treffen we bijna altijd aan, maar er ontbreekt regelmatig informatie over de andere initiatiefnemers en of er nog andere financiering is aangevraagd voor hetzelfde initiatief. Ook hier blijven de consequenties beperkt. In een kwart van de gevallen werd de subsidie geweigerd (22 van de 80), in de overige gevallen werd de subsidie (gedeeltelijk) toegekend. In niet één beschikking stond de motivering dat de aanvraag was afgewezen op grond van het niet voldoen aan de verplichtingen voor het activiteitenplan. 

Besluit
Elke subsidieaanvraag behoort na een subsidieaanvraag een besluit (beschikking) te krijgen te krijgen van of namens het college. In alle door ons onderzochte dossiers troffen wij een besluit aan.

Aanvraagfase budgetten

Een budget voor bewonersinitiatief moet worden aangevraagd bij de regiegroep. Om in aanmerking te komen voor een budget moet de initiatiefnemer het aanvraagformulier ondertekenen. Een bewonersondersteuner van het Huizen van de wijk beoordelen het aanvraagformulier en leggen dit voor aan de regiegroep. De regiegroep besluit het (gedeeltelijk) toekennen of weigeren van het budget.

In te dienen stukken bij de budgetaanvraag - aanvraagformulier
Adressering van de initiatiefnemer
Volgens de regels van de regiegroepen moet een initiatiefnemer die budget aanvraagt een inwoner van de wijk zijn. Is de initiatiefnemer een organisatie, dan moet deze zijn gevestigd in de wijk. Het merendeel van de onderzochte aanvragen voldeed aan deze voorwaarde (85%). Drie van de twintig onderzochte dossiers voldeden hier niet aan. In één dossier was de initiatiefnemer een bewoner, in de andere twee betrof het een organisatie. Alle drie waren wel al actief in de wijk, maar woonden daar niet of waren daar niet gevestigd. Bewonersondersteuners van de welzijnsorganisatie geven aan dat als de regiegroep en de bewonersondersteuners van mening zijn dat er in de wijk behoefte is aan de activiteit en deze activiteit een duidelijke meerwaarde biedt voor de buurt, deze voorwaarde terzijde kan worden geschoven. 

Ondertekening door de initiatiefnemer
Bij een budgetaanvraag dient het aanvraagformulier door de initiatiefnemer ondertekend te worden. Het merendeel van de 20 onderzochte aanvragen voldeed aan deze voorwaarde (90%). Bewonersondersteuners geven aan dat het uitzonderlijk is dat de aanvragen niet worden ondertekend.  Het niet ondertekenen van het aanvraagformulier heeft overigens geen consequenties voor het toekennen van de aanvraag. Beide aanvragen die niet zijn ondertekend, zijn wél toegekend.

Medeondertekening door buurtbewoners
Om het draagvlak voor het initiatief te kunnen toetsen moet de aanvraag door twee medebewoners uit de wijk worden ondertekend. In de wijk Geuzenveld zijn dat er vijf. Het merendeel van de onderzochte Afwijking voorwaarde; medeondertekening door buurtbewoners aanvragen voldeed aan deze voorwaarde (85%). Bij drie van de twintig onderzochte dossiers werd niet aan deze voorwaarde voldaan (zie informatiekader).

Afwijking voorwaarde; medeondertekening door buurtbewoners
  1. Eén aanvraag door een student werd medeondertekend door studenten die op hetzelfde adres woonachtig zijn. Voor bewonersondersteuners is dit geen reden om de aanvraag af te wijzen, vanuit de gedachte dat initiatieven vanuit een kleine sociale kring starten om daarna uit te breiden en zo ook door anderen dan de initiatiefnemers worden gedragen. 
  2. Eén aanvraag werd ondertekend door één medebewoner uit de wijk en ondertekend door andere bewoners uit andere wijken.
  3. Eén aanvraag was niet ondertekend door buurtbewoners. In plaats daarvan bevatte de aanvraag een kopie van handtekeningen die wij ook in zeven andere aanvraagformulieren aantroffen. De bewonersondersteuner acht het aanvaardbaar dat handtekeningen 'hergebruikt' worden, omdat het hier medebewoners uit een verzorgingstehuis betreft, die op leeftijd zijn.  

De voorbeelden maken duidelijk dat als de bewonersondersteuner draagvlak voor het initiatief veronderstelt, het niet of maar ten dele voldoen aan deze voorwaarde geen reden is om de aanvraag af te wijzen.  Opmerkelijk is wel dat bij het toetsen van de aanvraag kopieën van handtekeningen acceptabel worden geacht, niet alleen omdat onduidelijk is of de 'medeondertekenaars' wel weet hebben van de aanvraag, maar ook omdat het niets zegt over het draagvlak.

Besluit
Elke initiatiefnemer behoort na de aanvraag een brief te krijgen van of namens de regiegroep. Is de aanvraag toegekend dan behoort de brief het toegekende bedrag en de voorwaarden te bevatten. Is de aanvraag afgewezen dan moet dit worden gemotiveerd in de brief. 

De praktijk is anders. Van de 16 onderzochte aanvragen die (deels) zijn toegekend is de toekenning zes maal bevestigd met een brief. Bij één aanvraag bleek dat het besluit mondeling is gecommuniceerd door de bewonersondersteuner.  In 10 van 16 dossiers (62,5%) ontbrak een formeelbesluit. Bij de vier afgewezen aanvragen hebben wij twee maal geconstateerd dat de aanvrager per brief gemotiveerd is geïnformeerd over de afwijzing. In de twee andere onderzochte dossiers ontbrak de brief.

Verantwoordingsfase subsidies

Heeft het initiatief plaatsgevonden dan moet een activiteitenverslag worden ingediend bij het subsidiebureau. In sommige gevallen moet ook een financiële verantwoording worden ingediend door de subsidieontvanger.

Activiteitenverslag
Uit de ASA, de subsidieregeling maatschappelijkinitiatief en de subsidieregeling bewonersinitiatieven van de stadsdelen volgt dat de subsidieontvanger verplicht is om na afloop van het initiatief een activiteitenverslag in te dienen (dit betreft een verslag over de activiteiten, niet een financiële verantwoording, zie paragraaf 5.1.1) 

In 71 van de 100 onderzochte dossiers is de subsidieaanvraag door het stadsdeel (gedeeltelijk) toegekend. In 23 van deze 71 subsidiedossiers troffen wij een activiteitenverslag aan (32%) en in 39 dossiers (55%) ontbrak het activiteitenverslag. In de resterende 9 dossiers (13%) was het activiteitenverslag nog niet ontvangen en had het stadsdeel de subsidie ook nog niet vastgesteld (in mei 2018). (zie tabel 5.2).

Tabel 5.2 -Activiteitenverslag in onderzochte dossiers
 NoordOostWestZuidZuidoostTotaal
Afgewezen aanvragen45461029
Toegekend en verantwoording niet ingediend710119239
Toegekend en verantwoording ingediend8404723
Subsidie nog niet vastgesteld115119
Som2020202020100

Ondanks dat deze verplichting voor alle subsidieontvangers geldt, was deze verplichting in 38% van de subsidiebeschikkingen aanvullend opgenomen. 23 van de 38  subsidieontvangers hebben een verslag ingediend. In de beschikkingen waarin de verplichting niet expliciet was vermeld, hebben wij geen activiteitenverslag aangetroffen. Het expliciet in de beschikking vermelden van de verplichting tot het indienen van een activiteitenverslag vergroot dus de kans dat deze verplichting wordt nagekomen.

In plaats van een verslag komen in de praktijk ook andere vormen van verantwoording over de activiteit voor. Soms worden er alleen foto's gemaild. Deze worden niet altijd opgeslagen in het subsidiebeheersysteem. Daarnaast zijn er soms gebiedsmakelaars aanwezig bij het initiatief. Stadsdeel Zuid geeft aan dat wanneer zij zelf hebben geconstateerd dat de activiteit conform de aanvraag is uitgevoerd, er niet meer gevraagd wordt naar een inhoudelijk verslag.  De stadsdelen Oost en Zuidoost geven aan expliciet naar verslagen te vragen op basis van een risicoanalyse onder andere op basis van de zichtbaarheid van het initiatief. 

De afstemming tussen de stadsdelen en het subsidiebureau verloopt evenwel niet altijd optimaal. Zo is in de meeste subsidieregelingen vastgelegd dat de subsidieontvanger na afloop van het initiatief een verslag dient in te zenden. We hebben geconstateerd dat er geen voorziening is getroffen die het inzenden van de verslagen bewaakt. Stadsdelen beschikkingen dus niet over een systeem om te bewaken of zij de activiteitenverslagen ook daadwerkelijk hebben ontvangen.  Individuele medewerkers manen de initiatiefnemers soms wel aan een verslag in te dienen, maar het niet aanleveren van een activiteitenverslag heeft geen consequenties voor de hoogte van de subsidie. Stadsdelen maken geen gebruik van de bevoegdheid om de subsidie als nog lager vast te stellen of volledig in te trekken.  Stadsdeel Noord geeft wel aan dat het verzuimen tot indienen van een eindverslag kan worden meegenomen bij een eventuele nieuwe aanvraag. 

Volgens de ASA moeten activiteitenverslagen ook worden opgenomen in het openbare subsidieregister , maar dit gebeurt niet. In het eerdere onderzoek Subsidies bewonersondersteuning en belangenbehartiging (juni 2017)  hebben wij dit ook opgemerkt.

Controle kosten
De gemeente verlangt van de subsidieontvangers geen financiële verantwoording bij subsidie onder de € 5.000. Controle op de kosten vindt in die gevallen dan ook niet plaats. Voor subsidies boven de € 5.000 wordt wel een financiële verantwoording gevraagd. Het studiebureau controleert steekproefsgewijs deze financiële verantwoordingen. Ook indien deze in de steekproef van het Subsidiebureau valt, worden facturen en (kassa)bonnen in de praktijk niet opgevraagd.

Verantwoordingsfase budgetten

Bij bewonersorganisatie Eigenwijks moeten de initiatiefnemers altijd na afloop een activiteitenverslag en financiële bewijsstukken van de uitgaven indienen.

Activiteitenverslag
Initiatiefnemers waaraan een budget is toegekend zijn verplicht voor ieder initiatief dat is afgerond een verslag (met foto’s) in te leveren. In totaal heeft de rekenkamer 16 dossiers onderzocht waarin het budget (gedeeltelijk) was toegekend. In geen enkel dossier hebben wij een verslag van de activiteiten aangetroffen. Eén van de oorzaken voor het ontbreken van een verslag, zo geven ondersteuners aan, is dat initiatiefnemers niet altijd in staat zijn om een verslag te typen.  Een andere oorzaak is dat bij initiatieven die in de tijd herhaald worden de noodzaak voor een afzonderlijke verantwoording niet wordt gevoeld door de ondersteuners. Initiatiefnemers die bij een vorige aanvraag géén verantwoording hebben ingeleverd kunnen zonder problemen een nieuwe aanvraag doen.  Meestal bespreekt de bewonersondersteuner het initiatief met de initiatiefnemer en wijst de bewonersondersteuner de initiatiefnemer er op dat er deze keer wél een verantwoording zal moeten plaatsvinden.

De bewonersondersteuners geven ons wel aan dat ze vaak foto’s via WhatsApp toegestuurd krijgen, maar dat deze niet worden gearchiveerd . Een groot deel van de georganiseerde activiteiten vindt plaats in het lokale Huis van Wijk, dit draagt bij aan de zichtbaarheid van een initiatief.  Er is dan bijna altijd een bewonersondersteuner en/of regiegroep lid aanwezig. Dit wordt dan in de notulen van de vergaderingen van de lokale regiegroep vastgelegd.  Een verslag wordt in zo'n geval als overbodig gezien.

Controle kosten
Anders dan bij subsidies (zie paragraaf 5.2.3) hoeft de initiatiefnemer geen financiële verantwoording op te stellen, maar kan deze volstaan met het insturen van de facturen en (kassa)bonnen. Uit het dossieronderzoek blijkt dat deze bonnen worden gecontroleerd door de bewonersondersteuners. Na accordering worden ze opgenomen in het financiële beheersysteem van de welzijnsinstelling, digitaal ondertekent door de bewonersondersteuner en uitbetaald aan de initiatiefnemer.

Deelconclusies

Niet voldoen aan formele vereisten bij aanvraag heeft nauwelijks gevolgen voor verlenen financiële bijdrage
Slechts in 8% van de onderzochte subsidiedossiers voldoet de ingediende aanvraag aan de gestelde eisen met betrekking tot het verstrekken van specifieke gegevens. In het merendeel van de onderzochte dossiers (92) ontbrak informatie over bijvoorbeeld de doelgroep en het te verwachten aantal deelnemers of andere financiering. Werd de subsidie aangevraagd door een organisatie dan ontbrak regelmatig een recent jaarverslag of een afschrift van de statuten. De consequenties zijn beperkt, in een kwart van de gevallen wordt de subsidie geweigerd, de redenen hiervoor zijn niet terug te leiden tot ontbrekende stukken. In Nieuw-West wordt geen subsidie maar een budget aangevraagd. Bij het dossieronderzoek bleek dat daar in 85% van de gevallen aan de formele vereisten voldeed. Wordt er niet (geheel) aan voldaan dan heeft dat geen consequenties voor de toekenning. De belangrijkste factor voor het al dan niet toekennen van een budget is de verwachte meerwaarde van een activiteit voor de buurt.

Weinig rechtszekerheid door ontbreken van een besluit in Nieuw-West
Elke aanvraag voor een subsidie of een budget dient uit te monden in een besluit over de (gedeeltelijke) toekenning of weigering van de financiële bijdrage voor het initiatief. Dit besluit geeft de initiatiefnemer inzicht in de rechten, plichten en de omvang van de financiële bijdrage. Positief is dat alle subsidieaanvragers een dergelijk besluit hebben ontvangen. Van degenen die in Nieuw-West een budget hebben aangevraagd ontving 60% geen formeel besluit.

Het ontbreken van het verplichte activiteitenverslag heeft geen gevolgen voor de financiële bijdrage
Het activiteitenverslag ontbreekt in twee-derde van de subsidiedossiers en in alle budgetdossiers (Nieuw-West). Het ontbreken van dit verplichte verslag blijft zonder gevolgen; financiële bijdragen worden niet lager vastgesteld of teruggevorderd. De stadsdelen, bewonersondersteuners van welzijnsinstellingen en leden van de regiegroepen stellen vaak op andere wijze vast of de 'prestatie' is geleverd. Ze ontvangen foto’s of wonen de activiteiten zelf bij.

Gemaakte kosten worden in Nieuw-West gecontroleerd, in de overige stadsdelen nauwelijks
Na afloop van het initiatief moet de initiatiefnemer in Nieuw-West alle facturen en (kassa)bonnen overleggen. Deze worden gecontroleerd door de bewonersondersteuner. Voor de stadsdelen geldt dat de kosten tot € 5.000 in zijn geheel niet worden gecontroleerd. Is de subsidie hoger dan € 5.000 dan moet een financiële verantwoording worden opgesteld. Maar ook dan worden de achterliggende facturen en (kassa)bonen niet gecontroleerd.

Conclusies over rechtmatigheid

De subsidieregels verschillen per stadsdeel. Dit kan verwarrend werken. Omdat initiatieven meestal maar in één buurt worden uitgevoerd heeft de initiatiefnemer maar te maken met één set van regels. De regeldruk en de administratieve lasten verschillen per initiatief. Deze verschillen worden veroorzaakt door verschillende (politieke) keuzen van stadsdelen en regiegroepen.

Het maakt ook uit of de initiatiefnemer een subsidie aanvraagt of een budget. Bij een subsidie is het aantal regelingen, weigeringsgronden en het aantal verplichtingen voor de initiatiefnemer groot. De initiatiefnemer geniet een goede rechtsbescherming en de kosten bij initiatieven beneden de € 5.000 worden niet of nauwelijks gecontroleerd. Doordat de subsidies direct worden vastgesteld op het moment van verlening, vindt er achteraf geen afrekening plaats. Een eventueel batig saldo blijft bij de initiatiefnemer.

De regelgeving van de regiegroepen sluit niet volledig aan op de kaders die het stadsdeel heeft gesteld. In algemene zin heeft een initiatiefnemer bij een aanvraag via de regiegroepen met minder regels te maken dan bij een formele subsidieaanvraag, maar voor het toekennen van een budget zijn de criteria soms wel zeer gedetailleerd. De rechtsbescherming is bij budgetten beperkt - doordat de mogelijkheid van beroep, bezwaar en klagen formeel niet is geregeld en besluiten regelmatig ontbreken. Bij budgetten worden alle gemaakte kosten gecontroleerd aan de hand van bonnetjes e.d. Een eventueel teveel uitbetaald voorschot wordt teruggevorderd.

De initiatiefnemer heeft overigens geen keuze tussen een subsidie of een budget. Woont de initiatiefnemer in Nieuw-West dan heeft de financiële bijdrage de vorm van een budget. Bij de stadsdelen Noord en West worden initiatieven zowel via subsidies als via budgetten gefinancierd. In de andere stadsdelen wordt de financiële bijdrage in de vorm van een subsidie verstrekt.

Stadsdelen, regiegroepen en bewonersondersteuners handelen niet altijd rechtmatig bij het afhandelen van de subsidie- of budgetaanvraag. Als een activiteitenplan niet aan de voorgeschreven eisen voldoet, heeft dit veelal geen consequenties voor de toekenning. Ook het verzuim om na afloop een verantwoording in te dienen, heeft niet tot gevolg dat een subsidie geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd.

Bijlagen

Bijlage 1 Verantwoording enquête

Doel enquête
Het doel van de enquête was om na te gaan welke ervaringen initiatiefnemers van maatschappelijke en bewonersinitiatieven hebben met het aanvragen van een subsidie daarvoor. Meer specifiek was het doel van de enquête om de wijze waarop en mate waarin initiatiefnemers ondersteuning ervaren hebben van hun stadsdeel in kaart te brengen.

Vragenlijst
De vragenlijst is ontwikkeld door de rekenkamer. De door ons gehouden interviews, het rapport Burgerinitiatief: waar een wil is…- Onderzoek naar de rol van overheidsinstanties bij burgerinitiatieven van de Nationale Ombudsman  en de (digitale) werkwijze voor het aanvragen van subsidies in de gemeente Amsterdam hebben als input gediend voor de enquêtevragen. Mogelijke belemmeringen in dienstverlening zijn omgezet in vragen met antwoordschalen (bijvoorbeeld van helemaal mee eens t/m helemaal niet mee eens) om de mate waarin deze breder gedragen worden te kunnen toetsen.

Er is een gezamenlijke vragenlijst samengesteld voor de stadsdelen Centrum, Noord, Oost, West, Zuid en Zuidoost. Daarnaast is er een aparte vragenlijst samengesteld voor stadsdeel Nieuw-West, omdat daar alle aanvragen voor bewonersinitiatieven lopen via bewonersorganisatie Eigenwijks. Het overgrote deel van de vragen in beide enquêtes is gelijk, de bewoording verschilt hier en daar (zo spreekt men in Nieuw-West van budgetten en niet van subsidies).

De vragenlijst is op verschillende manieren getest. Er is een informele test uitgevoerd (zelf hardop lezen van de teksten), waardoor de makers zelf een eerste inzicht kregen in de opleesbaarheid, begrijpelijkheid en beantwoordbaarheid van de vragen. Vervolgens zijn drie interne experts gevraagd de vragenlijst te beoordelen. Daarna is de vragenlijst gedigitaliseerd en elektronisch getest door twee medewerkers van de Rekenkamer. In deze test is wederom de respondentvriendelijkheid bekeken, maar ook is gecontroleerd of alle routings kloppen en of de specifieke groepen de voor hen bedoelde vragen kregen. De vragenlijsten zijn ten slotte voorgelegd aan twee initiatiefnemers uit de respondentendoelgroep (één uit stadsdeel Zuid, één uit stadsdeel Oost). Zij hebben de vragenlijst digitaal ingevuld en vervolgens in een interview met de makers gereflecteerd op de invulduur en begrijpelijkheid van de vragen.

Na elke test zijn noodzakelijke wijzigingen doorgevoerd. Naast gesloten vragen bevat de vragenlijst ook open vragen waarin respondenten de mogelijkheid werd geboden hun antwoorden op de gesloten vragen toe te lichten. Invullen van de open vragen was niet verplicht.

Digitaliseren en uitzetten enquête
De enquête is gedigitaliseerd en uitgezet via het programma Enalyzer.com. Eén tot twee werkdagen voor het live gaan van de enquête zijn de initiatiefnemers in Nieuw-West geïnformeerd door bewonersorganisatie Eigenwijks. De initiatiefnemers in de overige stadsdelen zijn niet geïnformeerd over de aankomende enquête. Elke potentiële respondent heeft een mail met een persoonlijke inlogcode toegestuurd gekregen, zodat de enquête per persoon maar één keer kan worden ingevuld.

In totaal zijn door Eigenwijks 243 mailadressen aangeleverd. Door het subsidiebureau zijn 692 mailadressen aangeleverd. Na ontdubbelen zijn 240 uitnodigingen verstuurd naar Nieuw-West en 503 naar de overige stadsdelen (totaal uitnodigingen: 743 uitnodigingen). De respondenten hadden 13 dagen om de enquête in te vullen. Tijdens de looptijd van de enquête is één reminder verstuurd aan degenen die de enquête nog niet (volledig) hadden ingevuld.

Beschrijving respons en respondenten
Van de 743 mogelijke respondenten hebben er 549 de oproep niet beantwoord (non-respons), 29 hebben de enquête niet afgemaakt (incompleet) en zes respondenten hebben aangegeven géén toestemming te willen geven voor gegevensverwerking. Uiteindelijk hebben 162 respondenten de enquête volledig ingevuld.  Dit komt neer op een responspercentage van 22%, zie tabel B1.1.

Tabel B1.1 - Respons
 FrequentiePercentage
Non-respons54973,9
Incompleet293,9
Weigering toestemming30,4
Compleet162 (n)21,8
Totale populatie743 (N)100,0

Van de 162 respondenten is er één initiatiefnemer die zijn laatste aanvraag heeft gedaan in stadsdeel Centrum, 53 hebben dit gedaan in Nieuw-West, 29 in Noord, 18 in Oost, 17 in West, 26 in Zuid en 18 in Zuidoost (Tabel B1.2). Het lage aantal voor Centrum valt te verklaren doordat dit stadsdeel pas sinds kort de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven beschikbaar heeft. De hoge respons in Nieuw-West staat in verhouding met het aantal aanvragen daar; de werkwijze met regiegroepen in Nieuw-West resulteert in een relatief hoog aantal aanvragen. Hetzelfde geldt voor stadsdeel Noord. Zuid heeft een relatief hoog responspercentage in vergelijking met het aantal subsidieaanvragen. De overige stadsdelen komen verhoudingsgewijs overeen.

Tabel B1.2 - Respons onderverdeeld naar stadsdelen
Bij welk stadsdeel heeft u uw subsidie- of budgetaanvraag ingediend?
 FrequentiePercentage
Centrum10,6
Nieuw-West5332,7
Noord2917,9
Oost1811,1
West1710,5
Zuid2616,0
Zuidoost1811,1
TOTAAL162 (n)100,00

Zoals weergegeven in tabel B1.3 hebben de meeste respondenten een subsidiebedrag tussen de € 1000 en € 5.000 aangevraagd (45%). Ook hebben veel van de respondenten (27%) een klein bedrag (tot € 500) aangevraagd. Door veel stadsdelen worden subsidies onder de € 5.000 aangemerkt als bewonersinitiatief, en subsidieaanvragen boven de € 5.000 als maatschappelijk initiatief. Wanneer wij deze verdeling aanhouden, zou dat betekenen dat 88% van de respondenten een bewonersinitiatief heeft aangevraagd en 12% een maatschappelijk initiatief.

Tabel B1.3 - Aangevraagd subsidiebedrag
Voor welk bedrag heeft u subsidie aangevraagd?
 FrequentiePercentageBI versus MI
Minder dan € 5004427,2BI: 88% (n=142)
€ 501 - € 10002515,4
€ 1001 - € 50007345,1
€ 5001 - € 10.000106,2MI: 12% (n=20)
€ 10.001 -€ 30.00053,1
€ 30.001 of meer53,1
Totaal162100,0 


Uit de data blijkt dat 138 (85,2%) van alle respondenten hun origineel aangevraagde bedrag volledig toegekend hebben gekregen (Tabel B1.4). Van 18 respondenten (11,3%) is de aanvraag deels toegewezen en van slechts zes (3,8%) respondenten is de aanvraag afgewezen. In de populatie is het percentage toegewezen aanvragen lager, namelijk 59,1%. Het percentage deels toegewezen is in de populatie hoger, namelijk 21,9%. Het percentage afgewezen in de populatie is hoger, namelijk 19,0%. Er zijn dus relatief veel succesvolle subsidieaanvragers die onze enquête hebben ingevuld. Een verklaring zou kunnen zijn dat succesvolle aanvragers eerder geneigd zijn om een enquête over hun initiatief in te vullen.

Tabel B1.4: Toegewezen en afgewezen
‘Is uw subsidie- of budgetaanvraag toegewezen of afgewezen?’
 FrequentiePercentagePopulatiepercentage
Toegewezen13885,259,1
Deels toegewezen1811,121,9
Afgewezen63,719,0
TOTAAL162 (n)100,00100,0

Analyse
Van alle antwoorden zijn per vraag voor de gehele groep respondenten frequentieverdelingen gemaakt en is gekeken naar het gemiddelde en de standaarddeviatie.

Bijlage 2 Verantwoording groepsgesprek

Doelstelling
Het groepsgesprek is op 17 juli 2018 gehouden met gebiedsmakelaars en -ondersteuners uit zes van de zeven stadsdelen (Zuidoost kon niemand afvaardigen vanwege een heidag voor alle gebiedsteams en gebiedspools. Op 19 juli 2018 hebben we met twee gebiedsmakelaars uit Zuidoost gesproken over de onderwerpen uit het groepsgesprek). Het doel van het groepsgesprek was om zicht krijgen op bevorderende en belemmerende factoren die de gebiedsmakelaars/-ondersteuners ervaren in hun dagelijkse werk rondom bewoners. Bevorderende en belemmerende factoren kunnen betrekking hebben op diverse niveaus die samenkomen in de functie van de gebiedsmakelaar (beleidsniveau, operationeel niveau) en daarmee ook helpen in de beantwoording van alle 6 de onderzoeksvragen.

Voorbereiding
De rekenkamer heeft op basis van gehouden interviews en verkregen documentatie (beleidsdocumenten, verslagen, projectplannen) vier centrale onderwerpen geselecteerd om over van gedachten te wisselen. Er is een draaiboek opgesteld waarin de opzet en aanpak van de groepsgesprekken en de te bespreken onderwerpen nader waren uitgewerkt.

De deelnemers zijn per mail benaderd via de contactpersonen van de rekenkamer bij de verschillende stadsdelen. Elk stadsdeel is verzocht om twee deelnemers af te vaardigen; ofwel twee gebiedsmakelaars, ofwel één gebiedsmakelaar en één ondersteuner. Waar nodig is door de rekenkamer een reminder gestuurd of zijn de contactpersonen gebeld voor het aanleveren van deelnemers per stadsdeel. Voorafgaand aan het groepsgesprek hebben de deelnemers informatie ontvangen over de te bespreken onderwerpen, de opzet van de middag en achtergrondinformatie over de rekenkamer en het onderzoek Subsidieregelingen maatschappelijke initiatieven en bewonersinitiatieven.

Tabel B2.1 - Deelnemers groepsgesprek
  
Aantal genodigden14
Aantal deelnemers11
Vertegenwoordigde stadsdelen en functiesStadsdeel Centrum: 1 gebiedsmakelaar, 2 ondersteunersStadsdeel Noord: 2 gebiedsmakelaarsStadsdeel Nieuw-West: 1 gebiedsmakelaar, 1 ondersteunerStadsdeel Oost: 1 gebiedsmakelaar, 1 ondersteunerStadsdeel West: 1 gebiedsmakelaarStadsdeel Zuid: 1 gebiedsmakelaar


Tijdens het groepsgesprek

Allereerst kregen de aanwezigen een beknopte toelichting op het onderzoek, het doel van het groepsgesprek en de werkwijze tijdens het groepsgesprek. De deelnemers hadden de gelegenheid tot het stellen van vragen.

Om discussie en uitwisseling van kennis en ideeën te bevorderen zijn de deelnemers tijdens het groepsgesprek opgedeeld in twee kleinere groepen. De discussie in elke groep werd gefaciliteerd door een onderzoeker van de Rekenkamer.

Tabel B2.2 - Onderwerpen groepsgesprek
OnderwerpBediscussieerd doorOnder leiding van
Middelen en instrumenten: wordt je er door geholpen of is het behelpen?Groep 1Onderzoeker A
Regels en procedures: energiegevers of energievreters?Groep 2Onderzoeker B
Versplintering in beleid: lust of last?Groep 1Onderzoeker A
Impact van initiatieven: doel bereikt of voorbij geschoten?Groep 2Onderzoeker B


De algemene werkwijze per discussie was als volgt:

  • Elk gesprek begon met een korte toelichting op het onderwerp en het stellen van een prikkelende vraag om de discussie op gang te brengen.
  • De gespreksleider had een meer neutrale startvraag en verdiepingsvragen achter de hand voor momenten dat de discussie stil viel, om door te vragen of voor momenten waarop het gespreksonderwerp éénzijdig werd besproken.
  • Elke groepsdiscussie duurde 30 minuten. Na 30 minuten werd aan de groep gevraagd om de discussie samen te vatten in maximaal 5 hoofdpunten en deze op een flip-over te schrijven.

De uitkomsten van elke groepsdiscussie zijn plenair besproken. Zo had de groep die het onderwerp had besproken de mogelijkheid nog aanvullingen te doen en de groep die het onderwerp nog niet had besproken, kreeg de mogelijkheid om te reageren.

Uitwerking en analyse
De discussies zijn opgenomen en in detail (maar niet letterlijk) uitgewerkt door een hiervoor gecertificeerde derde partij. Het gespreksverslag is gecodeerd in Nvivo en gecodeerde onderdelen zijn meegenomen in de analyses voor de diverse onderzoeksvragen.

Bijlage 3 Verantwoording dossieronderzoek stedelijk

Doelstelling
We hebben een dossieranalyse uitgevoerd om meer te weten te komen over de kwaliteit van de subsidieaanvragen ter organisatie van een initiatief en de kwaliteit van beoordeling.

Methoden en noten
Uit een populatie van 698 subsidieaanvragen hebben wij een gelaagde steekproef uitgevoerd waarin honderd subsidieaanvragen zijn opgenomen. De gelaagdheid betreft a) de keuze om per stadsdeel een richtlijn van zo’n twintig aanvragen in de steekproef op te nemen, b) de keuze om per stadsdeel een evenredige variatie in bedragen van relatief hoog-midden-laag op te nemen en c) de keuze om per stadsdeel in ieder geval vier afgewezen aanvragen op te nemen, om zo ook inzicht te krijgen in het proces van weigering. Zo zijn we in staat geweest een beeld te krijgen van eventuele verschillen tussen de stadsdelen met betrekking tot de kwaliteit van aanvragen en beoordeling. Deze methode brengt ook een nadeel met zich mee; de steekproef is niet volledig representatief op het gebied van aanvraag- en verleend bedrag. Ten opzichte van de mate waarop controle is uitgeoefend zou het geen verschil moeten maken, gezien elke subsidie in principe naar hoge standaard gecontroleerd dient te worden, ongeacht het bedrag.

Jammer genoeg zijn we niet in staat geweest om elke subsidieaanvraag uitgebreid te toetsen aan prestatieafspraken, impact en resultaten vanwege limitatie in tijd en de fysieke beperkingen van een analyse via het subsidiebeheersysteem. Een toets met betrekking tot het nakomen van prestatieafspraken zou betekenen dat we per initiatief zouden moeten gaan controleren in hoeverre de afspraken gemaakt in de subsidiebeschikking zijn nagekomen. Ook komt er doorgaans bij een subsidieaanvraag meer aan te pas dan in het subsidiebeheersysteem wordt weergegeven. Er staan bijvoorbeeld geen gespreks- of communicatieverslagen in opgeslagen. We verwachten eigenlijk dat er bij elke aanvraag communicatie plaatsvindt tussen de aanvrager en het stadsdeel en/of subsidiebehandelaar waarin er wel het een en ander besproken wordt wat zich uiteindelijk niet in het dossier laat terugvinden. Daarnaast gebeurd het ook regelmatig dat medewerkers van het stadsdeel informeel nagaan of een initiatief heeft plaatsgevonden, dit kan bijvoorbeeld via de telefoon of door zelf langs te gaan. Dit wordt ook niet altijd in het subsidiebeheersysteem opgenomen.

De steekproefpopulatie bestaat enerzijds uit subsidiedossiers die vallen onder de regelingen bewonersinitiatief Noord, Oost, West, Zuid, en Zuidoost in het subsidiejaar 2017. Anderzijds bestaat de populatie uit subsidiedossiers die vallen onder regelingen maatschappelijk initiatief Noord, Oost, West en Zuidoost. Voor stadsdeel Zuid hebben wij voor maatschappelijke initiatieven ook 2018 meegenomen omdat de regeling sindsdien van kracht is gegaan. Er is geen reden om aan te nemen dat het subsidiejaar van invloed is op het subsidieproces. Omdat de regeling Zuid pas in 2018 is ingegaan hebben we voor dit stadsdeel niet kunnen voldoen aan het door onszelf opgelegde criterium van tien maatschappelijke initiatieven voor dit stadsdeel. In plaats daarvan hebben we zes extra bewonersinitiatieven in de steekproef opgenomen om alsnog op 20 aanvragen voor het stadsdeel te komen.

Daarnaast was er slechts een beperkte populatie aanvragen beschikbaar die vielen onder de regeling maatschappelijk initiatief stadsdeel Zuidoost. Binnen deze populatie waren er ook nog een groot aantal aanvragen afgewezen, waardoor er in onze steekproef onder de groep stadsdeel Zuidoost ook groep van tien afgewezen aanvragen zit.

Bijlage 4 Verantwoording dossieronderzoek Nieuw-West

Doelstelling
Het dossieronderzoek naar bewonersinitiatieven gefinancierd met budget van bewonersorganisatie Eigenwijks is uitgevoerd in het kader van het overkoepelende onderzoek van de Rekenkamer Amsterdam naar het beleid rondom maatschappelijke initiatieven en bewonersinitiatieven. Het beleid van de gemeente is onder de stadsdelen versplinterd geraakt. Over het algemeen lopen de subsidies voor initiatieven via een speciale subsidieregeling en worden ze verwerkt in het stedelijke subsidiebeheersysteem. In stadsdeel Nieuw-West geldt er echter een ander systeem ter financiering van initiatieven, waardoor we genoodzaakt zijn geweest om een apart onderzoek uit te voeren in dit stadsdeel.

Methoden en noten
De rekenkamer is langs geweest bij drie buurthuizen in het stadsdeel Nieuw-West: huizen van wijk de Honingraat (Slotermeer), België (Sloten & Nieuw-Sloten) en het Pluspunt (Geuzenveld). In elk buurthuis hebben we een aantal dossiers onderzocht. Daarnaast is er gesproken met enkele bewonersondersteuners ter plekke. Aangezien we in het stedelijke dossieronderzoek voor elk stadsdeel twintig aanvragen hebben genomen hebben we daar in Nieuw-West ook voor gekozen. Daarna zijn de aanvragen over de wijken verdeeld. In Geuzenveld worden in verhouding meer aanvragen gedaan, dus de aanvragen voor Geuzenveld in de steekproef hebben dezelfde verhouding. Hetzelfde geldt voor de andere wijken.

In totaal zijn er in dit dossieronderzoek dus zes aanvragen uit Slotermeer, vijf uit Sloten & Nieuw-Sloten en negen uit Geuzenveld in de steekproef opgenomen. De dossiers zijn per wijk aselect gekozen door uit elk aanvraagoverzicht telkens de 11e aanvraag te selecteren. Om de relatief kleine steekproeven per wijk een betere afspiegeling van de populatie te geven naar verhouding van het verleende bedrag is er vanaf de 11e aanvraag binnen een beperkte bandbreedte een andere aanvraag opgenomen wanneer dat nodig werd geacht. Ter verhouding van het verleende bedrag hebben we de volgende categorieën gehanteerd:

  • Categorie I: € 0 tot € 500
  • Categorie II: € 500 tot € 1000
  • Categorie III: € 1000 en meer
  • Categorie IV: Afgewezen

Elke aanvraag is individueel door een medewerker van de rekenkamer behandeld en getoetst aan normen en voorwaarden. Daarna zijn eventuele bijzonderheden genoteerd. Vervolgens zijn de belangrijkste bevindingen besproken met bewonersondersteuner van bewonersorganisatie Eigenwijks op locatie, die zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van initiatieven. Die heeft vervolgens weer toelichting of opheldering op onze vragen gegeven. Deze besprekingen zijn opgenomen en uiteindelijk verwerkt tot een gespreksverslag. Het gespreksverslag is daarna teruggelegd bij de medewerker van Eigenwijks voor wederhoor. Alleen de informatie die we hieruit hebben verkregen is verwerkt in deze rapportage. Door de gesprekken te koppelen aan de data verkregen uit de dossieronderzoek hebben we een beeld kunnen weergeven van de werkwijze ten aanzien van bewonersinitiatieven in Nieuw-West.

Bijlage 5 Geraadpleegde personen

NaamFunctie en organisatie
Adusei, EddyOntwikkelmanager Sociaal en Gebiedsmanager Bijlmer Oost, stadsdeel Zuidoost
Alta, SjoukjeStadsdeelsecretaris, stadsdeel Oost
Balk-de Wit, PienTeammanager Basisvoorzieningen, stadsdeel Oost
Belliot, PriscillaSubsidiecoördinator, stadsdeel Zuidoost
Boer, Eva deOpbouwwerker/bewonersondersteuner bewonersorganisatie Eigenwijks
Combé, MachteldSenior adviseur Sociaal Domein, stadsdeel Oost
Dorsman, JeannetteSenior adviseur Zorg, OJZ
Driesen, ArlenTeam Basisvoorzieningen, stadsdeel Zuid
Erning, Karin vanTeam Basisvoorzieningen Sociaal, stadsdeel Oost
Glastra van Loon, DickDirecteur, bewonersorganisatie Eigenwijks
Kalk, HenkTeamhoofd Subsidiebureau Amsterdam
van Katwijk, JasmijnManager Oost, HvA BOOT
Koehein, MartineGebiedscoördinator Indische Buurt, stadsdeel Oost
Langkruis, Erik van deOpbouwwerker, Civic Post Oost / Wijkkunde. Heeft ook geholpen met het opzetten van de enquête aan initiatiefnemers.
Linden, Gina van derOpbouwwerker/bewonersondersteuner bewonersorganisatie Eigenwijks
Macnack, KennethOpbouwwerker, Civic Zuidoost / POZO
Maginzali, StefaniaOpbouwwerker/bewonersondersteuner bewonersorganisatie Eigenwijks
Netel, AudreyManager Zuidoost, HvA BOOT
Nijpels, MirjamGebiedscoördinator, stadsdeel West
Ottes, LiesbethGebiedscoördinator, stadsdeel Zuid
Ruys, JantienManager team Basisvoorzieningen, stadsdeel Nieuw-West
Scheuerman, PhiliaGebiedsondersteuner, stadsdeel Zuid
Schothans, AnitaGebiedsregisseur, stadsdeel West
Severijn, NineHoofd Gebiedspool, stadsdeel Centrum
Snabilie, MirteleManager Nieuw-West, HvA BOOT
Strijbos, JetTeam Basisvoorzieningen, stadsdeel Noord
Todorovic, AnaBeleidsmedewerker Gebiedspool team Sociaal, stadsdeel Centrum
Veenstra, JeroenBeleidsmedewerker Bewonersinitiatieven, stadsdeel Nieuw-West
Verwaal, NettyGebiedsmakelaar, stadsdeel Zuid
Vierra, AstridAdviseur team Regie en Consolidatie, Financiële dienstverlening
Walch, Jan JaapAdviseur Zorg, OJZ
Werner, MerelTeam Basisvoorzieningen, stadsdeel Noord